Home Een immense verveling

Een immense verveling

Door Frans Jacobs op 26 maart 2013

06-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Als kind vroeg ik me af of die eeuwige zaligheid op den duur niet zou gaan vervelen.’ Via de verveelde paradijsbewoners belandt Frans Jacobs bij Flauberts ‘moderne verveling’. Met Schopenhauer vraagt hij zich af of ons leven echt niet meer is dan een pendule die heen en weer gaat tussen smart en verveling.

Katten inspireren soms tot filosofische gedachten. Zo heb ik gisteren mijn kat gewekt uit zijn lethargie en hem gevraagd of katten zich kunnen vervelen. De reactie was voorspelbaar: een klein kirrend geluidje en enig trouwhartig knipperen met de ogen. Als katten konden aangeven waarom ze zich nooit vervelen, zouden ze zich kunnen vervelen, en dat doen ze nu juist niet. Al overvalt me in Artis wel de twijfel: zo’n zielige tijger die urenlang op en neer loopt op zoek naar een uitweg uit zijn kooi, die moet toch zoiets voelen als verveling. Maar misschien is het ingehouden woede. Dan blijft mijn stelling overeind: katachtigen kunnen zich niet vervelen. Sterker nog: dieren kunnen het niet.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dat roept de vraag op: kan God zich vervelen? Ik ken geen theologen die zich die vraag hebben gesteld, al zou het best kunnen. Als kind vroeg ik me af of die eeuwige zaligheid op den duur niet zou gaan vervelen; toen ik jaren later bij Kant las dat Adam en Eva zich verveeld zouden hebben als ze niet uit het paradijs waren gejaagd, beaamde ik dat dan ook graag. Vandaar is het maar een kleine stap naar de vraag of de eeuwige God zich op den duur niet eindeloos verveelt. Of moeten we ons God voorstellen als een enorme poes die lekker ligt te genieten in de zon die hij zelf is? De Italiaanse econoom Ferdinando Galiani (1728-1787), een frivole Franciscaan die een graag geziene gast was in de Parijse salons en die bevriend was met Diderot, heeft de gedachte ontvouwd dat God de wereld heeft geschapen omdat hij zich verveelde (terwijl volgens Nietzsche God zich op de zevende dag verveelde: toen pas?). De manier waarop Homerus in de Ilias de goden schetst, past daarbij. Ze zitten zich daar op de Olympus overduidelijk te vervelen. Om zich wat afleiding te bezorgen, amuseren ze zich met de Trojaanse oorlog die zich daar beneden afspeelt. Als het rustig is op het slagveld, gaan ze onderling ruzie maken, ook weer bij gebrek aan een zinvolle tijdsbesteding.

Langeweile

Is verveling van alle tijden? Dat schijnt niet zo te zijn. Daarom onderscheidt Flaubert in Bouvard et Pécuchet de ‘gewone verveling’, waarvan je last hebt wanneer je staat te wachten op de trein, van de ‘moderne verveling’, die je confronteert met het vergeefse van alles wat je doet en met de overbodigheid van jezelf; Emma Bovary had duidelijk last van die moderne variant, ook wel existentiële verveling genoemd. Woorden als Langeweile, ennui en boredom hebben pas in de laatste eeuwen hun betekenis gekregen, zodat in de Middeleeuwen niet eens de vraag kon worden gesteld of God de wereld uit verveling heeft geschapen.

Ze kenden toen wel een verwant begrip, de akèdia, wat letterlijk ‘zorgeloosheid’ betekent; als je lijdt onder akèdia, is er niets wat ertoe doet en waaraan je je zorgzaam kunt wijden, je hebt niets omhanden en nergens zin in. Zulke gevoelens konden een keuterboer die in het zweet zijns aanschijns aan het ploeteren was, niet overvallen. Daarvoor moest je over veel vrije tijd beschikken, en dat deden de monniken. Akèdia was een van de grootste verzoekingen die een monnik kon treffen: hij was het beu daar in zijn kloostercel, de dagelijkse rituelen van het klooster kwamen hem de keel uit, en de gedachte aan God kon hem niet meer boeien. Altijd weer dezelfde psalmen reciteren en dezelfde zonden overwegen, daarvan werd je op den duur doodziek. Vooral na het middagmaal, wanneer de warmte van de mediterrane dag je overviel, kreeg je last van akèdia; menige boeteprediker zag dan ook in de ‘demon van de middag’ van psalm 91,6 een verwijzing daarnaar. Toch is deze akèdia niet helemaal gelijk aan onze verveling, en wel door de moraliserende strekking ervan. Akèdia werd als een zware zonde beschreven en bestreden, terwijl de huidige verveling eerder geldt als een psychische gesteltenis die natuurlijk onaangenaam is, maar waarover je je geen zware verwijten hoeft te maken. Iedereen verveelt zich wel eens, en wanneer je ervan af wilt, doe je dat niet omdat je dat gevoelen als moreel verwerpelijk beschouwt, maar als onaangenaam.

