Log in




Wachtwoord vergeten
Log in | Word lid | Service

Filosofie.nl

Filosofie Abonnement
28-03-2018

6 aforismen van Nietzsche die je gelezen moet hebben

Met deze knop kunt u, als u lid bent, artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier voor uw abonnement op maat.

Paul van Tongeren
filosoof, hoogleraar

We vroegen Nietzsche-kenner Paul van Tongeren om zijn favoriete aforismen te kiezen uit Nietzsche’s ‘De vrolijke wetenschap’. Na wikken en wegen zijn dit de zes waar hij op uit kwam.
 
Het is voor een Nietzsche-kenner als Paul van Tongeren eigenlijk een onmogelijke vraag: wat zijn nou de aforismen uit ‘De vrolijke wetenschap’ die je echt nooit zou willen missen? In de nieuwe, nu al bejubelde vertaling van de vorig jaar overleden vertaler Hans Driessen, geeft Van Tongeren in een nawoord wenken bij het lezen van de aforistische boeken van Nietzsche. Aforismen zijn korte uitspraken of gedachten. Nietzsche bracht zijn aforismen bijeen in boeken, zonder het onderlinge verband uit te leggen.

De lezer zoekt onvermijdelijk een verband dat hem of haar houvast geeft. ‘Lezen’ betekent immers ‘verzamelen’ en ‘ordenen’, schijft Van Tongeren in het nawoord. ‘Nietzsches teksten maken het extreem moeilijk een dergelijk verband te vinden en confronteren ons juist daardoor met onze behoefte eraan. Die behoefte aan houvast staat tegenover het avontuur van de denker die zich op een volstrekt open zee of in een duister labyrint waagt.’

Welk verband de lezer ook aanbrengt, het mag volgens Van Tongeren niet de aandacht afleiden van de kwaliteit van de afzonderlijke teksten. Want ook als de aforismen niet in enige lijn of constructie passen, bevatten ze bijna zonder uitzondering prachtige observaties of gedachten.
 
Lees hieronder zes voorbeelden die Paul van Tongeren persoonlijk het meest dierbaar zijn – over vriendschap die voorbij is, over wat we van kunstenaars kunnen leren, over de overeenkomsten tussen de menselijke wil en de golven in een branding; en geef je over aan Nietzsche’s experiment. ‘Als Nietzsche gelijk had toen hij schreef dat hij met zijn teksten over het nihilisme de geschiedenis van de komende tweehonderd jaar beschreef, dan toont hij hier de conditie waarin wij ons bevinden. In hoeverre verdraagt de waarheid het dat ze vlees en bloed wordt? Dat is de vraag, dat is het experiment.’
 

[279] Sterrenvriendschap

We zijn vrienden geweest en van elkaar vervreemd geraakt. Maar dat is goed zo, en laten we er geen geheim van maken en het niet wegstoppen alsof we ons ervoor zouden moeten schamen. We zijn twee schepen waarvan elk zijn eigen bestemming heeft en zijn koers ernaartoe; we kunnen elkaar wel kruisen en samen feesten, zoals we ook hebben gedaan – en toen lagen die goedeschepen zo rustig in één haven en in één zon, dat het was alsof ze hun bestemming al hadden bereikt en één bestemming hadden gehad. Maar vervolgens dreef de oppermachtige kracht van onze opdracht ons weer uiteen, naar verschillende zeeën en zonnestreken, en wellicht zien we elkaar nooit meer terug – of we zien elkaar wel terug, maar herkennen elkaar niet meer: de verschillende zeeën en zonnen hebben ons veranderd! Dat we vreemden voor elkaar moeten worden, is de wet die over ons regeert: juist daardoor moeten we meer respect voor elkaar krijgen! Juist daardoor moet de gedachte aan onze vroegere vriendschap heiliger worden! Wie weet bestaat er een kolossale, onzichtbare boog en sterrenbaan waarin onze zo uiteenlopende
wegen en bestemmingen als kleine trajecten zijn opgenomen – laten we ons tot deze gedachte verheffen! Maar ons leven is te kort en ons gezichtsvermogen te gering om meer te kunnen zijn dan vrienden in de zin van die verheven mogelijkheid. – Laten
we dus in onze sterrenvriendschap geloven, zelfs als we elkaars aardse vijanden zouden moeten zijn.
 

[299] Wat men van de kunstenaars moet leren

Over welke middelen beschikken we om de dingen mooi, aantrekkelijk en begerenswaardig voor ons te maken als ze dat niet zijn? – en ik denk dat ze het op zichzelf nooit zijn! Op dit gebied kunnen we iets leren van de artsen, die bijvoorbeeld het bittere verdunnen of wijn en suiker in de mengkroes doen, maar meer nog van de kunstenaars, die er eigenlijk altijd op uit zijn zulke uitvindingen en kunststukken te verrichten. Zich van de dingen verwijderen totdat men veel ervan niet meer ziet en er veel bij moet denken om ze nog te zien – of de dingen vanuit een hoekje beloeren of als het ware in een uitsnede zien – of ze zo neerzetten dat ze zich gedeeltelijk anders voordoen en alleen perspectivische doorkijkjes bieden – of ze bekijken door gekleurd glas of in het licht van het avondrood – of ze een oppervlak en een huid geven die niet helemaal transparant is: dat alles moeten we van de kunstenaars leren en voor het overige moeten we wijzer zijn dan zij. Want bij hen houdt dit subtiel vermogen gewoonlijk op wanneer de kunst ophoudt en het leven begint, maar wij willen de dichters van ons leven zijn, te beginnen met het kleinste en meest alledaagse.
 

