Home Levenskunst Het leven als reis
Levenskunst

Het leven als reis

Door Joep Dohmen op 26 mei 2014

‘De meeste mensen leven naar hun einde toe, maar niet zo dat hun levensinhoud zich langzaam ontvouwt en in die ontvouwing hun eigendom wordt. Ze leven als het ware uit zichzelf weg, ze verdwijnen als schimmen wier onsterfelijke ziel verwaait. En geen enkele vraag naar hun onsterfelijkheid jaagt hen angst aan. Want voordat ze sterven, zijn ze al vervloeid in het niets.’  – Sören Kierkegaard
 
Reizen is voor veel mensen een poging om te ontsnappen aan de sleur van alledag en weer een zinvol leven te krijgen. Reizen is ook nog iets anders: we kunnen het hele leven als een reis opvatten. Dat is ook vaak gedaan in de wereldliteratuur. Odysseus, de Griek die er tien jaar over deed om na de Trojaanse oorlog terug te keren naar zijn eiland Ithaca, is het symbool geworden voor de levensreis en het idee van persoonlijke ontwikkeling. Hij staat aan het begin van een lange reeks van reisverhalen die evenzovele verbeeldin­gen zijn van het menselijk leven. Het leven als reis is wellicht de meest klassieke verbeelding in de geschiedenis van het westerse denken van het zoeken naar de zin van het leven. Van Odysseus omzwervingen (de Odyssee) en die van Aeneas via de zoektocht naar de heilige Graal, de Pelgrimsreis van John Bunyan (de weg die de ware christen moet afleggen om de eeuwige zaligheid te verwerven) tot en met Jules Vernes Reis om de wereld in 80 dagen, Nietzsches Wandelaar en zijn schaduw en de recente bestseller van Pascal Mercier Nachttrein naar Lissabon: telkens opnieuw wordt het leven afgebeeld als een reis die wij moeten ondernemen om uiteindelijk zin te vinden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Er zijn vele uiteenlopende redenen waarom mensen op reis gaan. Uit nieuwsgierig­heid of uit verveling. Uit armoede of om te vluchten. Om kennis op te doen of avonturen te beleven. We kennen de ‘Grand Tourist’ die zijn kennis wil ver­rijken op een wereldreis. ‘Reizen is studie in beweging’, zei de humanist Allard Pierson. De romantiek zag reizen als manier om echte levenservaring op te doen. De meesten van ons zijn doorgaans gewone toeristen die een tripje ondernemen om even te ontsnappen aan de sleur.

Ik neem de reis hier als metafoor voor het mensenleven. Ik ga als volgt de even verleidelijke als verraderlijke kracht van die metafoor onderzoeken. Ik begin met een korte bespreking van wat bekend staat als een oerverhaal, de Odyssee van Homerus. Vervolgens presenteer ik een schema dat de rijke analogie tussen leven en reizen laat zien. Ik focus op wat ik hier beschouw als de kern van de zaak: waarom reizen mensen? Ofwel: waarvoor leef je? Via Nachttrein naar Lissabon onderzoek ik wat bekende actuele filosofen als Peter Bieri en Charles Taylor over motivatie hebben geschreven. Zij vinden het van beslissend belang dat en hoe mensen onderzoeken waarvoor ze leven en zodoende zin geven aan hun leven. Daar zet ik de kritische blik van de feministische filosofe Margaret Walker tegenover. Zij beschouwt de meeste levensverhalen als veel te solistisch en als een verkeerde weergave van het echte samenleven. Tenslotte maak ik de balans op over de kracht van de reismetafoor.

Het oerverhaal: de Odyssee

Metaforen geven een krachtige en sturende verbeelding van het menselijk leven. Ze schetsen een bepaald beeld van de aard van menselijke activiteiten, onze talen­ten, middelen en doelen, onze deugden en waarden, de context waarin deze figureren, onze afhankelijkheid van en verbondenheid met andere mensen, kortom van de weerbaarheid en de houding waarmee mensen in het leven staan. De reis is een klassieke metafoor.
 

Er zijn duizenden verhalen over reizen en daaronder zijn weer vele honderden ‘grote’  reisverhalen zoals het bijbelse scheppingsverhaal, de Exodus ( het tweede van de vijf boeken van de Joodse Tora), Montaignes en Goethes Reis naar Italië, Flauberts reizen naar Egypte, Celines Reis naar het einde van de nacht, en Joseph Conrads Hart der duisternis. Sommige verhalen zijn zo groot en zwanger van betekenis dat ze steeds opnieuw moeten worden verteld, zoals Homerus’ Odyssee dat hernomen is door Kafavis, James Joyce in zijn Ulysses en Sandro Marai. Net als de metaforen zijn zulke verhalen fundamen­tele bronnen voor onze eigen ervaring. Zij leren een moraal.
 