Biljartspel

Maar met deze laatste woorden stap ik te lichtvoetig heen over een zaak die menige filosoof zwaar heeft aangezet. Neem Blaise Pascal (1623-1662), die de verveling als een van de grootste rampen beschouwde die de mens kan treffen en misschien zelfs moet treffen. Voortdurend is ons zwoegen erop gericht om obstakels te overwinnen. Als we daarin slagen, blijven we ons kopzorgen maken over de obstakels die nog kunnen opdoemen. Hebben we ons daartegen redelijk ingedekt, dan genieten we niet van een welverdiende rust, maar steekt opeens een immense verveling haar giftige kop op. Die verveling confronteert ons zo met de volstrekte nietigheid en zinloosheid van ons zwoegen. Daaraan tracht de mens te ontkomen door verstrooiing te zoeken, door te jagen naar amusement. Dat kan allerlei vormen aannemen: biljartspel, het oplossen van een ingewikkeld algebraïsch raadsel, het trotseren van een groot gevaar. In die bezigheden zijn mensen overigens niet oprecht geïnteresseerd; ze willen alleen demonstreren dat ze er bedrevener in zijn dan anderen. Maar ook het streven om anderen te overtreffen, is ijdel. Als het succes heeft, als je alle anderen definitief hebt overtroffen, is verveling opnieuw je lot. Daarom zijn koningen, die aan de top staan van de maatschappelijke ladder en dus niets meer te wensen over hebben, bij uitstek beklagenswaardig. De koning wordt dan ook omringd door lieden die geen andere taak hebben dan te voorkomen dat hij gaat nadenken over zichzelf. Ze laten hem biljart spelen en danspassen uitvoeren om ervoor te zorgen dat de ledigheid van zijn bestaan niet tot hem doordringt. Verstrooiing is het enige wat de meeste mensen troost biedt in hun ellende, en tegelijk levert het alleen maar meer ellende op. Hoe valt daaraan te ontsnappen? Wanneer mensen ertoe in staat waren om rustig op hun kamer te zitten, zouden ze zich volgens Pascal nooit vervelen. Bij jezelf verwijlen is geen bron van verveling wanneer je geestesoog daarbij gericht is op God. Dat is het dan ook wat Pascal ons aanraadt.

In het vervolg van zijn Pensées, waarin Pascal nogal apologetisch te werk gaat en het Godsgeloof verdedigt tegen allerlei twijfels en aanvallen, komt nergens een gedachte voor die eigenlijk voor de hand ligt, wanneer je terugdenkt aan de akèdia van de middeleeuwse monniken. Als het Godsgeloof ons redt uit de miserie van de verveling, wat is dan het kwalitatieve verschil tussen deze vorm van verstrooiing (die er volgens Pascal geen is) en andere? Waarom zou de voortdurende herhaling van dezelfde religieuze woorden en rituelen je niet gaan vervelen? Ik vind het vreemd dat zulk een gedachte niet bij Pascal opkomt, en evenmin bij die andere auteur die de verveling met het Godsgeloof te lijf is gegaan, Kierkegaard (1813-1855). Wat bij deze de esthetische levenswijze heet, valt goed te plaatsen tegen de achtergrond van Pascals aan verveling onderhevige mens.

De religieuze levenswijze biedt ook hier een uitweg uit de wanhoop en de verveling. Waarom gaat religie niet vervelen?, zo luidt ook hier de objectie. Helemaal lastig zouden deze theologiserende filosofen het krijgen wanneer ze met Galiani zouden aannemen dat God de wereld in het algemeen en de mens in het bijzonder heeft geschapen om aan de verveling te ontsnappen. Dan is God niet de aangewezen figuur om de mens uit zijn verveling te redden, zou je denken. Pascal en Kierkegaard waren niet voldoende behept met de Galiaanse frivoliteit om zich met zulke onvrome gedachten te vermeien.
 
