Gelukkige minuten


klik om een oordeel te geven!
Helene Kröller-Müller kocht Picasso’s en Mondriaans zoals andere dames hoeden en handtassen. Dat schrijft Eva Rovers in De eeuwigheid verzameld, een biografie over de naamgeefster van het museum op de Hoge Veluwe. Het is het levensverhaal van een vrouw voor wie kunst zesendertig jaar lang slechts een vanzelfsprekend onderdeel van de burgerlijke cultuur was, tot ze een cursus kunstbeschouwing volgde en oog kreeg voor de spirituele dimensie ervan. Kunst werd de toegang tot een mystieke wereld, waarvoor Kröller-Müller (1869-1939) des te gevoeliger was omdat ze het kerkelijk geloof achter zich had gelaten. Stil zittend voor een schilderij had ze het gevoel boven te komen uit de stroom van het dagelijks leven en bevrijd adem te kunnen halen. En op zeker moment kreeg ze het idee dat kunst ook wel eens voor haar persoonlijke opstanding uit de dood zou kunnen zorgen. Ze kocht al enkele jaren schilderijen; als ze haar collectie sterk zou uitbreiden, er een museum voor bouwen, en dit aan de Nederlandse bevolking nalaten, dan zou ze de vergetelheid trotseren. Helene Kröller-Müller had wel kinderen, maar was om uiteenlopende redenen in hen teleurgesteld geraakt - zij zouden niet in staat zijn haar gedachtegoed uit te dragen. Na deze ingeving ontpopte ze zich als ‘een vrouw met een missie’, schrijft Rovers. ‘Met ieder schilderij en iedere sculptuur die ze in de komende jaren zou kopen, haalde ze beetje bij beetje de onsterfelijkheid in huis.’ 
         De eeuwigheid verzameld is uitstekend geschreven en voorbeeldig uitgegeven. Gebruikmakend van een vracht aan persoonlijke brieven legt de biografe Kröller-Müllers gekwelde innerlijk bloot, maar ze geeft ook een helder tijdsbeeld. De rijke verzamelaarster was Duitse van geboorte en voelde zich zeer betrokken bij de Eerste Wereldoorlog en de opkomst van het nationaalsocialisme; haar warme interesse voor Hitler was onmiskenbaar. Ze stierf op zeventigjarige leeftijd, vijf maanden voor de Duitse invasie in ons land. Het jaar daarvoor was Museum Kröller-Müller feestelijk geopend.
 
Wat ik me tijdens het lezen afvroeg was in hoeverre de verzamelwoede van Kröller-Müller haar mystieke ervaring in de weg heeft gezeten. Wat komt er van de serene contemplatie van een Van Gogh terecht wanneer je handtas uitpuilt van de bankbiljetten? Rovers maakt duidelijk dat het de verzamelaarster op het hoogtepunt van haar kooplust te doen was om een einddoel: ‘Een monument van cultuur nalaten waarin de ontwikkeling van moderne kunst inzichtelijk werd gemaakt. Dat betekende geen precisieaankopen, maar veel grootschalige overnames.’ In de tijd dat Kröller-Müller de schilderijen met tientallen tegelijk insloeg, moet ze ver verwijderd zijn geweest van het ‘stil kerkgevoel’ - zoals ze het in een brief uitdrukte - dat haar tijdens een kunstreis naar Florence had bevangen.
 