De Odyssee van Homerus is een oerverhaal over de menselijke lotgevallen. Odys­seus is de man van Penelope en vader van Telemachus. Hij was de enige zoon van Laërtes en Aticlea en koning van Ithaka. Hij behoorde tot de belangrijkste Griekse helden. Zijn talent lag echter niet in het vechten zoals bij Ajax en Achilles, maar in zijn listigheid. Als de Trojaanse oorlog voorbij is en de Griekse helden ieder op huis aan gaan, voeren de stormwinden Odysseus over de hele Middellandse Zee. Hij komt onder andere terecht bij de nimf Calypso op het eiland Gozo, de tovenares Circe en het eiland van de Lotofagen, waar het eten van lotusbloemen voor vergetelheid zorgt. Odysseus verblijft op het paleis der Phaeaken, een gastvrij volk dat hem gul onthaalt en thuisbrengt op gedachtenlezende schepen die zonder stuurman of roer hun weg vinden. Met moeite ontsnapt Odysseus telkens opnieuw aan al te veel gastvrijheid. Hij moet bovendien al zijn slimheid uit de kast halen om de eenogige cycloop te verslaan door zich in de vacht van een schaap te verstoppen en zichzelf Niemand te noemen. Hij bezoekt de Onderwereld, weerstaat de verleide­lijke lokroep der Sirenen en schippert voortdurend tussen Scylla en Charyb­dis.

Zeven van de tien jaar is hij de gevangene van de nimf Calypso. Als hij wegkwijnt, grijpen de goden in: Hermes komt Calypso vertellen dat zij op last van Zeus de balling moet laten gaan. Calypso, die Odysseus heftig bemint, speelt haar laatste troef uit: zij belooft hem de onsterfelijkheid en eeuwigdurende jeugd als hij bij haar blijft. Odysseus slaat haar aanbod af en kiest ervoor met zijn gezellen terug te keren naar huis, om samen met zijn vrouw oud te worden en de dood te aanvaarden. Nadat hij al deze moeilijkheden en verleidingen heeft getrotseerd, kan hij eindelijk naar Ithaka, waar hij afrekent met de vele vrijers van zijn vrouw Penelope, die trouw op hem heeft gewacht.
 
De Franse filosoof Luc Ferry ziet in Homerus’ Odysseus de oorsprong van het humanisme. Hij onderscheidt drie kernbegrippen: kosmos, hybris en dikè. De kosmos is de wereld(orde) die onder leiding van oppergod Zeus uit de chaos tot stand wordt gebracht. Maar de harmonie die in de kosmos heerst, wordt telkens weer bedreigd door hybris: overmoed en gebrek aan wijsheid. Om dit wankele evenwicht tussen orde en chaos te handhaven is moraal nodig: rechtvaardigheid en trouw. Dat is precies de les die Odysseus onderweg geleerd heeft. Hoe meer ontberingen en lijden, zoeken en streven, des te beter. To strike, to seek, to find, and not to yield is de roeping van de mens, aldus Alfred Tennyson in zijn gedicht Ulysses. Maar dat is niet de voornaamste les van de Odyssee. Niet alleen slimheid en intelligentie hebben Odysseus gered, maar vooral de beproeving en ontwikkeling van zijn menselijkheid en trouw. De ontdekking van zijn fundamentele lotsverbondenheid met anderen vormt de kern van Homerus’ oerverhaal.

Reizen als metafoor voor leven

Zoals de reisverhalen laten zien, bestaat er een rijke analogie tussen reizen en leven. Beide hebben te maken met begin en eind, leven en dood, op weg gaan, grote verwachtingen koesteren en diepe teleurstellingen ondergaan, ontberingen lijden, doordrongen raken van het vreemde, betekenisvolle ontmoetingen hebben, en uiteindelijk thuis de balans opmaken. In beide gevallen is de vraag: waarvoor doe je het?
 