Dat verveling ons aller lot is en dat er geen ontsnappen aan is, wordt ons voorgehouden door een andere denker die zich met de verveling heeft beziggehouden en die daarbij iedere religieuze opening uit de weg gaat: Schopenhauer (1788-1860). Onze verlangens zijn volgens hem vergeefs. Ofwel ze worden niet bevredigd en vervullen ons dan met smart; ofwel ze worden wel bevredigd en doen ons dan verzinken in verveling. Hij vergelijkt ons leven met een pendule die heen en weer gaat tussen smart en verveling. Met de moed der wanhoop gaan mensen dus op zoek naar verstrooiing, zoals kaartspelen, volgens Schopenhauer het symbool van ons beklagenswaardige bestaan (zoals biljartspel het was voor Pascal): we beginnen telkens weer aan een nieuw spelletje patience om de tijd te doden en aan de verveling te ontkomen. Daarbij heeft Schopenhauer oog voor de etymologie van het Duitse woord voor verveling, Langeweile: in de verveling duurt de tijd eindeloos. (Dat is trouwens niet helemaal waar, zo lezen we bij Thomas Mann in Der Zauberberg. Als je je zit te vervelen, gaat de tijd inderdaad tergend langzaam. Maar als je vanuit de verveling van vandaag terugkijkt naar die van gisteren, van de vorige week, van het vorige jaar, is het net alsof de tijd steeds sneller gaat. Oude mensen maken volgens Douwe Draaisma weinig mee en vervelen zich daarom voortdurend. Maar naarmate ze ouder worden, lijkt de tijd steeds sneller te gaan.)

Is er dan geen ontsnappen aan de verveling? Schopenhauers schildering van ’s mensen lot, wellicht samen te vatten in een Wet van Behoud van Ellende (die maatschappelijke vooruitgang illusoir maakt en ieder politiek streven ijdel: je kiezers straffen je altijd af), is zeer vermakelijk, en ik ben ervan overtuigd dat het hem een immens plezier deed om de ellende van ons bestaan zo zwart mogelijk af te schilderen. Moeten we dan concluderen dat het uitwerken van een cynisch-vrolijke filosofie van de verveling de enige manier is om de tijd plezierig door te komen? Deze gedachte verdient nadere uitwerking.

Iets nieuws

In Lars Svendsens Filosofie van de verveling komt een typologie voor van de verveling, door hem ontleend aan Martin Doehlemann. Je hebt ten eerste de toestandsverveling, met als voorbeeld: op een trein staan wachten (te vergelijken met Flauberts gewone verveling). Je hebt ten tweede de verveling van de weerzin, wanneer het aanzien van alles je onverdraaglijk wordt. Ten derde is er de existentiële verveling, waarin je bestaan in zinloosheid verzinkt (te vergelijken met Flauberts moderne verveling, die mijns inziens alleen van de verveling van de weerzin te onderscheiden valt, wanneer deze je ertoe aanzet om dat vervelende uit de weg te ruimen, terwijl de existentiële verveling je verlamt). Er is ten vierde ook nog de creatieve verveling, die erop uit is iets nieuws tot stand te brengen. Svendsen geeft niet aan wat die creatieve verveling inhoudt, maar dat manco valt gemakkelijk op te vullen.

Creatieve verveling moet een kunstenaar of een schrijver voelen wanneer hij, het landschap van de kunst of de literatuur overziende, de ontboezeming slaakt dat er nodig iets nieuws moet gebeuren en dat hij daarvoor zal zorgen. Dat kan extreme vormen aannemen: het Laatste Boek willen schrijven, dat alle andere boeken overbodig maakt (Mallarmé), of een filosofisch systeem ontwerpen dat de geschiedenis van de filosofie afsluit (Hegel). Ook wanneer dit streven niet zulk een prometheïsche gestalte aanneemt, moet de kunstenaar zich vervelen bij de huidige stand van de kunst en de overtuiging hebben dat zij iedere levenskracht heeft verloren en dat er iets nieuws moet worden gewrocht, en wel hier en nu. Dit is geen toestandsverveling, want die wordt doorbroken door een van je eigen streven onafhankelijke gebeurtenis, zoals de aankomst van de trein; het is geen verveling van de weerzin, want zij leidt er niet toe de bestaande kunst teniet te doen; het is ook geen existentiële verveling, want die verlamt ieder streven; het is een vorm van verveling die je ertoe aanzet om iets ongeziens en ongehoords te presteren, en kan daarom inderdaad creatieve verveling heten. Deze creatieve verveling is heel iets anders dan de verveling van de consument die de tv-gids doorbladert en zich afvraagt of er vanavond nog iets leuks is op de buis, maar ook van de kunstminnaar die het museum binnengaat teneinde de laatste aanwinsten te gaan bewonderen; het is met die laatste aanwinsten zoals met de mode: er komt straks weer iets nieuws. De creatieve verveling wacht niet af wat voor nieuws er op haar af komt, maar manipuleert zelf de maatstaven van de vernieuwing.

