Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
22-08-2018

Waarom we lijden aan een tijdsziekte

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Christine Cayol

We lijden aan een tijdsziekte. We zijn altijd druk, plannen onze agenda's twee maanden vooruit en vrezen continu dat we tijd tekortkomen. Maar kunnen we ook anders met de tijd omgaan? De Chinezen leren ons hoe het wél moet.  

‘Het gaat ons nooit lukken’, ‘Er zit maar vierentwintig uur in een dag’, ‘Wanneer moet het klaar zijn? Gisteren zeker!’ In deze doodgewone uitdrukkingen zit de angst dat we tijd tekortkomen, we gebruiken ze zonder ons te realiseren dat we zo de ziekte verspreiden binnen het sociale organisme.

Hoe kunnen we ons bevrijden van deze dodelijke angst, die ons ertoe brengt de tijd te vrezen als een homogeen en kwantificeerbaar element, een start- en finishlijn waarop zich een wedren afspeelt, waarin we allemaal gedoemd zijn achterstand op te lopen? De skiër vreest dat hij tijd tekortkomt. Zeven dagen is nooit genoeg om alles te doen: de vakantie vliegt voorbij, het wordt snel donker, je jeugd is sneller voorbij dan je zou willen. Hij ziet zichzelf alweer op de terugreis, met honderden mails die hij moet afhandelen. Toch heeft angst om tekort te schieten nog nooit geholpen om welk tekort dan ook aan te vullen, integendeel: juist door die angst voelen we het nijpende gebrek dubbel en wordt het een obsessie, die we ook op de toekomst betrekken: ik zal nooit genoeg tijd hebben.

Deze angst ontregelt onze hele persoon, maar ook de toestand van de wereld. Ons gedrag wordt erdoor verstoord: een intens verlangen naar actie, informatieverslaving, obsessief multitasken, een permanente achterstand. Door deze voortdurende toename van meldingen, signalen, informatie die gegeven en verwerkt moet worden, wordt het beeld versterkt dat er een tekort aan tijd is dat nooit wordt aangevuld.
 

Water

In China stelt men zich de tijd niet voor als een pijl op weg naar zijn doel, of als een leegstromende zandloper: het beeld dat het beste past is dat van water. Water dat ons soms opslokt, maar dat ons ook draagt en omhult, dat zich door niets laat tegenhouden, zo weerloos en zo sterk is het. Water neemt de vorm aan van de verpakking die zijn hoeveelheid meet, maar laat zich daar niet toe herleiden. De tijd lijkt zowel op het water van onze gevoelens, dat zachtjes onder de Mirabeau-brug door stroomt, als op de bruisende beek van activiteiten en plannen waar ons hoofd mee bezig is. De tijd is buitenkant en binnenkant. Zijn kracht berust op soepelheid, zijn efficiëntie op onzichtbaarheid.

Welk beeld van de tijd hebben wij in het Westen? Wij westerlingen stellen ons de tijd voor als een wedren of een zandloper, voor ons is de tijd dus iets waarmee je al concurrerend een doel bereikt, maar ook iets dat voorbijgaat zonder sporen achter te laten. Achter onze angst om tijd tekort te komen, zit het gevoel dat we dan niet meer meedoen in de race. We moeten ons dus afvragen hoe we ons verhouden tot activiteit en nut. Dit beeld van de tijd komt voort uit een culturele en filosofische voorstelling die bevraagd moet worden in het licht van andere opvattingen over de tijd.
 

Ruimte

Sinds Aristoteles wordt in het westerse denken de tijd beschouwd vanuit de ruimte. Aangezien de tijd ongrijpbaar en onzeker is, de vijand van alles, wordt met deze manier van denken een poging gedaan de tijd te definiëren en te laten stollen, in een essentie die men zijn waarheid noemt. In een poging de tijd de baas te worden, is in het westerse denken ervoor gekozen tijd gelijk te stellen aan ruimte, en deze tijd te meten zoals je met een uitgestrektheid zou doen. Zo heeft men de beweging van een lichaam in de ruimte als uitgangspunt genomen om de tijd te meten. De tijd wordt vergeleken met een pijl, of een lijn, hij wordt berekend, als mikpunt genomen, steeds nauwkeuriger verdeeld. Deze vastgeroeste gewoontes beheersen onze interacties, onze manier van werken en leven. In deze gewoontes ligt de voorstelling van de tijd opgeslagen die het in het Westen van verschillende andere gewonnen heeft: een rationele, lineaire en meetbare tijd. Het gaat om een horizontale tijd, die onze lichamen en onze hersenen stimuleert om zich in een wedren te storten van plannen, prestaties en constante verbeteringen. 