In beginsel lijkt de reismetafoor zeer bruikbaar: geboorte en dood zijn vergelijkbaar met vertrek en aankomst. In beide gevallen ga je op weg: je maakt een reisplan en je richt je leven in. Je hebt bagage en je hebt kapitaal. Dat hoeft in beide gevallen niet alleen geld te zijn, het kan ook wat kleding zijn of een boek (hoewel geld in beide gevallen nodig is!) Er zijn verkeerde afslagen en plekken waar je niet had moeten komen, net zoals er in het leven allerlei echecs zijn. Er zijn allerlei soorten reizen: om je kennis te vergroten, avonturen te beleven, zaken te doen en plezier te hebben. Er zijn ook gedwongen reizen, vluchten, op straffe van de dood je wortels verlaten en op zoek gaan naar asiel. De emigrant maakt een grote reis om elders te gaan leven. De romantische reiziger komt nooit aan: het echte leven is altijd elders. Er is een reisverhaal en er bestaat ook een levensverhaal. De reis en het leven doen iets met je, ze zijn vormend. In beide gevallen is het de bedoeling dat je op weg gaat, ervaart, ondergaat en jezelf ontwikkelt, vroeg of laat aankomt en je bestemming bereikt, kortom een zinvol leven leidt. Vroeger lag die bestemming vast, tegenwoor­dig kun je zelf kiezen wat je bestemming is. Zin kun je ervaren en zin kun je geven. Al deze aspecten van de levensreis worden in een biografie vastgelegd. Voor veel moderne mensen gaat het tegenwoordig meer om de reis dan om het doel. De centrale vraag hier is:
 
Waarom reis je? Ofwel: Waarvoor (of voor wie) leef je?

Nachttrein naar Lissabon

Raimund Gregorius, leraar klassieke talen aan het gymnasium van Bern, 57 jaar oud, al jaren gescheiden en alleenwonend, wordt zo van zijn stuk gebracht door een ontmoeting met een hem onbekende Portugese vrouw, dat hij het drastische besluit neemt de zekerheden van zijn bestaan op te geven. Hij onderbreekt zijn onderwijs, verlaat het klaslokaal en stapt uit zijn leven als docent. Zo opent de roman Nachttrein naar Lissabon, geschreven door Pascal Mercier. Gregorius bezoekt een antiquariaat en vindt daar bij toeval een Portugees boek, Um ourives das palavras (‘Een goudsmid van woorden’) dat hij van de eigenaar cadeau krijgt. Dit boek van Amadeu Inácio de Almeida Prado intrigeert hem zo dat hij de volgende avond de nachttrein naar Lissabon neemt om meer te weten te komen over de auteur.
 

Prado blijkt al ruim dertig jaar geleden overleden, vlak voor de Anjerrevolutie. Door in contact te komen met zijn twee zussen en een aantal andere intimi, en door een bezoek te brengen aan zijn graf en zijn oude school, slaagt Gregorius erin Prado’s leven stukje bij beetje te reconstrueren. Prado moet een charismatische persoonlijk­heid zijn geweest: briljant als leerling op het lyceum, superieur tijdens zijn medicijn­enstudie, gevierd als arts in zijn praktijk. In over­denkingen die Gregorius doen denken aan de Persoonlijke Notities van Marcus Aurelius, filosofeert deze Prado over de innerlijke ervaring en de mogelijkheid van zelfkennis, de kracht van de verbeelding en de macht van de taal, belangrijke gebeurtenissen en beslissingen verbeeld via de metafoor van het leven als reis.
 
Waarom gaat Gregorius op zoek naar een hem volkomen onbekende schrijver? Je moet afstand nemen van jezelf om jezelf goed te kunnen begrijpen:
 

‘Was het mogelijk dat de beste weg om je van jezelf te vergewissen bestond uit het leren kennen en begrijpen van een ander? Iemand wiens leven heel anders was verlopen en een heel andere logica had bezeten dan zijn eigen leven?’ (Mercier, 2008, p. 98)

 
Via het leven van een ander evalueert Gregorius zijn eigen levensweg, de keuzes die hij heeft gemaakt en ook wat hij allemaal heeft laten gebeuren. Hij verwondert zich erover dat zijn leven gegaan is zoals het gegaan is, terwijl het toch heel anders had kunnen verlopen. Nu loopt het dan ook daadwerke­lijk helemaal anders:
 

‘Als iemand hem een week geleden, in zijn woning in Bern, zou hebben gezegd dat hij over zeven dagen in een nieuw kostuum en met een nieuwe bril op in Lissabon op een veerboot zou zitten om bij een gemarteld slachtoffer van het Salazar-regime iets over een Portugese arts en schrijver te weten te komen die al meer dan dertig jaar dood was, dan zou hij die persoon voor gek hebben verklaard. Was dit nog steeds hij, Mundus, de bijziende boekenwurm?’ (Mercier, 2008, p. 113)

