Ik spaar gedichten over stenen. Veel stelt dat niet voor, ik verzamel ze zoals ik stenen zelf verzamel. Sporadisch vind ik een bijzonder exemplaar dat ik dan fotografeer of in mijn tasje stop. Een weinig later kom ik het weer tegen.
Waarom gedichten over stenen en niet over bomen, oorlog of liefde? Het grappige is dat steengedichten vaak liefdesgedichten zijn, of in elk geval een eerbetoon aan het object in kwestie. Een steentje is/ een volmaakt wezen (Herbert). Zo’n lofzang heeft iets tevergeefs. De steen blijft ondoordringbaar, de liefde onbeantwoord. Het steentje komt van ver, in plaats en tijd – het heeft aan zichzelf genoeg.
De mens heeft nooit aan zichzelf genoeg. Die heeft iets nodig, al was het maar een steen, om zich mee te verbinden en om door gezien te worden. De steen daagt het woelige gemoed van de dichter uit. Is het omdat de steen, hard en grijs als hij is, zich leent voor projecties? Omdat hij symbool is van onzegbaarheid? Ongetwijfeld. Maar het steentje is ook een vriend. Omdat de steen zwijgt, kan de dichter zich uitspreken. Omdat de een aanwezig is, wordt de ander gehoord. Do stones feel, vraagt Mary Oliver. De vraag alleen is al genoeg om door overmand te raken.