Kunstverzamelingen als van Kröller-Müller (of Van Abbe, Singer, Van Beuningen) zijn natuurlijk zeldzaam, maar de vraag is ook relevant in het geval van gewone stervelingen die incidenteel een schilderij kopen: wat verandert er aan je beleving van een kunstwerk als je dat kunstwerk koopt?
         Volgens Kant kun je alleen dan iets als mooi onderscheiden als er sprake is van ‘belangeloos welgevallen’ in de voorstelling van het object. Die belangeloosheid is doorslaggevend. Als je enig belang bij een voorstelling hebt - bijvoorbeeld een stilleven met een deels geschilde citroen, en jij bent dol op citroenen; of een jachttafereel waarop de doodsangst van een hert treffend verbeeld is, en jij zet je in voor afschaffing van de jacht - ben je partijdig en is je oordeel niet zuiver. Je moet het schilderij mooi vinden omwille van het schilderij zelf. Als Kant gelijk heeft, lijkt het me heel waarschijnlijk dat je oordeel over de schoonheid van een schilderij vertroebeld wordt op het moment dat de gedachte in je opkomt dat het jouw eigendom zou kunnen zijn. Sterker, je kwam de galerie of het veilinghuis al binnen als mogelijke kunstbezitter. Je hebt wat geld over, je bent op zoek naar een mooi doek. Dit hier geeft je een goed gevoel, en het is nog betaalbaar ook. In gedachten zie je het thuis al aan de muur hangen. Maar is het ook mooi? Je persoonlijke betrokkenheid is nu te groot om die vraag zuiver te kunnen beantwoorden. Je zou een toevallige voorbijganger van de straat moeten roepen, die is eigenlijk beter in staat daarover te oordelen dan jij.
         Misschien heb ik het mis, en was je verlangen een schilderij te bezitten helemaal niet zo groot. Je liep een galerie binnen om te schuilen tegen de regen, je oog viel op een schilderij en je voelde je diep geraakt. In een moment van belangeloos welgevallen heb je dit object als mooi beoordeeld, helemaal volgens de Kantiaanse regels. Tien minuten later zie je de prijslijst op een tafeltje liggen en ontdek je tot je verbazing dat je het schilderij zou kunnen betalen. Op grond van het oordeel dat je eerder gevormd hebt en dat, zoals je zeker weet, volkomen zuiver was, besluit je tot aankoop over te gaan.
         Het schilderij hangt nu thuis aan de muur, en je hebt alle gelegenheid de schoonheid op je te laten inwerken. Vergeet het maar. Vanavond komen er vrienden eten, en onwillekeurig bekijk je het doek door hun ogen. Nu het in jouw huis hangt, drukt het jouw identiteit uit. Het vertelt dat hier een liefhebber van abstracte kunst woont, iemand met een ontwikkelde smaak. En iemand die zich, dankzij een goede baan, kan veroorloven de schone kunsten te steunen. Het schilderij is nu een groot uitgevallen visitekaartje.
        
Er vallen bij Kants belangeloze houding wel wat vraagtekens te plaatsen. Is het echt mogelijk van alle belangen af te zien wanneer je een object benadert? Is je beleving ervan en je oordeel erover niet per definitie vooringenomen - gekleurd door maatschappij, klasse, geslacht, opvoeding enzovoort? En waarom zou dat eigenlijk een probleem zijn?
         Ondanks zulke bedenkingen is het concept van belangeloosheid volgens mij uiterst waardevol. Het heilzame karakter van de schoonheidservaring heeft met die belangeloosheid te maken. Het komt natuurlijk niet voortdurend voor, maar veel mensen kennen de ervaring dat een kunstwerk je verheft, dat je het gevoel hebt boven jezelf uit te stijgen. Dat korte moment gaat gepaard met het loslaten van je belangen. Een kunstwerk geeft je het meest, als je er niets mee wint.
         Stel dat het mijn persoonlijke opvatting is dat alle religiositeit op een betreurenswaardig misverstand berust, dan zie ik die mening uiteraard graag bevestigd - dat is een belang. Op het moment dat ik Rafaëls Maria van de distelvink zie, geef ik dat belang op. Hoewel het als gevolg heeft dat ik mijn standpunten, waar ik zeer aan gehecht ben, zal moeten herzien, voel ik plotseling enig begrip voor de godsdienstige opwellingen van mijn soortgenoten. Het heilzame effect van die ervaring zit er wat mij betreft niet in dat ik nu moreel op een hoger plan sta omdat ik begrip voor andersdenkenden heb, maar dat het een groot geluk is (tijdelijk) van vooroordelen bevrijd te zijn.
         En als ik me sterk maak voor afschaffing van de jacht zal een bruut jachttafereel, mits door een groot kunstenaar geschilderd, me geen genoegen doen omdat ik de ideale illustratie voor mijn volgende pamflet heb gevonden, maar juist gedaan krijgen dat ik mijn oordeel opschort. Ik zal dan waarschijnlijk denken dat er prachtige herten bestaan, en behendige jagers, en dat het de loop der dingen is dat de laatste categorie de eerste dwarszit. Dan vervalt mijn woede. (En zal ik morgen in staat zijn een overtuigender, want minder verbeten pamflet op te stellen.)
         Schilderijen van Rafaël, over de schoonheid waarvan overeenstemming bestaat, zullen in de meeste gevallen moeiteloos korte metten maken met de belangen van een museumbezoeker. Sterke belangen kunnen tegenover een minder volmaakt schilderij echter standhouden, en de geestesvervoering blokkeren. De diepste kunstbeleving is gebaat bij enerzijds maximale schoonheid van het kunstwerk, en anderzijds minimale belangen van de beschouwer. Laten we aannemen dat absolute belangeloosheid niet realiseerbaar is, dan kun je belangeloosheid als ideaal toch nastreven.
         Belangen kunnen heel verschillend van aard zijn. Een object bezitten lijkt me een sterk belang. Als dat zo is, dan is de zekerste manier om de diepe beleving van een schilderij te verhinderen... dat schilderij kopen.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Reacties