 
Gregorius, bijgenaamd Mundus, spiegelt zijn leven aan dat van Prado. De schrijver van het Portugese boek redt als arts het leven van Rui Luís Mendes, ‘de slager van Lissabon’ en beul van het Salazar-regime. Deze reddingsactie was voor hem als arts een vanzelfsprekende beslissing. Hij verliest het respect van de inwoners van Lissabon en wordt de rest van zijn leven door hen uitgekotst. Hij worstelt met deze smaad en de vraag of hij anders had moeten handelen en waarom dan wel.
Naar analogie hiervan ziet Gregorius zich voor belangrijke vragen gesteld over zijn eigen leven. Wat was in zijn verleden nu zijn eigen speelruimte? Wat is hij zelf voor iemand geworden? Welke waren zijn substantiële beslissingen? Waarvoor (voor wie) leefde hij?
 
In Nachttrein naar Lissabon wordt het leven op verschillende plaatsen vergeleken met een treinreis. Mercier werkt deze metafoor prachtig uit:
 

‘Ik woon nu in mijzelf als in een rijdende trein. Ik ben niet vrijwillig ingestapt, had geen keus en weet niet waar we heen gaan. Op een dag in het verre verleden werd ik wakker in mijn coupé en voelde de trein rijden. […] Ik kan de spoorbaan en de richting niet veranderen. Ik bepaal niet het tempo. Ik zie de locomotief niet en weet ook niet of de machinist te vertrouwen is. Ik weet niet of hij de seinen in de gaten houdt en merkt of een wissel verkeerd staat. […] De laatste wagons zijn nog in de tunnel en de eerste rijden alweer naar buiten. […] De verlichting in de coupé verandert telkens zonder dat ik er invloed op heb. […] De verwarming laat het vaak afweten. […] In mijn coupé gaat het heel anders dan ik had verwacht. […] De ruiten zijn vuil door het frequente slechte weer. Ik denk: die ruiten geven een vertekend beeld van wat hier binnen is. […] Wat kan ik doen tijdens de reis? De coupé opruimen. De dingen vastzetten, zodat ze niet meer rammelen. […] Ik duw mijn hoofd tegen de ruit en concentreer me uit alle macht. Ik wil één keer, één enkele keer proberen te begrijpen wat er buiten gebeurt. […] Het lukt niet. […] De reis duurt lang. Er zijn dagen waarop ik hoop dat de reis eindeloos zal zijn. Dat zijn zeldzame, kostbare dagen. Er zijn andere dagen waarop ik blij ben met de wetenschap dat er een laatste tunnel zal zijn waarin de trein voor altijd tot stilstand komt.’ (Mercier, 2008, p. 352-254)

Begrijpen waarvoor/voor wie je leeft

Pascal Mercier is het pseudoniem van de filosoof Peter Bieri die het Handwerk van de vrijheid schreef. Volgens Peter Bieri hangt ons persoonlijk leven, hoe het zich ontwikkelt en hoe vrij we daarbij zijn, af van verschillende voorwaarden. Vrijheid hangt onder meer af van de mogelijkheden die de wereld biedt, de middelen waarover je beschikt en de vaardig­heden die je hebt. Op elk van die terreinen kan onze vrijheid worden ingeperkt of uitgebreid. Onze persoonlijke vrijheid hangt bovendien in bepaalde zin van onszelf af. Het betreft de vorming van onze eigen wil. Bieri sluit hiermee aan bij de opvat­tingen van de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt (The importance of what we care about, 1988). Het belangrijkste kenmerk van perso­nen is volgens Frankfurt dat mensen afstand kunnen nemen van hun wensen en dat ze zich met bepaalde wensen wel en met andere niet kunnen identificeren.

Wilsvrijheid is een breekbaar ideaal en autonomie is iets waaraan je hard moet werken. Bieri gaat er vanuit dat we (deels) vrij zijn om onszelf te vormen, door ons met behulp van ons denken en onze verbeelding onze wil toe te eigenen.

Aan het proces van identificatie of toe-eige­ning zitten volgens Bieri drie dimensies: articulatie, begrijpen en beoordelen. Deze drieslag vormt het narratieve aspect van Bieri’s Bildungsfilosofie. Articulatie gaat over een zo goed mogelijke verwoording van wat je wilt. Begrijpen gaat over het doorzien van de betekenis van je verlangens. Ten slotte is goedkeuring nodig, je moet instemmen met wat je wilt. Je moet er achter staan. Niet weten wat je wilt, bezet worden door onbegrijpelijke verlangens, je eigen wil afkeuren, dat alles maakt een mens onvrij. Niet toevallig is het doorgaans een existentiële crisis die ons dwingt om ons voor onszelf te verduidelijken. Wanneer iemand overvallen wordt door een gevoel van leegte, zal dat waarschijnlijk komen omdat hij niet daadwerkelijk achter zijn handelen staat. Hij leeft ongemotiveerd.
 
