Home De dood Socrates’ laatste woorden
De dood

Socrates’ laatste woorden

‘Kriton, we zijn Asclepius een haan schuldig. Geef hem die en verzuim het niet’ - de raadselachtige laatste woorden van Socrates. Waarom zijn Socrates' laatste woorden een banale opmerking over een openstaande schuld? Bruno, Nietzsche, Schopenhauer en Foucault denken na over het thema van de dood aan de hand van een geleende haan.

Door Pieter Hoexum op 05 maart 2013

schilderij dood van Socrates Jacques Louis David laatste woorden apologie
02-2003 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

De Romeinse geschiedschrijver van de filosofie Diogenes Laërtius (derde eeuw) was gefascineerd door de dood.  Zijn boek Leven en leer van beroemde filosofen besteedt zoveel aandacht aan de dood van de behandelde filosofen dat het net zo goed Leven en dood van de beroemde filosofen had kunnen heten. Als je alle beschreven sterfgevallen op een rij zet, krijg je een bizarre reeks. Een kleine greep hieruit: Zeno stierf toen hij zijn school verliet, struikelde en een teen brak en vervolgens voor altijd zijn adem inhield, Xenocrates stierf op 82-jarige leeftijd doordat hij op een nacht over een pan struikelde, Strato was zo mager dat hij er niets van merkte toen hij overleed, Demetrius werd ’s nachts door een brilslang in zijn hand gebeten en Chrysippus liet het leven bij een onbedaarlijke lachbui. Je zou vermoeden dat filosofen gedoemd zijn op merkwaardige wijze aan hun einde te komen, maar doorgaans sterven ze toch als de meeste mensen – in bed, na een ziekte, of ze worden verrast in hun slaap. En net zoals bij de meeste mensen is de verhouding tot de dood vaak moeizaam.

Schopenhauer schreef weliswaar dat de dood ‘de eigenlijke inspirerende genius voor de filosofie’ is, maar ook dat ‘ondanks alles wat er over de dood is geleerd, ‘de opvatting van de mensen, ja vaak zelfs van een en hetzelfde individu, maar al te dikwijls schommelt tussen de interpretatie van de dood als absolute vernietiging en de veronderstelling dat we als het ware met huid en haar onsterfelijk zijn’. Bij filosofen is dat niet anders. Aan de ene kant willen wijsgeren, met hun brandende begeerte naar wijsheid en eeuwige waarheid, nog wel eens vergeten dat er ook aan hun filosoferen een eind komt. Aan de andere kant was menig filosoof geobsedeerd door de dood en filosofeerde hij over niets liever dan over het laatste uur.

Apologie van Socrates

De eerste filosoof uit de geschiedenis, Socrates, was zo’n individu met een dubbelzinnige houding ten opzichte van de dood. Hij schommelde heen en weer tussen radicaal scepticisme en radicaal idealisme. Socrates’ stelling was: ‘ik weet dat ik niets weet’, dus ook niet over de dood. Desondanks probeerde hij vlak voor zijn dood nog omstandig te bewijzen dat de ziel los van het lichaam kan voorbestaan en zelfs onsterfelijk is.

De dood van Socrates kan zonder al te veel te overdrijven het startpunt van de geschiedenis van de filosofie worden genoemd. Zijn dood was als het ware de oerknal voor de filosofie. Zijn terdoodveroordeling en executie maakten bijna net zoveel los als de dood van Jezus, ruim vierhonderd jaar later. Niet alleen bij de groep vrienden en leerlingen van Socrates, maar ook eeuwen na hem verhielden filosofen zich tot de dood van Socrates. Zijn opvatting van de dood (en dus van het leven) en met name zijn laatste woorden, bleven filosofen nog lang bezighouden.

