Home Vrouwelijke denkers ‘Vrouwen lieten zich niet de mond snoeren’
Vrouwelijke denkers

‘Vrouwen lieten zich niet de mond snoeren’

Iedereen kent Socrates en Nietzsche. Maar hoe zit het met Hipparchia en Salomé? Aline D’Haese en Frank Meester belichten in hun boek 2500 jaar vrouwelijk denken.

Door Alexandra van Ditmars op 30 april 2021

‘Vrouwen lieten zich niet de mond snoeren’
Cover van 05-2021
05-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Eén grijs kadertje over Simone de Beauvoir, dat was het wel zo’n beetje. Toen filosofe en classica Aline D’Haese Meesters in de filosofie dichtsloeg, was ze verontwaardigd. Het boek, dat filosoof Frank Meester in 2005 samen met zijn broer Maarten publiceerde, belooft een geschiedenis van de filosofie. Maar de vrouwen komen er in het werk bekaaid vanaf. D’Haese besloot contact op te nemen met Frank Meester. ‘Waar zijn de vrouwelijke filosofen? Niet aan gedacht? Vergeten?’ schreef ze hem. ‘En ja, ik weet dat ze vaak genoodzaakt waren op de achtergrond te blijven, omdat ze niet naar school konden of zelfs amper bestaansrecht hadden. Dat neemt niet weg dat ze er wel degelijk waren (en zijn) en vaak oorspronkelijke gedachten hadden, die ze bijvoorbeeld in briefvorm bespraken.’

Meester vond het een goed punt. ‘Ik had deze kritiek nooit eerder gekregen. Dat klinkt misschien vreemd, maar dit gaat over een vrij oud boek, en het bewustzijn hierover is de laatste jaren enorm toegenomen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

D’Haese en Meester besloten gezamenlijk opnieuw de geschiedenis van de filosofie in te duiken, maar dit keer de nadruk op de vrouwen te leggen. Onlangs verscheen het eindproduct van deze zoektocht: De zijkant van de filosofie. Een dialoog over vrouwelijk denken. In het boek worden de belangrijkste vrouwelijke denkers van de antieke Oudheid tot nu besproken.

Hoe komt het dat vrouwelijke filosofen in eerste instantie niet aan bod kwamen?
D’Haese: ‘Franks boek is helaas geen uitzondering. Vrouwen blijven onzichtbaar en onbesproken in de meeste overzichten van de filosofie.’

Meester: ‘Toen ik filosofie studeerde stonden in ons handboek ook alleen mannelijke filosofen. Niemand vond dat toen nog problematisch.’

D’Haese: ‘Toch zijn er wel degelijk altijd vrouwelijke denkers geweest.’

Meester: ‘Ik wist natuurlijk wel dat er altijd vrouwen zijn geweest die konden denken. Maar ze kregen nauwelijks de gelegenheid om dat te doen. En als ze die wél kregen, werd er amper naar ze geluisterd. Hun werk werd als onbelangrijk gezien en is daarom verloren gegaan. Als er bijna niets bekend is over dat goede denkwerk van die vrouwen, is een geschiedenis van de vrouwelijke filosofie snel geschreven, dacht ik.’

D’Haese: ‘Maar zo makkelijk liet ik hem er niet mee wegkomen. Uit alle tijdperken zijn nog restanten te vinden van vrouwen die zich niet de mond lieten snoeren, ondanks hun positie in de maatschappij. En onderschat niet hoe benard die was. Zo zag Aristoteles vrouwen als onvolledige menselijke wezens. Een vrouw was in zijn ogen een “onvruchtbare man”, vanwege “haar onvermogen om zaad te produceren”. En hij stond niet alleen in dergelijke opvattingen. Vrouwen golden als bezit van een man en waren vooral nodig om nageslacht voort te brengen.’

Er is sinds die tijd wel veel veranderd.
D’Haese: ‘Zeker, maar gedurende het grootste deel van de tijd waarin de filosofie zich ontwikkelde, hadden vrouwen een ondergeschikte rol.’

Meester: ‘De vrouw was niet in de gelegenheid haar gedachten aan het papier toe te vertrouwen of in debatten te etaleren. Daardoor ontstond het idee dat vrouwen filosofisch niet zoveel zouden voorstellen.’

D’Haese: ‘Als je op een rijtje zet hoe er door de eeuwen heen over vrouwen is gedacht, is het bewonderenswaardig dat er vrouwen zijn geweest die desondanks naam hebben gemaakt als denker.’

Meester: ‘Ja, het is niet om vrolijk van te worden. In de Oudheid waren vrouwen niet veel meer dan slaven. Ze hadden geen rechten en mochten niet meedoen aan het politieke systeem. In de Middeleeuwen was het met vrouwen niet veel beter gesteld. In de moderne tijd verandert er aanvankelijk niets wezenlijks voor de vrouw. Weliswaar werd zij steeds meer aanbeden door kunstenaars, maar dat was meestal niet om haar intellectuele gave. Ze moest vooral mooi zijn, of aantrekkelijk, of mysterieus. De opvatting was vaak: “Ik doe het denkwerk wel voor jou. Maak jij nou maar geen rimpels in je mooie gezichtje.”’