Nachttrein naar Lissabon kan gelezen worden als illustratie van Bieri’s betoog over zijn visie op de menselijke levensloop. We zien hoe verschillende factoren en voor­waarden onherroepelijk een rol spelen op onze levensreis, maar ook dat we een beperkte speelruimte hebben om de koers ervan zelf te bepalen. Er is een spoor waarover we in een bepaalde richting rijden. Op onze route zijn haltes en wissels, we hebben tijd om in, uit en over te stappen. De reis ligt voor een groot deel vast, maar soms is er ineens een ernstige vertraging; de trein staat stil en je moet een omweg nemen. Intussen hebben wij de innerlijke ervaring dat we onderweg zijn.
 
Als de situatie kritiek wordt, rijst de vraag: waarom maak ik eigenlijk deze reis? Zit ik in de verkeerde trein en had ik niet al lang moeten uitstappen? Dan moeten we  onszelf op het spoor komen, nagaan welk verlangen ons hierheen gebracht heeft.

Vrijheid is weten in de zin van begrijpen waarom je de dingen doet die je doet, en ook goedkeuren dat je die dingen doet. Zorgvuldig je reisplan bestuderen, de mogelijke routes in kaart brengen, zo goed mogelijk substantiële keuzes maken en weten welke weg je op grond daarvan wilt inslaan, dat maakt ons vrij. Naarmate we ouder worden ont­dekken we of het inderdaad een goede keus was die we gemaakt hebben, en ook welke keuzes we misschien ten onrechte niet gemaakt hebben. We kunnen de wegen die we ooit ingeslagen zijn, de substantiële keuzes uit het verleden niet terugdraaien. Maar door bewust een bepaalde nieuwe weg in te slaan, kan onze toekomst het verleden wellicht goedmaken en ons leven opnieuw zin geven. Nachttrein naar Lissabon eindigt wanneer Gregorius, gelouterd door een bizarre omzwerving, weer terugkeert naar zijn woonplaats Bern. Zijn toekomst ligt meer open dan toen hij vertrok en innerlijk onvrij was. Hoe dan ook is hij zich bewust geworden van het belang om gemotiveerd te leven. Bij thuiskomst gaat hij naar het ziekenhuis. Dat wordt misschien zijn laatste halte, het eindstation.

De reis naar de diepte

De bekende filosoof Charles Taylor heeft een belangrijk en kritisch commentaar geschreven op visies op het leven zoals Bieri en Frankfurt die geven. De kernvraag voor hem is: wat betekent jouw reis? Voor Bieri en Frankfurt is het voldoende als je onderweg ontdekt welke verlangens je wezenlijker vindt dan andere. Je moet erin slagen om je wil te vormen en op die manier een zekere mate van autonomie te bereiken. Taylor vindt dat een goed begin, maar daar mag het niet bij blijven. Het gaat er niet alleen om dat we ontdekken welke reis we willen maken en dat we daar achter staan. Het gaat er om dat we een zinvolle reis willen maken. Je bent iets belangrijks vergeten als de haven in zicht komt en de vraag je bekruipt: is dit het nou?
 

Voor een zinvol leven moeten we een reis naar de diepte maken. Hoe ziet die reis eruit? Taylor gebruikt het beeld van de morele ruimte of horizon om duidelijk te maken dat een zinvol leven geen willekeurige reis kan zijn. Onze morele ruimte wordt bezet door referentiekaders over goed en kwaad, over wat er wel en niet toe doet. We kunnen niet zonder zo’n referentiekader, noch zonder een sterke evaluatie van waar we zelf staan.
 
Sterk evalueren betekent antwoord geven op de vraag: waar sta je in die ruimte? We hebben een oriëntatie op het goede nodig om een zinvolle identiteit te vinden. Daarvoor moeten we met dat goede in contact staan en erbij in de buurt zien te blijven. Dit gegeven moet bovendien verweven worden met inzicht in het eigen leven als een zich ontvouwend verhaal. We hebben een reis­verhaal nodig om greep te krijgen op ons leven. Om een besef te hebben van wie we zijn moeten we een idee hebben van waar we vandaan komen, hoe we geworden zijn wie we nu zijn, en waar we naar toe gaan. Ons leven is niet op te delen in losse stukjes, het vormt een organische eenheid. Persoonlijke identiteit heeft betrekking op het gehele leven. Onze ware biografie is het verhaal waarin de richting van ons leven, onze plaats ten opzichte van het goede, duidelijk wordt. Een verhaal met zo’n diepgang verwijst naar een zinvol leven.
 