Socrates werd in het voorjaar van 399 v.Chr. ervan beschuldigd dat hij niet geloofde in de goden waar men in Athene wel in geloofde en de jeugd van de stad bedierf. In zijn verdedigingsrede plaatste Socrates de aanklachten in een groter perspectief en besprak zijn rol in de Atheense samenleving. Die beschouwde hij als ongemakkelijk maar noodzakelijk: hij vergeleek zichzelf met een horzel die het trage Atheense paard wakker en alert moest houden. Een krappe meerderheid van de jury verklaarde Socrates schuldig en de aanklager eiste daarop de doodstraf. De beklaagde mocht een tegenstraf voorstellen. Toen ging Socrates echt te ver.

Hij betoogde dat hij eigenlijk beloond zou moeten worden voor zijn diensten in plaats van gestraft, maar wilde eventueel wel akkoord gaan met een kleine boete, waar zijn vrienden zich al garant voor hadden gesteld. En hij waarschuwde de jury alvast dat hij nooit zou zwijgen, nimmer op zou houden hen lastig te vallen met de waarheid, hoe ongemakkelijk die ook was, omdat ‘een leven zonder kritiek voor een mens geen leven is’. Socrates was niet verbaasd toen hij daarop, met grotere meerderheid dan bij de schuldigverklaring, tot de gifbeker werd veroordeeld. Hij vreesde de dood niet, want hij redeneerde dat de dood ‘van tweeën een’ is: ofwel een soort niets, een droomloze eeuwige slaap, ofwel een verhuizing van de ziel naar een andere omgeving, waar alle overledenen bijeen zijn. Nu, voor niets hoeven we niet echt bang te zijn en in het andere geval hebben we zeker niets te vrezen. Socrates verkneukelde zich al bij de gedachte dat hij in het laatste geval alle grote geesten van vroeger lastig zou kunnen vallen met zijn onderzoek en kritiek.

In Plato’s Phaedo valt te lezen dat Socrates uiteindelijk gekozen lijkt te hebben voor de positie van de ‘idealist’: hij definieerde sterven als ‘het vertrek van de ziel uit het lichaam’. Socrates heeft zich naar eigen zeggen zijn hele leven voorbereid op zijn dood, op de scheiding van lichaam en ziel. Door te denken, zuiver te redeneren en te streven naar zuivere waarheid, scheidt de ziel zich al een beetje van het lichaam en de zintuiglijkheid. Een filosoof is volgens Socrates altijd gericht op de eeuwige waarheid: ‘Wie zich echt met filosofie bezighoudt, oefent zich in sterven, en de dood jaagt geen mens zo weinig angst aan als hem.’ Bij de dood wordt de ziel uit het lichaam bevrijd, als een gevangene uit een kerker.

Ondertussen was het de hoogste tijd geworden. De gevangenbewaarder kwam de gifbeker (wijn vermengd met dollekervel) brengen. Ontspannen en sereen dronk hij de beker leeg. Nu werd het zijn vrienden teveel; een voor een werden ze door emoties overmand, ondanks Socrates’ vermaningen tot kalmte. De filosoof begon rond te lopen totdat hij zijn benen zwaar voelde worden en ging toen liggen. Zijn voeten werden gevoelloos en koud en vervolgens zijn onder- en bovenbenen. Toen het rond zijn buik koud werd, richtte hij zich tot Kriton: ‘Kriton, we zijn Asclepius een haan schuldig. Geef hem die en verzuim het niet.’ ‘Ja’, zei Kriton, ‘het zal gebeuren. Maar bedenk of je nog iets anders wilt zeggen.’ Op die vraag van hem gaf hij geen antwoord meer. Korte tijd later bewoog hij nog, maar toen zijn mantel weggetrokken werd, was zijn blik star. Toen Kriton dat zag, sloot hij zijn mond en zijn ogen.

Zijn vrienden hadden zich wel wat meer voorgesteld van zijn laatste woorden. Déze laatste woorden – een banale herinnering aan een openstaande schuld – waren hoogstens een bewijs voor onverschilligheid ten opzichte van de dood, een teken van moed en onverschrokkenheid.