Het succes en de kracht van deze visie, die in de moderne tijd de toon aangeeft, wordt uitgedrukt in de idee van een tijd die objectiveerbaar zou zijn, net als de ruimte. We maken de werkelijkheid, ook de meest ongrijpbare, tot object; we maken objecten van onze gedachten, en ook de tijd, al verzet die zich hiertegen, maken we tot object. Het ob-ject is echter een door ons begripsvermogen geconstrueerde abstractie, ‘object’ (voorwerp) komt uit het Latijn en betekent: voorgeworpen. De westerse tijd wordt – bovenal – gedacht als een object dat kan worden gekend, geanalyseerd en geneutraliseerd. Het is daarom niet verbazingwekkend dat de tijd, als ob-ject, voor ons geworpen en onderworpen aan onze rationele categorieën, veel weg heeft van een ob-stakel, dat tussen ons en onze plannen komt te staan, tussen ons en ons. Het is maar één stap, van de beheersbare tijd naar de ‘vijandige’ tijd, een stap die we dagelijks zetten.

Toch heeft iedereen de ervaring dat er ook andere tijden zijn, gevoelsmatige, innerlijke, kostbare en nuttige tijden, verticale tijden, waarin we met onze liefde en met onze gedachten in onszelf keren, momenten die gewijd zijn aan verdieping, verbondenheid en creativiteit. Maar we weten niet wat we moeten ‘doen’ met die verticale tijd, juist omdat het geen kwestie is van ‘doen’, maar van leven. De westerse rationele tijd leeft niet. ‘We weten inderdaad wel hoe we met de ruimte moeten omgaan, maar we weten niet wat we met de tijd aan moeten, behalve dan hem te onderwerpen aan de ruimte. De meesten van ons lijken te ploeteren voor de objecten in de ruimte, daardoor koesteren we een diepgewortelde angst voor de tijd en verstarren we als we gedwongen worden de confrontatie met de tijd aan te gaan. We weigeren dan ook de tijd te voelen, en we vluchten in de zekerheid van de objecten. 
 

China

In het Westen betekent ‘kennen’ dat aan een ding een objectieve en permanente definitie wordt toegekend. Dit komt erop neer dat de werkelijkheid de mogelijkheid wordt ontnomen zich te ontwikkelen. Want hoe kun je iets kennen dat voortdurend blijft veranderen? Hoe kun je de effecten ervan voorzien? Volgens dit perspectief moet je de tijd dus uitschakelen, omdat hij onvoorspelbaarheid produceert en dus een obstakel is voor het verwerven van kennis en het maken van prognoses. 

In China werkt het anders. De werkelijkheid kennen betekent hier de beweging ervan begeleiden, meegaan in de transformaties. In deze perceptie van de werkelijkheid als een proces dat zich ontvouwt zonder ooit te verstarren, kan elke vorm van verandering worden opgenomen, de tijd maakt immers deel uit van het denken en zelfs van de waarheid, in plaats van als een verstorend element te worden weggeschoven. De Chinese traditie laat het toe de tijd meer als plastisch dan als logisch waar te nemen, een min of meer stevige boetseerklei, waarmee voorlopige constructies kunnen worden gemaakt, die altijd weer opnieuw gevormd of gewijzigd kunnen worden. De tijd verschijnt hier niet als de vijand van het denkbeeld, maar de ontplooiing van het denkbeeld drukt zich er juist in uit. 

Het westerse denken heeft steeds geprobeerd deze permanente dans van de werkelijkheid te stabiliseren. De rede moest zich kunnen vestigen, in de zin waarin iemand zich in een beroepspraktijk vestigt, met als doel wetenschappelijk gefundeerde waarheden te grondvesten. Om objectieve waarheden te kunnen opstellen, moest men weerstand bieden aan het rusteloze karakter van de permanente verandering. In het kader van dat ambitieuze project heeft de westerse rede de idee voortgebracht van een meetbare, voorspelbare en uiteindelijk beheersbare tijd. 
 

Tijdsziekte

Maar dat idee van de beheersbare tijd heeft ons nu opgezadeld met een tijdsziekte. De ziekte van de haastige mens kan niet worden behandeld door de moderne tijd af te wijzen, maar door deze te relativeren. Ik wil op mijn horloge kunnen kijken, vaart maken als het moet, maar ik wil er ook zijn voor anderen, bidden, overdenken, hopen, een spirituele tijd hebben. We genezen ons van de tijd door te putten uit een verticale tijdsduur, die ons meer aanwezig maakt en daarmee minder verdwaald. 

De Franse filosoof Christine Cayol woont sinds vijftien jaar in Peking. Daar leerde ze dat China op een andere manier met de tijd omgaat: flexibeler, pragmatischer en spiritueler. Dit is een voorpublicatie uit Cayols boek 'Waarom de Chinezen de tijd mee hebben' (uitgeverij Ten Have).

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.