Home Politiek Historisch profiel: Thomas Hobbes & de Leviathan
Politiek

Historisch profiel: Thomas Hobbes & de Leviathan

Door Anna Luyten op 26 oktober 2010

Cover van 09-2010
09-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

Mensen zijn jaloers, wantrouwend en trots, vond de Engelse filosoof Thomas Hobbes. Daarom leven we in een wereld vol onenigheid. Alleen een sterke staat of zelfs een tiran kan daar een eind aan maken.

Op Goede Vrijdag 5 april 1588 hoorde de zwangere vrouw van de dominee in de straten van het Engelse Westport een gerucht: ‘De Spaanse Armada komt!’ In het voorjaar van 1588 leefde het Engelse volk in grote angst voor de dreiging van de komst van de vloot van de Spaanse koning Filips II, die de naam had onoverwinnelijk te zijn. De vrouw van de dominee, die het thuis al niet makkelijk had, kreeg vroegtijdig barensweeën. Thomas Hobbes werd geboren. ‘Die dag gaf mijn moeder het leven aan een tweeling: ikzelf en de angst’, zei Thomas Hobbes later. Hobbes ging de geschiedenis in als de man die te midden van de grote paniek in staat is stil te blijven staan en op zoek te gaan naar principes. In tijden van burgeroorlog ontwikkelde hij een op wetenschappelijke principes gebaseerde politieke filosofie. Want niet alleen zijn geboorte werd bepaald door angst. Hobbes leefde in een tijd van burgeroorlogen, die in Engeland tussen 1639 en 1651 wreed en heftig woedden.

Vrees voor de dood, wantrouwen in de ander en behoefte aan veiligheid vormen de grondslag van Hobbes’ denken over de beschaving en de staat. Zijn tijd was er een van opkomend materialisme en kapitalisme, en van religieus fanatisme. Het denken van Hobbes brengt daarin rust.

Zijn gedachten over de mens werden vooral beïnvloed door de vele ontmoetingen die hij had met de natuurwetenschappers van zijn tijd. Hobbes verwerpt dan ook het idee dat de mens en de politiek afhankelijk zouden zijn van een goddelijke autoriteit. Hij ontleende zijn begrippenkader aan de natuurwetenschap van Galilei, een man voor wie hij veel bewondering had. Hij ontmoette hem tweemaal toen hij door Europa reisde als huisleraar van de familie Cavendish.
Hij kende de werking van het hart even goed door zijn passie voor het theater (hij vertaalde als tiener al Medea van Euripides) als door gesprekken met zijn goede vriend William Harvey, de ontdekker van de bloedsomloop. Hij werd de lievelingssecretaris van de filosoof Bacon, die hem al wandelend zijn gedachten dicteerde. Als veertiger raakte Hobbes gefascineerd door de geometrie en de manier van bewijsvoering van Euclides. Hij was zelfs bezeten door wetenschap: hij zocht het intellectuele gezelschap van Spinoza, Hugo de Groot, Descartes, Leibniz. En op een geometrische manier, met axioma’s, zou hij zijn politieke filosofie schrijven.
 

Zeemonster

Terwijl hij in Parijs in een soort ballingschap leefde, begon hij zijn opvattingen over politiek neer te schrijven. Eerst in het Latijn, daarna in het Engels. Het resultaat was zijn boek Leviathan, een titel die verwijst naar een Bijbels zeemonster. In 1651 werd het boek gepubliceerd, in Engeland. Eind 1651 keerde hij naar zijn vaderland terug; de burgeroorlog was voorbij, het geschrift geschreven.

Nog altijd is zijn Leviathan actueel. Hobbes oefende kritiek uit op een te grote macht van religie in een staatsbestel. Hij zag hoe het individualisme in zijn tijd ontstond door de eerste vormen van kapitalisme. En het begrip ‘veiligheid’ staat zo centraal in zijn mens- en staatsvisie dat het verplichte literatuur zou moeten zijn voor het nieuwe kabinet.