Nietzsche: Socrates was levensmoe

Vele eeuwen later zou Friedrich Nietzsche het echter typeren als een teken van melancholie en levensmoeheid. Hij wees erop dat Asclepius de god van de geneeskunst was en Socrates dus eigenlijk zei dat het gif voor hem een geneesmiddel was. Socrates meende, volgens Nietzsche, dat de mens door weten en redeneren verlost kan worden van de angst voor de dood en dat wetenschap het bestaan begrijpelijk kan maken en zodoende gerechtvaardigd doet zijn. Hij probeerde zijn noodlot – de dood – te ontlopen met behulp van theoretische, onwerkelijke bespiegelingen over de onsterfelijkheid van de ziel. En dat terwijl wetenschap ons juist op een heel andere wijze kan doen inzien dat angst voor de dood overbodig is. Daarvoor zijn bespiegelingen over de onsterfelijke ziel overbodig. Het puur materialistisch wereldbeeld van de natuurwetenschap – waar Nietzsche op een gegeven moment door was gefascineerd – kan ons bijvoorbeeld leren de dood te relativeren, zelfs uit te lachen.

De natuurwetenschappelijke belangstelling van Nietzsche, als classicus, richtte zich al snel op de ‘natuurwetenschappers’ uit de Oudheid, Democritus met name, een tijdgenoot van Socrates die de bijnaam ‘de lachende filosoof’ kreeg. Hij kreeg die bijnaam omdat hij lachte om de ijdelheid en verbeelding van zijn medemensen. We verbeelden ons heel wat, maar: ‘Hoedanigheden bestaan door conventie, van nature is er niets anders dan atomen en leegte’, zo vatte Diogenes Laërtius de leer van Democritus samen. Dit zouden we kunnen betreuren, maar daar schieten we niets mee op. Het hoogste levensdoel is voor Democritus blijmoedigheid, ‘de toestand waarin de ziel kalm en stabiel leeft, niet verstoord door vrees of bijgeloof of enige andere gemoedsaandoening.’ Nietzsche kreeg een enorme bewondering voor de filosoof die lachte om de leegte van het bestaan. Daarom, zegt Nietzsche, moet je de dood in zijn gezicht uitlachen.

Tijdens de Middeleeuwen had men weinig aandacht voor het lachen, maar in de Renaissance leefde de belangstelling voor de lachende filosoof weer op. Hoewel Democritus een materialist pur sang was, werd hij toch een inspiratiebron voor een mysticus als Giordano Bruno. De atomist had gezegd dat het universum oneindig is, evenals het aantal atomen, en dat ze eeuwig in beweging zijn. In de Oudheid was dat een nogal impopulaire opvatting: het oneindige gold als onbegrijpelijk en gevaarlijk. Aristoteles had verklaard dat oneindigheid slechts in potentie kon bestaan en dat actuele oneindigheid onmogelijk was. In de Middeleeuwen bleef men Aristoteles wat dit betreft trouw volgen, maar in de Renaissance kwam daar verandering in. Bruno stelde dat het universum oneindig is, geen centrum heeft en dat er oneindig veel andere planeten bestaan, met daarop misschien ook wel levende wezens. Hij hield er trouwens nog meer ketterse ideeën op na die de inquisitie niet welgevallig waren. Bruno leidde een avontuurlijk leven en reisde veel. Maar de inquisitie kreeg hem uiteindelijk in 1592 te pakken. Acht jaar lang hielden ze hem gevangen en probeerden hem op andere gedachten te brengen. Op 17 februari van het jaar 1600 werd Bruno op het Campo dei Fiori te Rome ontkleed en geboeid op een brandstapel levend verbrand.

Bruno’s standvastigheid had misschien te maken met zijn opvatting over de dood, of beter gezegd zijn ontkenning daarvan. In een oneindig universum is volgens hem namelijk eenvoudigweg geen plaats voor de dood: aan niets komt een einde. Het komt overeen met de gedachte van Democritus, hoewel bij hem zuiver materialistisch. Democritus geloofde niet in onsterfelijkheid, omdat volgens hem tegelijk met het lichaam ook de ziel weer in atomen uiteenvalt. Dat is volgens Democritus onontkoombaar en bovendien: ‘Mensen die voor de dood wegvluchten, zoeken hem juist op.’ En: ‘Dwazen verlangen naar een lang leven zonder van dat lange leven te genieten.’ Volgens Diogenes Laërtius was Democritus overigens wel in staat zijn eigen dood drie dagen uit te stellen, toen dat wat handiger uitkwam in verband met festiviteiten. Hij liet zich elke dag warme broden brengen; door die onder zijn neus te houden slaagde hij erin tot na het feest in leven te blijven, vervolgens gaf hij zonder enige droefheid de geest.

