Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
20-04-2018

Denkers om het warm van te krijgen: Catullus

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Simon J. Bellens

Catullus (84 – 54 v.C.)
‘Als ik toch eens, Iuventius, jouw lieve ogen tot niet meer kunnens toe mocht zoenen’


Elke rechtgeaarde student Latijn denkt bij Catullus aan twee schamele versregels vol ongelogen passie. Ik haat en bemin of ik veracht en heb lief of… Wie heeft niet liggen tobben over de meest poëtische vertaling van die hartstochtelijke versjes?
 
Ik haat en heb lief. Waarom? vraag je misschien.
Dat weet ik niet, maar het gebeurt en verscheurt me.
Odi et amo. Quare id faciam, fortasse requiris?
Nescio, sed fieri sentio et excrucior.

Wat was die Catullus toch een romanticus! Een strijdveld van tegengestelde emoties. Getormenteerd door ware liefde. Zijn zielenleven de vrije loop. En dan vertelt de juffrouw over de mooie Clodia naar wie de arme dichter hunkert. Zijn verdriet zou dan ook nog eens ingegeven zijn door haar ontrouw. Qua heteronormatief en monogaam kader kan dat tellen. Wisten wij veel dat Catullus even verrukkelijk en gebroken dichtte over de ongetwijfeld niet minder mooie Iuventius.
 

Mannenliefde

Wie deze Iuventius is, weet niemand. Hij zou een jongen kunnen zijn die bij Catullus in Rome verbleef, maar evenzeer een authentieke Romein – geen idee. Het is ook goed mogelijk dat het een pseudoniem is. Tenslotte gaf Catullus ook aan zijn vrouwelijke hartendief een andere naam, Lesbia. In ieder geval was de gevierde Romeinse dichter thuis in beide liefdes.

Catullus en Lesbia, door Sir Lawrence Alma Tadema

Dat verbaast vandaag bijna niemand meer. Toen seksualiteit en verlangen onderwerp werden van historisch onderzoek, kwamen de Antieken synoniem te staan met mannenliefde. Daar was het schering en inslag, dus waarom doen wij er zo verkrampt over? Op z’n Grieks, plachten we te zeggen. Niettemin was de Griekse en Romeinse liefde, en al zeker de mannenliefde, onderworpen aan een geheel eigen en complexe regulatie.

Vrouwenliefde of mannenliefde, het maakt de Romeinen weinig uit. Tenminste, het kan ze wel schelen, maar niet als categorieën van seksuele geaardheid. De Romeinen kennen geen hetero’s, homo’s, biseksuelen, aseksuelen, queers… Voor Romeinen telde het klassenverschil. Je mag best met een mooie man vrijen, maar alleen als het een slaaf en geen vrije burger is – en al helemaal niet als jij wordt gepenetreerd. Doorgaans gold de weinig subtiele regel: ‘wanneer de aars doorstoken was, verloor de burger zijn rechten'. Romeinen focussen zeer sterk op het aspect penetratie. Iedereen die daarin een passieve rol opnam, was minder burger. Dat was zo voor mannen én vrouwen.

Kwam het bij Romeinen op sociale klasse aan, dan speelde voor Grieken de categorie leeftijd. Ook de Romeinen verwezen al naar een (ongehoorde) Griekse liefde, waarmee ze de knapenliefde bedoelden. Een jonge aristocraat, en dus vrije burger, werd door een oudere wijze man in het sociale leven ingeleid en daar hoorde ook het seksuele leven bij. Deze jongeling was strikt gesproken nog geen man. Seks met oudere, reeds ingeleide en dus volwassen mannen, was voor de Grieken uit den boze. Eigenlijk is de mannenliefde dus niet erg Grieks. Je kon vrijen met vrouwen of jongens, maar niet met mannen.
 

Verlang (met mate)

Toch schuilt er een disruptief potentieel in antieke omgang met het seksueel verlangen. De Franse filosoof Michel Foucault ontdekt in de Klassieke Oudheid oneigentijdse technieken om het seksuele verlangen vorm te geven en te disciplineren. Tot dan had Foucault naar de moderniteit gekeken, voornamelijk de 17de en 18de eeuw. Daar ging ook het eerste deel van zijn Histoire de la sexualité over. Zijn aandacht voor de Oudheid in het tweede deel van dit groots opgevatte onderzoek naar seksualiteit is dus een opmerkelijke koerswijziging.