D’Haese: ‘Vandaar dat vrouwelijk denken uit die eeuwen veelal feministisch is. Als je ging denken als vrouw, moest je namelijk altijd betogen waarom jij zou mogen denken.’

Meester: ‘Maar in de vorige eeuw is er veel veranderd.’

D’Haese: ‘Het actief en passief kiesrecht voor de vrouw is daarin natuurlijk een hoogtepunt. Maar daarmee was er nog geen sprake van ware gelijkheid. Vergeet niet hoe recent sommige emancipaties zijn.’

Meester: ‘Toen mijn schoonmoeder in 1968 aan haar werkgever vertelde dat ze zwanger was, kreeg ze haar ontslag. Daar stond ze niet eens gek van te kijken. Dat was toen doodnormaal. Het is relatief kort geleden dat überhaupt geaccepteerd werd dat vrouwen carrière kunnen maken, laat staan als filosoof.’

D’Haese: ‘En nog steeds is de vrouwenemancipatie niet afgerond.’

Meester: ‘Neem bijvoorbeeld de loonkloof: vrouwen krijgen vaak nog steeds minder betaald dan mannen voor hetzelfde werk, ook in Nederland. Of denk aan de orgasmekloof: het mannelijk plezier staat vaak nog steeds centraal. Over dat soort zaken moeten we het veel vaker hebben.’

‘Vrouwen blijven onzichtbaar in de meeste overzichten van de filosofie’

Laten we het eerst eens hebben over vrouwelijke filosofen. Welke vrouwelijke denker heeft tijdens het schrijven met name indruk op jullie gemaakt?
D’Haese: ‘Ik ben nog meer fan geworden van Lou Salomé. Zij wordt meestal vooral gezien als Nietzsches geliefde, terwijl haar intellectuele prestaties indrukwekkend zijn.’

Meester: ‘Dat probleem zie je vaker vrouwelijke filosofen. Bij Beauvoir denken we aan Sartre, bij Arendt aan Heidegger.’

D’Haese: ‘Zo oneerlijk! Ze zijn veel meer dan een aanhangsel van hun geliefde! Zo verbeterde Salomé Freuds psychoanalytische theorie. Freud zegt dat narcisme een stadium in de ontwikkeling van de menselijke psyche is, dat ook weer voorbijgaat. Salomé wees hem erop dat dat niet zo is, dat narcisme in wezen de drijfveer is van ons menselijk bestaan.’

Meester: ‘Freud heeft erkend dat ze gelijk had en heeft zijn theorie bijgesteld.’

D’Haese: ‘Hij nam haar onderscheid over tussen het primaire narcisme, uit onze vroege kindertijd, en het secundaire narcisme, dat gevormd wordt door het ideale zelfbeeld dat we hebben.’

Meester: ‘Ben ik nu aan de beurt om iemand uit te lichten?’

D’Haese: ‘Ja.’

Meester: ‘Dat vind ik lastig. Ik ben er vooral van onder de indruk dat er zo ongelofelijk geploeterd is door vrouwen om hun ideeën te laten horen. Er is zo’n strijd geleverd, vanwege een systeem waarin het onterecht zo gegroeid is dat hun stem er niet toe doet. In dat opzicht was ik het meest overdonderd door het feit dat er in de Oudheid überhaupt vrouwen waren die filosofeerden. Ik had geen idee.’

Is er iets van hun denken bewaard gebleven?
D’Haese: ‘Zelden. Om vrouwelijke denkers in de Oudheid te ontdekken moet je kijken of er vrouwen waren die interessant en opvallend handelden.’

Meester: ‘Daar was ik eerst sceptisch over. We kunnen toch pas beoordelen of
iemand een goede filosoof was als we iets van haar denken kennen?’

D’Haese: ‘Terwijl een filosoof in de Oudheid in eerste instantie iemand was met een bepaalde levenshouding. Bij Socrates kijken we ook voornamelijk naar zijn handelen. Hij heeft zelf niets opgeschreven, en het is zijn vragende houding die hem tot op de dag van vandaag een wereldberoemde filosoof maakt. Maar hetzelfde principe blijkt voor vrouwen niet te gelden.’

Meester: ‘Daar heb je me van overtuigd. We mogen meer aandacht besteden aan vrouwen als Hipparchia.’