Montaigne: Filosoferen is leren sterven

Democritus leert dat bespiegelingen over de dood en onsterfelijkheid – zoals Socrates dat deed – ijdel zijn in een materialistische wereld waar de dood eenvoudigweg geen plaats heeft. Maar is dat het enige mogelijke antwoord op het idealisme van Socrates? Michel de Montaigne, net zoals Diogenes door de dood geobsedeerd, ontpopte zich in de zestiende eeuw aanvankelijk als trouwe leerling van Socrates. In zijn essay ‘Filosoferen is leren te sterven’ schrijft hij dat hij zich had aangewend ‘de dood niet alleen in gedachte te houden, maar er ook voortdurend over te praten’. Hij informeerde steeds naar hoe mensen gestorven zijn: wat zij zeiden, hoe hun gelaatsuitdrukking was en hun houding. ‘Als ik een boekenschrijver was, zou ik een lijst aanleggen, voorzien van commentaar, van de verschillende manieren waarop mensen gestorven zijn.’ Toen hij op 1 maart 1580 het voorwoord schreef bij de eerste uitgave van zijn Essays, dacht hij dat zijn einde zeer snel zou komen. Hij vertelt zijn lezers dat hij de essays schreef ‘ten gerieve van mijn verwanten en vrienden opdat ze, wanneer ze mij verloren hebben (wat spoedig het geval zal zijn) er enkele trekken van mijn karakter en opvattingen in kunnen terugvinden en door middel daarvan op een vollediger en sprekende manier de herinnering die ze aan me hebben, levend kunnen houden’. Montaigne waarschuwt ervoor dat hij zo eerlijk mogelijk zal zijn: ‘Had ik in een van die landen geleefd waar, zoals dat heet, de zoete vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten nog heerst, dan had ik mij heel graag, dat kan ik u verzekeren, van top tot teen en volkomen naakt afgebeeld.’

Montaigne is trouwens net zo ijdel als eerlijk. Hij geeft bijvoorbeeld in een van zijn essays grif toe dat hij graag paardrijdt omdat mensen dan tegen hem op moeten zien. Die eer valt hem, met zijn geringe lengte, anders nooit te beurt. Hij deinst in zijn essay ‘Over oefenen’ zelfs niet terug voor het beschrijven van een, zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, bijna-doodervaring. Tijdens een ritje te paard door de omgeving van zijn kasteel werd Montaigne in volle galop door een andere ruiter aangereden. ‘Daar lagen we dan: het paard half versuft ter aarde gestort, en ik, tien tot twaalf meter verder, voor dood op mijn rug uitgestrekt, mijn gezicht bont en blauw en ontveld […], roerloos en gevoelloos als een blok hout.’ Montaignes metgezellen droegen hem terug naar het kasteel. Onderweg kwam hij langzaam bij kennis. ‘Ik werd op mijn voeten gezet en gaf nu een emmer vol bloedklonters op, en deze handeling moest ik onderweg nog een paar keer herhalen.’ Langzaam realiseerde Montaigne zich hoe slecht hij eraan toe was. Maar dat verontrustte hem niet: ‘[Ik] vond het aangenaam mij te laten gaan en weg te zinken; [eigenlijk] was daar niet alleen geen gevoel van onlust bij, maar ervoer ik veeleer het welbehagen dat ontstaat als je wegglijdt in de slaap.’ Montaigne overleefde het ongeval en later riep de herinnering eraan ‘die diep in mijn ziel is gegrift, […] het gezicht en de beeltenis van de dood bijna zo tastbaar in mij op dat ik mij enigszins met hem kan verzoenen.’