Hobbes kreeg voor- en tegenstanders wegens zijn ‘godslasterlijk’ geschrift. Een van zijn steunpilaren was Spinoza. Abraham van Berkel, die in 1667 de Nederlandse vertaling van Hobbes’ Leviathan publiceerde, was lid van de Amsterdamse ‘kring’ van Spinoza.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Galilei

Hobbes’ gevoeligheid voor natuurwetenschappelijke inzichten en zijn ‘wetenschappelijke’ manier van denken maken hem tot de grondlegger van de politieke wetenschap. Hij gaat niet uit van een idee, hij beschrijft de mens zoals hij die ziet. Van Galilei leerde hij dat ieder natuurlijk proces een proces van beweging is. Het ene zet het andere in gang. Ook de mens en zijn gedrag zijn te herleiden tot een proces van bewegingen die empirisch bestudeerd kunnen worden en oorzakelijk verklaard.

Hobbes is eerlijk over zijn mens-zijn. Hij verwijst soms naar alledaagse observaties: ‘Want alle mensen hebben van nature een bril gekregen met sterk vergrotende glazen, die van elke kleine betaling een grote tegenslag maakt; terwijl zij dringend een verrekijker nodig hebben, waarmee ze lang van tevoren de ellende kunnen zien die hun boven het hoofd hangt, en waaraan zonder dergelijke betalingen niet valt te ontkomen.’

In Leviathan beschrijft hij de aard van het menselijk gedrag uitvoerig. De ‘natuurtoestand’, zo noemt hij het. Een toestand zonder het laagje van civilisatie. Van nature is ieder mens uit op zelfbehoud en bevrediging van zijn verlangens. Zonder ontzag voor anderen. Hobbes gaat ervan uit dat mensen van nature gelijk zijn. ‘Uit het feit dat wij gelijke mogelijkheden hebben, volgt dat wij gelijke hoop kunnen koesteren om onze doeleinden te verwezenlijken.’ Onderling zijn mensen in de eerste plaats concurrenten. Iedereen ligt op de loer om te kunnen profiteren van de zwakheden van de ander. ‘Het gevolg van dit wederzijds wantrouwen is dat er geen redelijker manier bestaat waarop iemand zich in veiligheid kan brengen dan door de ander een slag voor te zijn.’ De mens is voor de mens een wolf – homo homini lupus est. Het gevolg is een oorlog van allen tegen allen.

De mens is uit op de bevrediging van zijn verlangens. Hobbes ziet de bevrediging van een begeerte als het begin van nieuwe onrust. Er zijn alleen maar tijdelijke rustpunten.

En Hobbes besluit: ‘In de menselijke natuur vinden we dus drie hoofdoorzaken van onenigheid. Ten eerste de wedijver, ten tweede het wantrouwen, ten derde de trots. De eerste van deze drie maakt dat mensen elkaar aanvallen om winst te behalen; de tweede om veilig te kunnen leven; de derde om hun reputatie hoog te houden.’

De natuurtoestand die Hobbes beschrijft, is gelukkig niet een blijvende toestand. De mens is een redelijk wezen, en en redelijk mens ziet wel in dat op lange termijn niemand baat heeft bij een oorlog van allen tegen allen. Daarom is de mens vatbaar voor rationele gedragsregels. Een van die regels is dat men zich moet houden aan gemaakte afspraken. Het is geen kwestie van goed of kwaad, want absolute morele normen bestaan er volgens Hobbes niet, maar het is een praktische omgangsregel. ‘De natuurlijke wetten zijn regels van het welbegrepen eigenbelang.’
En er zijn volgens Hobbes ook hartstochten die de mensen aanzetten tot vrede: de angst voor de dood, het verlangen naar dingen die het leven veraangenamen en de hoop deze door arbeid en ijver te verwerven. Want wat weleens wordt vergeten is dat Hobbes ook spreekt over principes als rechtvaardigheid en dankbaarheid. ‘Menselijke handelingen krijgen een smaak van rechtvaardigheid door een zekere grootheid van hart of edelmoedigheid (iets zeldzaams), dat maakt dat iemand het beneden zich acht om zijn levensgenot te vermeerderen door bedrog of woordbreuk.’
 