Een zinvol leven verwijst voor Taylor naar persoonlijke resonantie en zelfverant­woordelijkheid. We mogen niet vervallen in zwakke evaluaties waarin welke wil dan ook voldoende is, op straffe van een oppervlakkig en zinloos bestaan. Sterk evalueren kost moeite, tijd, aandacht, het uithouden van spanningen en risico’s van vergissing. Alleen als we zelf op zoek gaan naar wat ten diepste voor ons van belang is, wacht ons de beloning van een zinvol leven.
 

De Marlboro Man als icoon

Volgens de feministische filosofe Margaret Walker deugt de reismetafoor als verbeelding van het menselijk leven van geen kant. Ze is een vertaling van het succesverhaal van de mannelijke levensloop. Ze verwijst naar de pathologische figuur van de Marlboro Man die onze westerse cultuur zo domineert: de ongeschoren cowboy die bij ondergaande zon bovenaan de heuvel komt, een sigaret opsteekt en zelfgenoegzaam on zich heen kijkt. Hij heeft de zoveelste klus weer geklaard. Dan draait hij zich om, op weg naar de volgende klus. Ziehier de topmanager, maar dan te paard. De Marlboro Man, de commerciële variant van de lone ranger uit Texas, is het icoon van onze moderne tijd.
 

De metafoor van de reis is veel te individualistisch, eendimensionaal, a-sociaal. Volgens de reismetafoor ga je alleen op reis, zet jij alleen de koers uit, beslis jij over het verloop van de reis en kom jij uiteindelijk ook alleen aan. De hemel laat geen duo’s toe, je mag er nooit samen in en ieder verschijnt helemaal alleen voor zijn/haar Opperrechter. Als je anderen al op reis mee­neemt, zijn dat meestal figuranten in jouw trip en hooguit tijdelijke metgezellen. De reis is een functioneel project waarin anderen instrument zijn voor jouw succesvolle zelfverwerke­lijking. Zo’n reis is op individuele planning, beheersing en maatschappelijk succes gericht. Ze miskent afhanke­lijk­heid, oog voor kwetsbaarheid en voor eindigheid. Het is ook een veel te megalomane metafoor, gebaseerd en gericht op de vermeende mogelijkheid van originele sturingskracht en een verkeerd ideaal van eenheid en heelheid. De levens van de meeste mensen zijn verre van graniet en verlopen veel grilliger. Daarom is de reismetafoor een gevaarlijke reductie van de maatschappelijke realiteit.
 
Walker verwijst naar het boek van de Amerikaanse historicus Tom Cole: The journey of life , waarin deze laat zien hoe zich in de vroegmoderne tijd onder invloed van het protestantisme de individualisering van de levensloop voltrok. ‘In het vroege protestantisme werd het individuele drama opgevat als een persoonlijke verlossing die bereikt werd na een heel leven waarin men het lichaam en de wil steeds sterker onder controle bracht, gesteund door zelfonderzoek, arbeid en devotie.’ Die opvat­ting heeft in de loop van de moderniteit alleen nog maar aan invloed gewonnen en vandaag is autonomie het meest dominante ideaal geworden. Zelfdiscipline, beheersing over je emoties en je lichaam, toezicht op je gezondheid, een economisch productief bestaan voeren en vooral daarin succesvol zijn: dat zijn de bestanddelen van een rigide code van zelfbestuur.
 
Waar menigeen in autonomie juist een apologie voor vrijheid ziet, ontdekt Walker een ideologie van disciplinering. Dat is uiteraard allemaal niet nieuw en in vergelijkbare en zelfs meer uitgewerkte vorm bij Marx, Nietzsche, Freud en Foucault aanwezig. Wel nieuw is het boeiende alternatief voor de Marlboro Man dat Walker in Moral Understandings  en Getting out of line  presenteert. Tegenover de solipsistische actor­ van bijvoorbeeld Bieri of Frankfurt stelt Walker een relationeel actorperspectief  in termen van betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Omdat wij thuis, op school en in het werk, in relaties, organisaties en ook als burger allerlei actuele en historisch gegroeide verbanden met elkaar ontwikkeld hebben, worden we steeds opnieuw geconfronteerd met onze eigen verantwoordelijkheid.  Onze relaties met anderen verwijzen naar tal van onderlinge morele, niet altijd even transparante en bewuste claims. Hoewel we niet zomaar een beroep kunnen doen op anderen en anderen ook niet zomaar op ons, leven we wel degelijk in een sfeer van wederzijdse verwachtingen en vertrouwen op grond van de relaties die we met elkaar zijn aangegaan. Wij zijn zelf afhankelijk van andermans beslissin­gen net zoals anderen afhankelijk zijn van onze beslissingen. Op grond hiervan doet Walker een voorstel tot een andere visie op moraal en zingeving.
 