Een verzoening met de dood, met zijn eigen sterfelijkheid, zocht Montaigne al jaren, vooral sinds hij zijn boezemvriend Étienne de La Boétie terzijde had gestaan aan diens sterfbed. Montaigne was ontroostbaar en kreeg grote angst voor de dood. Dat was onder andere de reden waarom hij zich, weliswaar veel later, vanaf 1571 begon terug te trekken uit het openbare leven, in zijn toren. Bij gebrek aan een gesprekspartner besloot hij te gaan schrijven; zo ontstonden wellicht de eerste essays, die in de loop van de jaren uitgroeiden tot een soort logboek.

Met enige overdrijving kun je stellen dat zowel het essay ‘Over oefenen’ als de gebeurtenis die daarin beschreven wordt, een centrale plek innemen in het oeuvre en het leven van Montaigne. Het ongeval hielp hem in een klap van zijn angst voor de dood af en het plaatste zijn filosofische held Socrates in een ander daglicht. Socrates zag filosoferen immers als ‘een oefening in sterven’. Lange tijd volgde Montaigne min of meer de hierop gebaseerde traditionele stoïcijnse aanwijzingen om met de dood om te gaan: door er steeds aan te denken wen je er vanzelf aan en omdat de dood het einddoel is van je leven, is het goed hem altijd in het vizier te houden. ‘Waar de dood ons wacht is onzeker; laten we hem overal verwachten. Je instellen op de dood is je instellen op je vrijheid. Wie geleerd heeft te sterven, heeft afgeleerd om slaaf te zijn. Kunnen sterven bevrijdt ons van alle onderwerping en dwang.’ Zo zegt Montaigne het Seneca, en andere stoïcijnen, min of meer na. In theorie lijkt dit te kloppen en het klinkt mooi. Maar toen de dood even om het hoekje kwam kijken, zoals bij dat ongeluk met het paard, bleek de theoretische voorbereiding eigenlijk overbodig. Het bleek net als bij het slapen uiteindelijk vanzelf te gaan. Het is zelfs aangenaam je te laten gaan en weg te zinken. De dood is niet het doel, maar slechts het einde van het leven. Ook dan is het goed om je steeds bewust te zijn van je sterfelijkheid, dat geeft perspectief aan je leven, dat maakt het leven tijdelijk en voorlopig. In een verhelderende toelichting bij zijn (Engelse) vertaling van Montaignes essays beschrijft M.A. Screech kort en krachtig wat er eigenlijk in het essay ‘Over oefenen’ gebeurt: Socrates stelde dat filosoferen hetzelfde is als leren te sterven, maar Montaigne ondervond dat het eigenlijk tegenovergesteld is: filosoferen is leren te leven.

Montaigne had zich uiteindelijk verzoend met de dood, met de tijdelijkheid van het bestaan, van zijn bestaan, en daar grofweg de conclusie uit getrokken dat hij hier en nu moest leven. Maar dat wil niet zeggen dat de dood daarmee uit zijn gedachten was. Integendeel. Hij doorspekte veel van zijn essays met verhalen over de dood. We kunnen immers pas ‘Na onze dood over ons geluk oordelen’, zoals Montaigne in het gelijknamige essay betoogde. Hij concludeert daarin: Om een oordeel te vellen over het leven van een ander ga ik altijd na hoe het einde zich heeft toegedragen. Voor mijzelf is een van de belangrijkste dingen die ik in mijn leven nastreef, dat dit waardig zal eindigen, en dat betekent rustig en in stilte.’

Op 13 september 1592 overleed Montaigne. Er zijn twee brieven waarin daarover mededelingen worden gedaan, hoewel de briefschrijvers helaas geen ooggetuige waren. Uit één brief kan worden afgeleid dat Montaigne overleed na een hersenbloeding. Hij zou drie dagen voor zijn sterven zijn spraakvermogen hebben verloren en verlamd zijn geraakt. Met pen en papier kon Montaigne nog enkele wensen kenbaar maken. Hij vroeg de edelmannen uit de buurt bij hem te komen om gezamenlijk een mis bij te wonen. De andere briefschrijver betreurde het dat er niemand aan Montaignes zijde was met wie hij zijn laatste gedachten kon delen. Toch stierf hij een gelukkige dood en was hij blij verlost te worden van de pijn die nierstenen veroorzaakten. Bovendien had Montaigne zich al eens zeer dapper betoond in het aangezicht van de dood, toen artsen hem enkele jaren eerder in Parijs min of meer de dood aanzegden. Dat bleek voorbarig, maar hij was er toen al klaar voor.