Egoïsme

Toch is de mens lang niet altijd geneigd zich aan de ‘natuurlijke wetten’ te houden. Indien nodig moeten die ‘natuurwetten’ krachtdadig worden gehandhaafd. Wie geen respect toont, moet zo nodig gestraft kunnen worden. Vooral omdat de mens van nature toch snel vervalt in egoïsme.
Hier kan de staat een belangrijke rol spelen. Het doel van de staat is ieders veiligheid. Zelfbehoud, zo weet Hobbes, is een belangrijke natuurwet. Daarom is de mens gedwongen om al zijn macht en kracht over te dragen op een man of een bestuursorgaan, opdat de wil van allen afzonderlijk teruggebracht wordt tot één wil. Hobbes zag maar één manier waarop een gemeenschappelijke macht kan worden opgericht waaraan ieder zich onderwerpt: ‘En dit is wanneer allen hun macht en hun kracht op één man overdragen, of op één vergadering die de wil van alleen afzonderlijk bij meerderheid van stemmen tot één wil kan terugbrengen.’ Daarom ook koos Hobbes Leviathan als titel voor zijn boek: Leviathan is een Bijbels monster, dat als enige in staat is ervoor te zorgen dat de mensen het bij elkaar uithouden.

Ieder draagt zijn natuurlijke rechten en macht over aan de ‘soeverein’ en daaraan is men nu gehoorzaamheid verschuldigd. Mensen zijn het aan zichzelf en elkaar verplicht een overkoepelende macht te scheppen en zich voortaan daaraan te onderwerpen. Er bestaan geen hoogstaande motieven waarachter ieder mens zich graag schaart. De staat moet iets nuttig zijn, gunstig voor alle deelnemers. De staat wordt gecreëerd door een verdrag tussen de partijen, een ‘sociaal contract’. Ieder individu draagt zijn rechten over aan één persoon, die hij de soeverein noemt, of aan een groep. Alle individuen verenigen zich op die manier als ‘onderdanen’.

De wil van de staat, zo zegt Hobbes, of die nu belichaamd wordt door een heerser of het parlement, moet almachtig zijn; Hobbes gaf een absolute macht aan de staat. De staat bepaalt wat zedelijk goed en slecht is, wat recht en onrecht is. De heerser heeft de verplichting de orde te handhaven.

‘Leviathan is de wereldse Bijbel voor de moderne mens.’ Dat werd al bijna onmiddellijk na het verschijnen gezegd. Hobbes zelf noemde Leviathan ‘mijn verhandeling over burgerlijke en religieuze regering naar aanleiding van de ordeloosheid van de huidige tijd.’

Uiteindelijk pleit Hobbes voor een absoluut en onverdeeld centraal gezag. Dat pleidooi voor een soevereine staatsmacht lijkt misschien achterhaald, maar is nog altijd brandend actueel. Hoeveel inbreng mag een staat hebben in het dagelijks leven van mensen? Onder welke omstandigheden mag een overheid geweld gebruiken?
 

Honderd keer dronken

Met zijn theorie over politieke macht joeg hij de parlementairen tegen zich in het harnas. En ook de royalisten. Er werd een parlementaire commissie ingesteld om Leviathan te onderzoeken. Alleen de tussenkomst van de koning, Karel II, redde Hobbes van vervolging. Hobbes zou nooit een positief beeld van de mens krijgen: ‘Zo beschouw ik in de eerste plaats een aanhoudend en rusteloos verlangen naar steeds nieuwe macht als een algemene drang van de hele mensheid die pas met de dood eindigt.’ Maar hij leefde lang. Hij speelde tennis tot zijn vijfenzeventigste. ‘Op zijn zesentachtigste verveelde hij zich en vertaalde hij de Illias en de Odyssee’, zo schreef zijn vriend John Aubrey in een biografie. En dat hij een matig man was ‘zowel naar de wijn toe als naar vrouwen’. Hij is in zijn leven honderd keer dronken geweest; meestal dronk hij dan zoveel dat hij kon braken. Honderd keer dronken was matig in die tijd. Hij zou van het leven genoten hebben. Na zijn zestigste stond hij op om zeven uur, ging wandelen, at weer om elf uur, rookte een pijp en ’s avonds ‘als alle deuren dicht waren, en hij er zeker van was dat niemand hem hoorde, zong hij zeer luid. Niet dat hij goed kon zingen, maar hij geloofde dat het goed was voor zijn ademhaling.’ Vlak voor zijn dood schreef hij nog een liefdesgedicht. Het eindigde met de woorden: ‘Who loves in body fair a fairer mind.’