De reis en het individualistische reisverhaal moeten worden vervangen door een meer sociale metafoor waarin de verwevenheid van de verschillende kleine en grote geschiede­nis­­sen van mensen met elkaar recht worden gedaan. Het idee van centrale  heelheid moet worden verruild voor lokale betrouwbaarheid. Het actuele streven naar het verwerven van één samenhangende, morele persoonlijkheid moet worden vervangen door een streven naar openheid over wederzijdse verplichtin­gen tussen mensen en groepen mensen op grond van de kortere of langere trajecten die ze met elkaar hebben afgelegd. Kortom: Walker ruilt het ideaal van zelfgerichte soliditeit in voor wederzijdse loyaliteit en verantwoorde­lijkheid. Moderne zelfontplooiing is niet het verhaal van een individu dat vanuit zichzelf naar een meer vervuld zelf toegroeit. Het echte leven en de echte reis verwijzen niet naar een monografische biografie, maar naar de complexe geschiedenissen van loyale reisgenoten. Het gaat dus niet om één reis, beschreven vanuit één gezichtspunt, maar om reeksen van dynamische en altijd tijdelijke trajecten en sociale praktijken, die geleefd en beschreven worden vanuit het veranderlijke waardenperspectief van alle deelnemende reisgenoten.

Muzikale improvisatie

De reis is een even klassieke als moderne verbeelding van een individuele levensloop. Het beeld van het energieke, creatieve en productieve individu dat in een dynamische en veranderende wereld voor zichzelf de koers uitzet en onderweg zijn eigen conduitestaat bijhoudt, is nog altijd het meest dominante voorbeeld van een geslaagd leven. Daarin worden de eigen ervaringen vanuit een omvattende invalshoek tot een eenheid gemaakt, hetzij vanuit de bestemming, hetzij vanuit de planning van het subject: de reiziger. En de winnaar is: de Marlboro Man…
Deze voorstelling van zaken klopt niet en de reismetafoor is daar mede debet aan.
 

Zelfs de levens van mensen in een geïndividualiseerde marktsamenleving en complexe improvisatiemaatschappij verlopen helemaal niet volgens de lineaire lijn van de reis. Individuele mensenlevens hangen nauw samen en door elkaar in wisselende coalities met onderlinge (dis)continuiteit en (dis)harmonie. Kenmerkend voor moderne levens in een globaliserende wereld is: onderlinge verknooptheid, afhankelijk­heid, complexiteit, kwetsbaarheid, veranderlijkheid en eindigheid.
Natuurlijk hebben Bieri en Frankfurt gelijk als ze erop wijzen hoe belangrijk het is om je verlangens na te lopen en te onderzoeken welke handelingen je echt wilt verrichten en welke wegen je wilt inslaan. Natuurlijk is het van belang om te proberen jezelf te begrijpen. Herinneren waar je vandaan komt en proberen vast te stellen waar je naar toe wilt, zijn en blijven van vitaal belang voor een zinvol leven.  Alleen wie zijn herinneringen, vernederingen, angsten en pijn aan de oppervlakte laat komen, kan ze interpreteren, ermee om leren gaan en daardoor meer weerbaar worden met het oog op de toekomst.
 
Natuurlijk heeft Taylor een punt als hij stelt dat je motieven ook moeten deugen. Het gaat er niet alleen om te ontdekken wat je wilt, maar ook wat je werkelijk van belang vindt. Wat waardevol is vind je bovendien niet zomaar in je zelf. Als lid van een (multi)-culturele gemeenschap moet je inderdaad uitzoomen en aanhaken bij bestaande morele kaders en gemeenschappelijke waarde-orientaties. Als we op reis gaan, doen we dat omdat anderen voor ons al een weg hebben uitgestippeld tot aan dat punt waarop we zelf verder kunnen gaan. Al bij onze geboorte zijn we opgenomen in een netwerk van aan ons leven voorafgaande betekenissen, verwachtingen en oriëntaties. Onze eigen planning en motieven zijn dan ook van meet af aan doordrenkt met de plannen en motieven van anderen. Onze motieven zijn dus geenszins louter resulaat van individuele reflecties, bewuste overwegingen en zorgvuldige evaluaties. Ze zijn ook het resultaat van vele doorwerkingen, echo’s, geluiden, stemmen van betekenisvolle anderen. We zijn principieel niet transparant voor onszelf en daarmee niet de unieke eigenaar van ons leven.
 