D’Haese: ‘Zij koos haar eigen man, in een tijd waarin de vader altijd een geschikte huwelijkskandidaat koos. Ook pleitte ze openlijk voor het recht op zelfbeschikking, en voor gelijkwaardigheid van man en vrouw, en rijk en arm. Ze vergezelde haar man Crates naar gelegenheden waar vrouwen niet welkom waren, zoals symposia, en droeg dezelfde kleren als hij. En dat in de vierde eeuw voor Christus! Haar positie was uitzonderlijk. Later is ze voor veel feministen een bron van inspiratie geweest.’

Meester: ‘Begrijpelijk, ze liet zien dat er ook andere rollen voor vrouwen bestaan.’

‘In de moderne tijd aanbad de kunstenaar de vrouw niet om haar intellect’

Wat voor soort rollen precies?
Meester: ‘In de maatschappij bestaan bepaalde opvattingen over de rollen die vrouwen en mannen dienen te vervullen.’

D’Haese: ‘Daar wees Beauvoir ook al op: vrouwen worden al snel in de rol van moeder, huisvrouw of verleidster geduwd, zowel door zichzelf als door anderen.’

Meester: ‘En van mannen wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze stoer en sterk zijn, of een echte leider.’

D’Haese: ‘Vrouwen in de politiek krijgen veel agressie over zich heen, en van een ander soort dan hun mannelijke collega’s. Ze worden vaak niet zozeer afgerekend op hun ideeën, maar bijvoorbeeld op de man met wie ze een relatie hebben of de kleren die ze dragen. Waarom gebeurt dat niet – of veel minder – bij mannelijke politici?’

Meester: ‘Ik denk omdat we vrouwen graag zien in een lieve, verzorgende rol. Terwijl een politicus juist krachtig ergens voor moet staan. Dat zag je bijvoorbeeld bij Hillary Clinton. Toen zij zich presenteerde als een krachtige leider, klonk vaak de kritiek dat ze een koude vrouw is. Maar mannen die zich op eenzelfde manier presenteren, worden vaak als daadkrachtig gezien.’

D’Haese: ‘Daaraan zie je: we hebben nieuwe rollen nodig. En daarvoor heb je rolmodellen nodig.’

Meester: ‘Daar was Hipparchia een heel vroeg voorbeeld van. Zij liet – net als alle andere vrouwen in
ons boek – zien: vrouwen kunnen ook filosoof zijn. Op politiek gebied vervult Kamala Harris nu zo’n nieuwe rol. Die nieuwe rollen zijn belangrijk, voor vrouwen én mannen. Want ik heb zelf ook geen zin om altijd een stoere man te moeten zijn. Daarnaast heb je als man ook de verantwoordelijkheid om die rollen te veranderen. Juist omdat vrouwen al zo lang tegen structuren opbotsen waardoor ze niet verder komen. Als er een vergadering is, nemen mannen al snel het woord. Als een vader wild stoeit met zijn kinderen is dat leuk, als een moeder dat doet is het onverantwoord. We moeten inzien dat we met z’n allen een systeem hebben geschapen met dat soort structuren, en dat die ook anders kunnen. Dat is niet alleen een man-vrouwprobleem. Het gaat ook over de kwaliteiten die we in een maatschappij waarderen. Iemand die machogedrag vertoont, komt vaak eerder op een hoge positie dan iemand die juist veel compassie toont. Moeten we dat wel willen?’

D’Haese: ‘Het lastige is: zelfs als je je bewust bent van dit soort vooroordelen, ben je er nog niet van verlost. Omdat je in een maatschappij zit met deze structuren, maar ook omdat we ze onbewust geïnternaliseerd hebben. Als er in de badkamer iets kapotgaat, kan zelfs ik als feminist denken: even de buurman vragen.’

Omdat u dan toch denkt: ik heb een sterke man nodig?
D’Haese: ‘Nou, ik ben zelf ook sterk.’

Meester: ‘Ze doet aan powerliften.’

D’Haese: ‘Maar ik denk blijkbaar wel: ik heb een handige man nodig. Terwijl dat ook een handige vrouw kan zijn. En misschien kan ik het wel gewoon zelf. Bewustwording van je eigen ingeroeste denkpatronen is daarom ook van belang.’

Zijn jullie desondanks hoopvol over de strijd om gelijkheid?
Meester: ‘Als je naar de geschiedenis kijkt, is er wel degelijk vooruitgang. Tegelijkertijd zijn er nog altijd veel vrouwen die buiten de boot vallen.’

D’Haese: ‘Vrouwen die in Bangladesh in sweatshops werken, hebben niks aan ons boek.’

Meester: ‘Ja, en feminisme gaat om gelijkheid in het algemeen. Dus als feminist baart niet alleen de onderdrukking van vrouwen me zorgen, maar ook de onderdrukking van mensen van kleur, en van dieren.’

D’Haese: ‘Hoor je dat? Frank is zichzelf feminist gaan noemen. Alhoewel er nog een lange weg te gaan is, stemt dit soort veranderingen me toch hoopvol.’