In tegenstelling tot de moderne seksualiteit is seksualiteit en verlangen bij de Grieken en Romeinen geen domein van biopolitiek of wetenschap. Met de term biopolitiek duidt Foucault aan hoe de bios (het leven) in de moderniteit het onderwerp wordt van machtsuitoefening. Politieke instituten proberen steeds meer om het leven van burgers of onderdanen te beïnvloeden en te controleren. Er komen strenge hygiënevoorschriften en ook seksualiteit ontsnapt niet aan de blik van de machtshebber. Foucault beargumenteert daarmee samenhangend dat zodra de wetenschap zich voor het verlangen interesseert, een niet te miskennen machtsuitoefening ontstaat. In de psychiatrie maken termen als homoseksualiteit hun intrede en door deze wetenschappelijke categorisering krijgen verlangende lichamen een vorm opgelegd. Kennis en macht gaan al te letterlijk samen. Wetenschappelijke kennis heeft een disciplinerende kracht.

Van de Antieken leert Foucault nu technieken van zelfzorg. Niet wetenschap en macht disciplineert, maar het lichaam zelf. Het is niet zo dat seks bij de Grieken alleen vrijheid blijheid is. Dat is hierboven al geïllustreerd. De Grieken, en ook de Romeinen, beseffen zeer goed dat het seksuele verlangen de mens van binnenuit kan verteren. Je kan kapotgaan aan je lusten. Dat komt ook naar voren in Catullus’ korte versjes. Hij verlangt, en het verlangen is op zich niet eens consistent met zichzelf – en het verscheurt hem. Maar waar het christendom die moeilijkheid van het seksuele verlangen oplost met strikte verboden en de moderne wetenschap reguleert aan de hand van het onderscheid normaal/aberratie, staat in de Klassieke Oudheid de zelfzorg centraal. Het komt erop aan het seksuele verlangen juist te gebruiken. Om in het verlangen zo de maat te houden dat het genot verschaft, sociaal aanzien hooghoudt en het organisme niet verscheurt. Matigheid, de Griekse deugd bij uitstek, betekent dan nog niet wat christenen er later van maken – eenvoudige beperking – maar is een complex geheel aan deugden die volgens Foucault een esthetica van het zelf nastreven, de creatie van het eigen leven als een kunstwerk. Hierin ziet hij een subversief alternatief voor disciplinerende moderne instituten, zoals de wetenschap.
 

(Niet genoeg) classicus

Niet bij iedereen wekt Foucaults lezing van de Klassieke Oudheid evenveel enthousiasme op. Martha Nussbaum – nu bekend publieksfilosoof, toen nog beloftevol hoogleraar – schrijft bij de Engelse vertaling van Histoire de la sexualité II: L’usage des plaisirs in 1985 ‘met grote moeite’ een vlijmscherpe recensie. Met grote moeite, want Foucault is dan ongeveer een jaar dood en ze heeft naar eigen zeggen steeds bewondering gehad voor hem. Maar tot haar spijt ziet ze zich gedwongen dit laatste werk ‘niet alleen teleurstellend’ en ‘middelmatig’ te noemen, ‘maar ook verlaat hij de fundamenten die zijn carrière bepaalden’. Volgens haar mist Foucault een historische vertrouwdheid met de antieken. Tot overmaat van ramp beklaagt ze zijn voornemen om zonder kennis van het Grieks een geschiedenis van de Griekse seksualiteit te kunnen schrijven. Alle niet-vertaalde teksten gaan immers aan hem voorbij. ‘Hij is gewoon niet genoeg classicus.’

Er is dus wel degelijk nood aan een grondig academisch onderzoek naar het antieke seksuele verlangen, maar dat biedt Foucault niet. Een jaar later verschijnt van haar hand The Fragility of Goodness: Luck and Ethics in Greek Tragedy and Philosophy, waarin ze ook het Griekse verlangen bespreekt. Het boek maakt haar op slag beroemd.


- Michel Foucault, Histoire de la sexualité, II. L’usage des plaisirs (Gallimard: Parijs, 1984).
- Vincent Hunink, Gouden Jongens, homo-erotiek in Griekse en Romeinse teksten (Umbra: Groningen 1996).

 
 

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.