Foucault: De dood als bevrijding van de leugen

Bijna vierhonderd jaar later worstelde een andere Franse filosoof, Michel Foucault, in zijn laatste levensjaren met de nagedachtenis van Socrates. Het slot van het boek waar hij al vroeg wereldberoemd mee was geworden, De woorden en de dingen, eindigde met het aankondigen van ‘de dood van de mens’: als de arrangementen die het ontstaan van de mens mogelijk maakten verdwijnen, zal daarmee ook de mens verdwijnen. Foucault gaf toe dat hij slechts op zijn gevoel af kon gaan, maar achtte de kans groot dat de basis waarop de mens staat zal verschrompelen zoals aan het einde van de achttiende eeuw het fundament van het klassieke denken uiteenviel. Dan volgt de uitsmijter: ‘De mens zal verdwijnen als een in het zand getekend gezicht aan de rand van de zee.’

Foucault verdween zelf bepaald niet als een in het zand getekend gezicht aan de rand van de zee. Zijn dood deed, en doet nog steeds, veel stof opwaaien. Eind 1983 werd Foucault steeds zieker: hij was chronisch vermoeid, bleef maar hoesten en leed aan hevige hoofdpijn; maar wat hij precies had bleef onduidelijk. Met grote volharding werkte hij ondertussen door aan de laatste twee delen van zijn trilogie De geschiedenis van de seksualiteit. Veel van zijn vrienden meenden dat het harde werken zijn gezondheid schaadde, maar achteraf bedachten zij dat hij zich realiseerde dat hij aids had en zo hard werkte omdat hij vermoedde dat de dood hem op de hielen zat. In het voorjaar van 1984 gaf hij nog een reeks colleges maar op 2 juni stortte hij in en moest hij weer worden opgenomen. Een week later werd hij overgeplaatst naar een groter ziekenhuis, met een gespecialiseerde neurologische afdeling, waar hij 25 juni, om kwart over één ’s middags, overleed.

Een (anonieme) bewonderaar meende met een artikel in Libération de geruchten dat Foucault was overleden aan aids de kop in te moeten drukken: ‘alsof Foucault noodzakelijkerwijs een schandelijke dood is gestorven’. Vervolgens werd de redactie van de krant overspoeld met brieven van diep verontwaardigde lezers die er schande van spraken dat een krant die zich ‘Libération’ – ‘bevrijding’ – noemde, over aids durfde te schrijven als een ‘schandelijke dood’. Met enige regelmaat laaide een dergelijke discussie op.

De lezingen die Foucault in het voorjaar van 1984 gaf gingen over parrhesia, de manier waarop men in de klassieke Oudheid omging met het vertellen van de waarheid. Het ging met name over Socrates en zijn tijdgenoot Diogenes de cynicus, die ieder op hun eigen wijze de mensen uit hun omgeving flink de waarheid konden zeggen. Diogenes de cynicus omschreef zichzelf ooit treffend als een ‘gekgeworden Socrates’. Zijn levenswijsheid zou je ongeveer als volgt kunnen samenvatten: als je niets bezit hoef je ook niet bang te zijn het te verliezen, als je je nergens aan hecht dan hoef je nooit angst te hebben dat het je ontnomen wordt, als je je overal thuis voelt (Diogenes was de eerste die zich expliciet als wereldburger beschouwde) laat ballingschap je onverschillig en ten slotte, als je maar weinig waarde hecht aan het leven, hoef je de dood niet te vrezen. Diogenes sarde zijn tijdgenoten zoveel als hij maar kon met hun pretenties, met hun bezit en hun kleinzieligheid: hij ging bijvoorbeeld met een lampje de markt op, op zoek naar een mens. Toen ze hem uitscholden voor ‘hond’ (in het Grieks ‘kynos’) nam hij dat als geuzennaam.

