Home De scherpe tong van Voltaire

De scherpe tong van Voltaire

Door Marco Kamphuis op 19 maart 2013

02-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
‘Als vrije mensen gaan de Engelsen naar de hemel langs de weg die hun het meest bevalt.’ Voltaire houdt een lofrede op Engeland, waarheen hij is gevlucht na een ruzie in Frankrijk.
 
François-Marie Arouet (1694-1778), beter bekend als Voltaire, had een scherpe tong, die hem beroemd maakte in de Parijse salons, maar ook dikwijls in problemen bracht. In 1726 beledigde hij een hoge edelman, die vervolgens een paar schurken inhuurde om de schrijver ‘s nachts in een hinderlaag te lokken en af te ranselen. Toen Voltaire om genoegdoening te krijgen de edelman tot een duel uitdaagde, maakte deze gebruik van zijn uitstekende contacten en liet zijn tegenstander door de politie oppakken: Voltaire belandde – niet voor het eerst – in de Bastille. Hij bood aan naar Engeland uit te wijken, en werd op die voorwaarde vrijgelaten.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Verblinding

Als onvermoeibaar genie beheerste Voltaire binnen enkele maanden de Engelse taal. Hij ontmoette vooraanstaande schrijvers als Swift, Pope en Young en nam kennis van de ideeën van Locke en Newton.
In deze tijd was Engeland een veel moderner land dan Frankrijk. De macht van de koning werd beteugeld door het parlement, en de burgerij werd gerespecteerd – anders dan in Frankrijk, waar een gereputeerd schrijver en zoon van een notaris machteloos stond tegen de toorn van een edelman. Behalve politieke was er ook geestelijke vrijheid: Engelse schrijvers waren niet aan censuur onderworpen. Op religieus gebied was men toleranter; er was plaats voor allerlei geloofsopvattingen naast elkaar, terwijl in Frankrijk protestanten en katholieken elkaar nog altijd het licht niet in de ogen gunden. Door handel te drijven was de Engelse natie tot welvaart gekomen, en ze beschikte over de grootste vloot ter wereld. In Voltaires ogen was in Engeland eigenlijk alles beter dan in zijn vaderland.

De filosofie (die in die tijd ook de exacte wetenschappen omvatte) werd in Engeland gedomineerd door het empirisme. Filosofen als Bacon, Locke, Ockham en Hobbes wezen alle speculatie af en wilden kennis uitsluitend op de ervaring grondvesten. Locke, de eerste Verlichtingsfilosoof, verklaarde dat de mens zijn verstand moest gebruiken, in plaats van uit te gaan van absolute waarheden a priori. Hobbes definieerde de filosofie als kennis van de werkingen uit de oorzaken en van de oorzaken uit de waargenomen werkingen. Dat was heel iets anders dan het Franse rationalisme van Descartes, de man die, ondanks zijn beroemde twijfel, een welomschreven Godsbegrip als uitgangspunt had genomen en vervolgens een compleet wereldbeeld in elkaar had getimmerd. (‘Onze Descartes,’ schrijft Voltaire, ‘ter wereld gekomen om de dwalingen van de Oudheid aan het licht te brengen maar ook om er zijn eigen dwalingen voor in de plaats te zetten, meegesleept door de drang naar systematiek die de grootsten verblindt.’)
 

O Engeland!

In 1728 keerde Voltaire terug naar Frankrijk. Hij besloot een verhandeling over Engeland te schrijven in de vorm van gefingeerde brieven. Misschien werd hij bij het kiezen van deze vorm geïnspireerd door het succes van Perzische brieven, de zeven jaar eerder verschenen satire van die andere schrijver die de Engelse ideeën naar Frankrijk bracht, Montesquieu. Voltaires Filosofische brieven zijn een lofzang op Engeland, met de bedoeling kritiek te leveren op de situatie in het vaderland.

