Home Vrouwelijke denkers Fragment Cixous: de vrouw moet zichzelf schrijven
Vrouwelijke denkers

Fragment Cixous: de vrouw moet zichzelf schrijven

Door Hélène Cixous op 23 juni 2026

illustratie van een schrijvende vrouw
Filosofie Magazine 7 2026 Kun je zonder iets te denken aan niets denken
07-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Weg met de ‘benepen’ lezers, hoofdredacteuren en uitgevers die geen zin hebben in schrijvende vrouwen, aldus Hélène Cixous. ‘Schrijf, laat niemand je tegenhouden, niets je afremmen.’

Ik ga het hebben over l’écriture féminine, het vrouwelijk schrijven: over wat het teweeg zal brengen. Het is essentieel dat de vrouw zichzelf schrijft: dat de vrouw als vrouw schrijft, dat ze over de vrouw schrijft en vrouwen tot schrijven brengt, waarvan ze net zo gewelddadig weggehouden zijn als van hun eigen lichaam; om dezelfde redenen, volgens dezelfde wetten, met hetzelfde dodelijke doel. De vrouw moet zichzelf in tekst plaatsen – net als in de wereld en in de geschiedenis –, en wel uit eigen beweging.

Lees dit artikel verder

Voor € 4,99 per maand lees én beluister je dit artikel en alle andere online artikelen van Filosofie Magazine.

Word abonnee Al abonnee? Inloggen

Het verleden mag niet langer de toekomst bepalen. Ik ontken niet dat de gevolgen van het verleden nog steeds aanwezig zijn. Maar ik weiger ze te bestendigen door ze te herhalen of te beschouwen als een onafwendbare lotsbestemming; om het biologische te verwarren met het culturele. We moeten dringend vooruitzien.

De volgende overwegingen hebben zich ontwikkeld op een gebied dat op het punt staat ontdekt te worden en dragen dus noodzakelijkerwijs het teken van de tussentijd waarin we leven, waarin het nieuwe zich losmaakt van het oude of, om preciezer te zijn, het vrouwelijke nieuwe van het oude. Omdat er geen fundament is om een vertoog op te zetten, maar wel een duizendjarige verdorde grond die we moeten splijten, heeft wat ik zeg ten minste twee kanten en twee bedoelingen: vernietigen, verpulveren; het onvoorziene voorzien, projecteren.

Hélène Cixous (1937) is een Franse filosoof, schrijver, historicus en hoogleraar Engelse literatuur. Ze maakte naam in zowel de academische als de literaire wereld en richtte in Parijs het eerste centrum voor vrouwenstudies op in Europa. Haar manifest De lach van de Medusa, waar dit een fragment uit is, geldt als een van de belangrijkste teksten van de tweede feministische golf in Frankrijk.

Ik schrijf dit als vrouw tegen vrouwen. Als ik ‘de vrouw’ zeg, dan heb ik het over de vrouw in haar onvermijdelijke strijd tegen de klassieke man, en ik heb het over de vrouw als universeel subject, die vrouwen bij zinnen en bij haar geschiedenis brengt. Maar allereerst moet worden gezegd dat heden ten dage, en ondanks de enorme verdrukking waarmee vrouwen in het ‘donker’ zijn gehouden dat men als haar wezenskenmerk probeerde te erkennen, er geen veralgemeniseerbare vrouw is, geen type vrouw. Wat vrouwen gemeen hebben, dat zal ik zeggen. Wat me opvalt is de oneindige rijkdom aan individuele constituties: we kunnen niet spreken van een vrouwelijke seksualiteit – uniform, homogeen, die een van tevoren gecodeerd pad aflegt – net zomin als we over één onbewuste kunnen spreken. De verbeeldingswereld van vrouwen is net zo onuitputtelijk als de muziek, de schilderkunst, het schrijven: hun ongehoorde fantasieën stromen volop. Meer dan eens heb ik me verbaasd over hoe een vrouw me haar wereld beschreef, waar ze sinds haar vroegste jeugd heimelijk in rondwaalde: een wereld die ze onderzocht en leerde kennen door stelselmatig te experimenteren met haar lichaam, door haar erogeniteit nauwkeurig en hartstochtelijk te bevragen. Deze bijzonder rijke en inventieve praktijk, die met name het masturberen betreft, wordt voortgezet in of begeleid door een productie van vormen, een ware artistieke activiteit waarbij elke genotsfase een sonoor beeld, een compositie inschrijft, iets moois. Schoonheid zal niet langer verboden zijn. Ik zou dan ook willen dat ze ging schrijven en dit unieke rijk bekendmaakte. Opdat andere vrouwen, andere verborgen soevereine subjecten, uit zullen roepen: ook ik vloei over, mijn verlangens hebben nieuwe verlangens uitgevonden, mijn lichaam kent nog ongehoorde gezangen, ook ik heb me zo vaak gevuld gevoeld met schitterend lichtgevende stromen, waarvan de vormen vele malen mooier waren dan degene die ingelijst voor stinkend veel geld worden verkocht. En ook ik heb niets gezegd, niets laten zien: ik heb mijn mond niet open gedaan, heb niet mijn helft van de wereld herschilderd. Ik schaamde me. Ik was bang en heb mijn schaamte en angst ingeslikt. Ik zei tegen mezelf: je bent gek! Wat zijn dat voor golven, stromen, stuwingen? Welke bruisende, oneindige vrouw heeft zich, verzonken in haar naïviteit, dom gehouden en vol zelfverachting door de almacht van het ouderlijk-echtelijk fallocentrisme niet geschaamd voor haar kracht? Wie vond zichzelf niet een monster toen ze met verbazing en afgrijzen het verschrikkelijke tumult van haar driften zag (want men heeft haar doen geloven dat een goed geregelde, normale vrouw van een… goddelijke kalmte is)? Wie dacht niet dat ze ziek was als ze een vreemd verlangen voelde (om te zingen, te schrijven, zich te uiten, kortom iets nieuws te maken)? Welnu, haar schandelijke ziekte bestaat er juist in dat zij zich tegen de dood verzet en zoveel hinder veroorzaakt.