Walker laat zien dat ons leven van meet af aan verknoopt is met dat van anderen. Ze vervangt het idee van een individuele reis door het beeld van reeksen trajecten die in wisselende samenstellingen van kleine en grotere gezelschappen met veranderende met perspectieven en waardeordeningen worden doorlopen. Tegenover het uitgangspunt van individualiteit zet zij dat van netwerken en collectiviteit; tegenover continuiteit dat van discontinuiteit; en tegenover het idee van een zelfgekozen eindbestemming dat van lokale verantwoor­delijk­heden en een veelheid van daaruit voortvloeiende deelbestemmingen.
 
De reis is weliswaar een krachtige metafoor ter illustratie van allerlei levens­ervaringen. Toch schept zij ook een zeer misleidend beeld, dat veel te sterk de nadruk legt op het leven als  individueel proces van zelfver­werkelijking met een volstrekt zelfgekozen levensplan en een eigen einddoel. In tegenstelling tot wat Bieri meent, kun je op die manier nooit de ‘verloren tegenwoordigheid’ terugwinnen. Daarvoor heb je anderen nodig. Dat is precies de ontdekking die Odysseus gaandeweg doet. Op zijn omzweringen realiseert hij zich dat hij veel meer is dan de overwinnaar van de Trojanen. Op basis van hun gedeelde ondernemingen voelt hij zich verantwoordelijk voor het lot van zijn metgezellen, en voor dat van zijn vrouw en zoon die thuis op hem wachten. De zin van zijn bestaan ligt niet in zijn privé-geluk van het eeuwig jong blijven en seksuele genot met de nimf Calypso. Het ligt in het trouw zijn aan zijn metgezellen, aan hun levenslot en aan dat van de degenen die op hem wachten. Wij leven ons hele leven lang te midden van anderen en delen onderweg in elkaars projecten. Mijn levensplan en reisschema zijn mede van hen afhankelijk en hun plannen en schema’s zijn mede afhankelijk van mij. Improvisatie en onderlinge afstemming zijn daarom geboden. Het bereiken van onze bestemmin­gen vindt plaats in het samen opreizen, onderweg tijdens het delen in elkaars levens­projecten. Daarin is geen plaats voor een subjectief gekozen einddoel voor mij alleen. Het goede leven is geen individuele reis: het is een Gesamtkunstwerk.
 
Daarom valt er veel voor te zeggen om niet de reis, maar de muzikale improvisatie als metafoor te kiezen voor het zinvolle leven. De muzikale improvisatie is een bijeenkomst van een beperkt aantal muzikanten, die in wisselende samenstelling in groepsverband musiceren. Het doel van deze improvisatie is om gedurende een bepaalde tijdsspanne samen een aantal nummers te spelen, die niet zijn voorgeprogram­meerd en die vooraf zelfs niet eens als zodanig bestaan. De muziek komt ter plekke tot stand, op het ogenblik zelf.
 
Het doel is niet om zomaar een eind weg te spelen, maar de geslaagde improvisatie. Elke deelnemer doet zijn best om zelf zo goed mogelijk te spelen en tegelijkertijd zo goed mogelijk in te spelen op het spel van de anderen. Het gaat erom lekker met elkaar te spelen en goede muziek te maken. Op die manier weten de deelnemers het beste uit elkaar te halen. Degene die vooral voor zichzelf speelt, is er debet aan dat de improvisatie mislukt, ook al speelt hij de sterren van de hemel. Zo iemand zal de volgende keer niet meer uitge­nodigd worden om mee te spelen. Loyaliteit, betrouw­baarheid en improvisatievermogen zijn de basisingrediënten voor een nieuwe metafoor voor een geslaagd leven. Het doel van de muzikale impro­­visatie is om zo goed mogelijk op elkaar in te spelen, het beste spel bij elkaar op te roepen en op basis van zo’n interpersoonlijke resonantie een prachtige voorstelling te bieden. Een goede samen­­leving resulteert uit de wederzijdse verantwoordelijkheid van alle deelnemende individuen voor de kwaliteit van de voorstelling. Daarom is de muzikale improvisatie een betere metafoor voor een dynamisch, complex en zinvol leven dan de metafoor van de reis.