[310] Wil en golf

Hoe gulzig komt deze golf aanrollen, alsof er iets te bereiken viel! Hoe kruipt ze met vervaarlijke haast de binnenste hoeken van rotsachtige spleten in! Het lijkt wel alsof ze iemand vóór wil zijn; het lijkt wel alsof daar iets van waarde, grote waarde is verstopt. – En nu komt ze terug, iets trager, nog helemaal wit van opwinding, – is ze teleurgesteld? Heeft ze gevonden wat ze zocht? Veinst ze teleurstelling? – Maar spoedig nadert een andere golf, nog gulziger en wilder dan de eerste, en ook haar ziel lijkt vol geheimen te zijn en belust op het graven naar schatten. Zo leven de golven – zo leven wij, de willenden! – meer zeg ik niet. – Wat? Jullie wantrouwen mij? Jullie zijn boos op mij, mooie ondieren die je bent? Zijn jullie bang dat ik je geheim
volledig verraad? Best! Wees maar boos op me, richt jullie groene, gevaarlijke lijven maar op, zo hoog als je kunt, bouw maar een muur tussen mij en de zon – zoals nu! Heus, van de wereld is al niets meer over dan groene schemer en groene bliksemschichten. Doe maar wat je wilt, jullie overmoedigen, brul maar van wellust en boosheid – duik maar weer onder, werp jullie smaragden maar weg, de diepste diepte in, schud jullie eindeloze witte lokken van schuim en gebruis erover uit – ik vind het allemaal best, want alles staat jullie zo goed en ik ben jullie in alles zo goed gezind: waarom zou ik jullie verraden! Want – luister goed! – ik ken jullie en je geheim, ik ken jullie soort! Jullie en ik, wij stammen immers van één soort! – Jullie en ik, wij delen immers één geheim!
 

[312] Mijn hond

Ik heb mijn pijn een naam gegeven en noem hem ‘hond’, – hij is net zo trouw, net zo opdringerig en schaamteloos, net zo onderhoudend, net zo slim als elke andere hond – en ik kan hem toesnauwen en mijn slechte buien op hem afreageren: zoals anderen met hun honden, bedienden en vrouwen doen.
 

[378] ‘En worden weer helder’

Wij die vrijgevig en geestrijk zijn, wij die als open waterputten langs de straat liggen en het niemand willen verbieden dat hij uit ons put: wij zijn helaas niet in staat ons te verzetten, als we het zouden willen, we kunnen met geen mogelijkheid verhinderen
dat men ons troebel maakt, duister maakt – dat de tijd waarin we leven zijn ‘meest aan tijd gebonden dingen’, dat zijn vuile vogels hun uitwerpselen, jongens hun rommel en uitgeputte, bij ons uitrustende wandelaars hun klein en groot leed in ons smijten. Maar we zullen het doen zoals we altijd hebben gedaan: we sleuren wat ze maar in ons smijten mee onze diepte in – wij zijn immers diep, we vergeten niet – en worden weer helder…
 

[380] ‘De wandelaar’ spreekt

Om onze Europese moraliteit eens van een afstand te bezien, om haar af te zetten tegen andere, vroegere of toekomstige moraliteiten, daarvoor moet je doen wat een wandelaar doet die wil weten hoe hoog de torens van een stad zijn: daarvoor gaat hij
weg uit die stad. Indien ‘gedachten over morele vooroordelen’ geen vooroordelen over vooroordelen willen zijn, gaan ze uit van een plaats buiten de moraal, een plaats voorbij goed en kwaad, waarnaar je moet klimmen, klauteren of vliegen – en in
het huidige geval, op zijn minst een plaats voorbij ons goed en kwaad, een vrij-zijn van elk ‘Europa’, dat laatste opgevat als een optelsom van commanderende waardeoordelen, die in ons vlees en bloed zijn gaan zitten. Dat je juist die kant op, dáár naar boven wilt, mag dan misschien een kleine onbesuisdheid zijn, een zonderling, onredelijk ‘gij zult’ – want ook wij kennenden hebben onze idiosyncrasieën van de ‘onvrije wil’ –; de vraag is of je daar naar boven kunt. Dat kan afhangen van talrijke omstandigheden, maar in hoofdzaak is het de vraag hoe licht of
zwaar we zijn, met andere woorden: het probleem van ons ‘soortelijk gewicht’. Men moet heel licht zijn om de wil tot kennis zo ver te voeren en als het ware boven zijn tijd uit te jagen, om zichzelf ogen te geven die millennia kunnen overzien – en in deze
ogen ook nog een heldere hemel! Men moet zich hebben losgemaakt van veel dingen die ons Europeanen-van-nu terneerdrukken, hinderen, tegen de grond houden en zwaar maken. De mens van zo’n andere wereld die de hoogste maatstaven van zijn tijd zelf in het oog wil krijgen, moet daarvoor in de eerste plaats deze tijd in zichzelf ‘overwinnen’ – het is zijn krachtproef – en dus niet alleen zijn tijd, maar ook zijn tot nu toe geldende weerzin van en oppositie tegen deze tijd, zijn lijden aan deze tijd, zijn oneigentijdsheid, zijn romantiek…

Dit is een van de best gelezen artikelen van het afgelopen halfjaar. Daarom stellen we het nu voor iedereen toegankelijk. Wilt u alles lezen van filosofie.nl? Vanaf € 4,99 per maand bent u al lid.

Welkom op filosofie.nl!

Speciaal voor nieuwe bezoekers selecteerden wij negen inspirerende artikelen. Lees waarom onderzoek naar geluk niet deugt, zes soorten vervreemding op de werkvloer, hoe Socrates de opkomst van Trump al voorspelde, en meer...

Lees meer
Ik lees graag later

Als u hier uw e-mailadres achterlaat, dan sturen wij het kennismakingsdossier naar u toe. U kunt het dan op ieder gewenst moment lezen.