En waarom schrijf jij niet? Schrijf! Schrijven is van jou, jij bent van jou, je lichaam is van jou, neem het. Ik weet waarom je niet hebt geschreven. (En waarom ik niet heb geschreven voor mijn zevenentwintigste.) Omdat schrijven voor jou tegelijkertijd te hoog gegrepen en te groot is, gereserveerd voor de groten, dat wil zeggen de ‘grote mannen’; en dat is flauwekul. Trouwens, je hebt al een beetje geschreven, maar in het geheim. En het was niet goed, maar omdat je in het geheim schreef en jezelf daarvoor strafte, heb je niet doorgezet; of omdat schrijven voor jou onweerstaanbaar was, net zoals we in het geheim masturbeerden, ging het er niet om verder te gaan en door te zetten, maar om de spanningen een beetje te verlichten, net genoeg om de kwellende druk tot stoppen te dwingen. En als we dan klaarkwamen, wisten we niet hoe snel we ons schuldig moesten voelen en vergiffenis moesten vragen; of we wisten niet hoe snel we het moesten vergeten en wegstoppen – tot de volgende keer.

Schrijf, laat niemand je tegenhouden, niets je afremmen: mannen niet, de imbeciele kapitalistische machine waarin uitgeefhuizen listig en onderdanig de voorschriften uitvoeren van een economie die tegen ons en over onze ruggen werkt niet; en jijzelf niet.

Echte teksten van vrouwen, teksten waarin vrouwenseksen spreken, dat bevalt hun niet; daar zijn ze bang voor, daar walgen ze van, de benepe lezers en hoofdredacteuren en hoge heren op hun troon.

Ik schrijf vrouw: de vrouw moet de vrouw schrijven. En de man de man. Daarom zal hier maar terloops sprake zijn van de man, die zelf zal moeten zeggen hoe het zit met zijn mannelijkheid én zijn vrouwelijkheid; dat zal ons pas iets aangaan wanneer de mannen hun ogen hebben geopend om zichzelf te zien.

Vrouwen komen terug van verre: wat altijd al was: van ‘buiten’, van de heide waar de heksen voortleven; van beneden, van deze zijde van de ‘cultuur’; van hun kinderjaren, die de mannen hen met grote moeite proberen te laten vergeten en die ze veroordelen tot in pace. Opgesloten zitten ze, de kleine meisjes met hun ‘slecht opgevoede’ lichamen. Intactae, onverstoord en onaangeraakt, in ijs geconserveerd. Frigide gemaakt. Maar wat zich daardoor allemaal roert! Wat voor moeite moeten ze zich getroosten, de seksepolitie, telkens weer opnieuw, om haar dreigende terugkeer te verhinderen. Het machtsvertoon is van beide kanten zo groot dat de strijd al eeuwenlang vastligt in het trillend evenwicht van een dood punt.

Dit is een fragment uit De lach van de Medusa van Hélène Cixous (Athenaeum, 2026).

De lach van de Medusa
Hélène Cixous
vert. Christa Stevens, inl. Ilse Josepha Lazaroms

Athenaeum
72 blz.
€ 15,-

Loginmenu afsluiten