Het leven dat Socrates had geleid was volgens Foucault typisch een filosofisch leven, namelijk kritisch en zelfstandig, wars van publieke opinie. Sluitstuk van dat filosofische leven was Socrates’ besluit de jury niet naar de mond te praten en de gifbeker te drinken in plaats van zijn dodencel te ontvluchten. Ook Foucault vestigde de aandacht in het bijzonder op Socrates’ laatste woorden: ‘Kriton, we zijn Asclepius een haan schuldig. Geef hem die en verzuim het niet.’ Foucault wist natuurlijk dat zijn filosofische held Nietzsche zich ook al met deze raadselachtige boodschap bezig had gehouden. Hij wees erop dat Socrates zich tot Kriton richtte. Kriton had geprobeerd Socrates ervan te overtuigen dat hij uit de dodencel moet vluchten. Dat was namelijk geen probleem, de bewakers zouden hem geen strobreed in de weg gelegd hebben. Volgens Kriton zou men er later kwaad van spreken als zou blijken dat Socrates niet alles had gedaan wat hij kon om aan de dood te ontkomen. Maar Socrates wees Kriton erop dat hij zich als filosoof niet kon laten leiden door de publieke opinie, maar enkel en alleen door zijn eigen overtuigingen en zijn eigen bevindingen, opgedaan bij zijn onderzoek naar de waarheid.

James Miller, die in zijn boek The Passion of Michel Foucault als een soort filosofische Sherlock Holmes het leven maar vooral de dood van Foucault onder de loep heeft genomen, heeft transcripties van de colleges over parrhesia achterhaald en gebruikt. Miller concludeert dat Foucault de laatste woorden van Socrates begreep als een verwelkoming van de dood, die de filosoof ‘bevrijd heeft van zijn zwoegen en levenslange worsteling met de leugen’. Zijn allerlaatste colleges gingen over de meest dwarse filosoof uit de geschiedenis, Diogenes de cynicus. Miller schrijft:

‘Diogenes […] benaderde filosofie als een veld van grenservaringen, waar het denken naar een breekpunt geduwd wordt – precies zoals Michel Foucault. Door de waarheid op het spel te zetten, spotte hij, shockeerde en provoceerde hij – precies zoals Foucault. Bovenal, was het leven van lichamelijke vrijheid dat hij leidde een radicale uitdaging aan de maatschappij die hij kritiseerde en afwees.’

De verplichting tot de waarheid was volgens Miller voor Foucault een onontkoombaar lot. Volgens sommige van zijn vrienden had Foucault nooit zo sereen geleken als in zijn laatste weken. Volgens anderen had hij nooit zo waanzinnig gelachen als op zijn sterfbed. Dat duidt er wellicht op, zoals Miller suggereert, dat hij opgelucht was dat de woordeloze dood hem dadelijk zou verlossen van zijn verlangen naar waarheid.

Citaten uit, achtereenvolgens: Diogenes Laërtius, Leven en leer van beroemde filosofen (Amsterdam, 2000); Arthur Schopenhauer, De wereld als wil een voorstelling (Amsterdam, 2001); Plato, Sokrates leven en dood (Amsterdam, 1995); Democritus, Stofjes in het licht (Amsterdam, 1998); Michel de Montaignes, Essays (Amsterdam, 1998); James Miller, The Passion of Michel Foucault (Cambridge, Massachusetts, 1993). Zie verder de verantwoording in: Pieter Hoexum, Gedenk te sterven. De dood en de filosofen (Amsterdam, 2003).

Dit is de laatste – extra lange – aflevering uit de reeks ‘op weg naar het einde’ van Pieter Hoexum, die vanaf april 2002 maandelijks verscheen in Filosofie Magazine. Hoexum heeft tevens een boek over filosofen en de dood geschreven: Gedenk te sterven. De dood en de filosofen, uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 190 blz. €12,50