Hij is vol bewondering voor de godsdienstvrijheid: ‘Als vrije mensen gaan de Engelsen naar de hemel langs de weg die hun het meest bevalt.’ Zijn conclusie over de religie in Engeland luidt: ‘Als er in Engeland maar één geloof was, dan zou gevreesd moeten worden voor tirannie; waren het er twee, dan zouden die elkaar de strot afsnijden. Maar er zijn er dertig, die vreedzaam en gelukkig samenleven.’ Daarbij dient wel te worden aangetekend dat Voltaire de harmonie in Engeland schromelijk overdreef; het zou uiteraard weinig pragmatisch zijn geweest om het ideaal dat hij de Fransen wilde voorhouden bij voorbaat af te zwakken door al te grote realiteitszin.

Hij beschrijft de werking van het Hogerhuis en het Lagerhuis: ‘Het Engelse volk is het enige ter wereld dat erin geslaagd is de macht van de koningen in te perken door zich tegen hen te verzetten en dat uiteindelijk, na een reeks van inspanningen, een verstandige bestuursvorm tot stand heeft weten te brengen, waarin de vorst alle macht heeft om het goede te doen maar beperkt is in zijn mogelijkheden tot het kwade, waarin de heren hoog zijn maar niet aanmatigend, en waarin het volk op een duidelijke manier deelneemt aan de regering.’
Ten aanzien van de Engelse literatuur is Voltaire kritisch. Shakespeare ‘was begiftigd met een krachtig en vruchtbaar talent […] maar het ontbrak hem aan ieder vonkje goede smaak en aan ook maar enige kennis van de regels. Ik ga nu iets zeggen dat gedurfd is, maar waar: de grote verdiensten van deze schrijver hebben het Engelse toneel te gronde gericht.’

Bij de behandeling van de Engelse filosofie keert zijn enthousiasme echter onmiddellijk terug. Hij roemt Bacon als de vader van de experimentele filosofie. Natuurkundige ontdekkingen en uitvindingen, waarvan hij overigens opmerkt dat ze vaak door louter toeval tot stand komen, acht hij voor de mensheid van meer nut dan spitsvondige redeneringen die een alomvattende visie kloppend moeten maken. Van Newton is hij diep onder de indruk, en hij probeert een overzicht van diens baanbrekende theorieën te geven (‘Ik ga u nu een uiteenzetting geven van het weinige dat ik van al die sublieme ideeën in staat ben geweest te vatten’).
 
De vijfentwintigste en laatste brief valt buiten het Engelse kader. Deze is gewijd aan het werk van Pascal, en toont Voltaire andermaal als eigenwijs denker, wars van overbodige hersenspinsels; onder het uiten van plichtplegingen aan het adres van het ‘grote genie’ zet hij diens Gedachten onbekommerd bij het vuilnis. Pascal was diep religieus, en doordrongen van de zondigheid en nietigheid van de mens. Tegenover diens pessimisme en soms onbegrijpelijke metafysica stelt Voltaire zijn eigen godsdienstopvatting: ‘Het christendom leert ons niets anders dan eenvoud, menselijkheid, naastenliefde.’ Voltaire was namelijk allerminst een atheïst; hij bestreed fanatisme en onverdraagzaamheid, en de Kerk als machtsinstituut, maar zag beslist heil in een op de rede gegronde godsdienst.
 

Het gevolg van het succes van Filosofische brieven was dat Voltaire moest vluchten om niet opnieuw in de Bastille te belanden. Vluchten, verbannen worden, dat was de tol die hij als kritisch denker in een door vorsten geregeerd Europa nog vaker zou moeten betalen. Een lang, werkzaam leven bracht hem niettemin roem, onder andere als schrijver van Candide, de nog altijd veelgelezen filosofische avonturenroman over een naïeve jongeman, en als medewerker van de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert. Hij stierf in 1778, elf jaar voor het uitbreken van de Franse Revolutie.
Wie nu Filosofische brieven leest, ziet Voltaires status moeiteloos bevestigd. En welke lezer zou daarbij geen sympathie opbrengen voor deze opgeruimde geest? Los van zijn verdiensten voor de filosofie en zijn rol op het wereldtoneel, is hij – door zijn befaamde ironie en aanstekelijk enthousiasme – een springlevend auteur.
 
Filosofische brieven, door Voltaire, vert. Jeanne Holierhoek, uitg. Wereldbibliotheek 2004, 288 blz.