Van hieruit kan opnieuw de vraag worden bezien of God de wereld uit verveling heeft geschapen. Zo ja, dan kan dat geen toestandsverveling geweest zijn, want in dat geval zou God passief hebben moeten afwachten wanneer er eens iets interessants voorviel, hetgeen in strijd is met zijn almacht. Het zal ook wel geen verveling van de weerzin zijn geweest, want dan had God de wereld geschapen op de wijze waarop Nero te werk ging: kijken naar de verwoesting die hij zelf heeft aangericht, uit protest tegen de zinloosheid van alle streven. Dit zou niet stroken met Gods goedheid. Het kan ook geen existentiële verveling geweest zijn, want die zou God totaal hebben verlamd, hetgeen weer strijdt met zijn almacht. Dus moet het creatieve verveling zijn geweest, hetgeen niet verrassend is bij de Schepper: ‘“Er moet licht zijn!” En er was licht. En God zag dat het licht goed was.’ (Hoe kon God, voordat het licht er was, beschikken over een concept van het licht? Dat is een verkeerde vraag. Bij dit scheppingsproces staat het benoemen van de zaak gelijk aan het creëren ervan; scheppen is ook het manipuleren van de criteria die iets maken tot wat het is. Fraai is het dat God vervolgens ‘zag’ dat het licht goed was. Dat doet denken aan de schilder die terugtreedt van het schilderij dat hij zojuist heeft gemaakt, of aan de moeder die tevreden kijkt naar het kind dat ze heeft gebaard.)
 
Een pijnlijke vraag kan ik niet uit de weg gaan: valt te voorkomen dat de creatieve verveling terugvalt in existentiële verveling? Een Picasso die voor de tiende keer een nieuwe schilderstijl uitvindt: bij de elfde keer gelooft hij het dan toch wel? En waarom zou de creatieve verveling niet leiden tot de verveling van de weerzin? Denk aan Kafka die wilde dat allerlei teksten van hem na zijn dood zouden worden vernietigd, hetgeen Max Brod gelukkig heeft nagelaten. En is er trouwens wel zo’n principieel verschil tussen creatieve verveling en alledaagse verveling? Kijk naar Marcel in À la recherche du temps perdu die, wanneer het schrijven hem weer eens tegenstaat, zichzelf troost met de gedachte dat meesterwerken soms misschien met veel gegaap zijn vervaardigd, hetgeen doet denken aan alledaagse verveling. (En wanneer het hem eens lukt om een landschap te beschrijven, voelt hij zich als een kip die een ei heeft gelegd en daarom het hoogste lied begint te zingen. Kippen zijn niet zo creatief en vallen een beetje in herhaling met hun eeuwige eieren.) Daarbij komt dat er geen kunstenaars zijn zonder een kunstminnend publiek, hetgeen het elitaire onderscheid tussen creatieve verveling en alledaagse verveling op losse schroeven zet.

In ieder mensenleven kan het pijnlijke inzicht doorbreken dat er echt niets nieuws is onder de zon. Maar dan wordt het tijd om het estafettestokje door te geven aan de volgende generatie, die tintelt van creatieve verbeelding. Gelukkig is er geen God en zijn ook wij niet onsterfelijk.

Het ontwerpen van een filosofie van de verveling is al met al niet de enige uitweg uit de verveling. Al is het wel een esthetisch fraaie manier, door de circulariteit van de onderneming. Een ander voorbeeld hiervan vormt het openingsgedicht van Les fleurs du mal van Baudelaire (1821-1867), dat de verveling beschrijft als de meest infame van onze ondeugden. Onnodig te vermelden dat bij Baudelaire het opsmukken van die ondeugd (het schikken van een bloem van het kwaad) voortkomt uit een creatieve verveling, die bij hem trouwens samengaat met de vernietigingsfantasieën van de verveling van de weerzin. Aan existentiële verveling leed de man niet toen hij dat gedicht schreef. Ik wil besluiten met de twee laatste strofen van die eerste bloem van het kwaad. Als diverse ondeugden zijn genoemd, staat er:
 
Il en est un plus laid, plus méchant, plus immonde!
Quoiqu’il ne pousse ni grands gestes ni grands cris,
Il ferait volontiers de la terre un débris
Et dans un bâillement avalerait le monde;
 
C’est l’Ennui ! —l’œil chargé d’un pleur involontaire,
Il rêve d’échafauds en fumant son houka*.
Tu le connais, lecteur, ce monstre délicat,
—Hypocrite lecteur, —mon semblable, —mon frère !
 
* een soort van Turkse pijp
 
Frans Jacobs is hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen (Universiteit van Amsterdam). Hij schrijft veel over ethiek en emoties.