Home De eeuwige beginner

De eeuwige beginner

De geschiedenis van de filosofie kenmerkt zich door twijfel en onenigheid. Hoog tijd om daar een einde aan te maken, meende de Duitse filosoof en wiskundige Edmund Husserl. Hij vond in de fenomenen een fundament voor de filosofie.

Door Tim Miechels op 24 september 2021

Edmund Husserl filosoof illustratie beeld Hajo de Reijger
Cover van 10-2021
10-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Is filosofie een wetenschap? Sommige filosofen menen van wel. Critici stellen dat filosofie door een gebrek aan exactheid dichter in de buurt ligt van kunst of poëzie. Want als filosofie al een wetenschap zou zijn, wat voor wetenschap dan? Valt ze onder de natuurwetenschappen, de mens­wetenschappen of vormt ze een aparte categorie?

Voor de Duitse filosoof Edmund Husserl is het duidelijk: filosofie is een wetenschap. Of althans, dat zou filosofie moeten zijn: de oerwetenschap die aan alle andere wetenschappen hun grond en legitimiteit verleent. Maar in de geschiedenis van haar bestaan heeft ze die belofte nooit volledig kunnen inlossen. Zijn hele carrière wijdde Husserl zich daarom aan de opgave om filosofie eindelijk te verheffen tot een echte, strenge wetenschap.

Rekenen en redeneren

Edmund Gustav Albrecht Husserl wordt geboren op 8 april 1859 in een Joods gezin in Prossnitz, een stad in het huidige Tsjechië. Op 17-jarige leeftijd begint hij aan een studie wis-, natuur- en sterrenkunde, eerst in Leipzig en later in Berlijn. Tijdens zijn studie volgt hij ook zo nu en dan een college filosofie, maar van liefde op het eerste gezicht is bepaald geen sprake. De jonge Husserl is geïnteresseerd in wetenschap. Het vage gebazel van de altijd maar twijfelende filosofen heeft zijns inziens niets met wetenschap te maken.

Zijn houding verandert wanneer hij in 1884 uit nieuwsgierigheid enkele colleges filosofie volgt bij Franz Brentano in Wenen. Brentano streeft ernaar om van filosofie een echte wetenschap te maken en Husserl wordt direct gegrepen door dit project. Om een wetenschap te worden moet filosofie volgens Brentano terug naar haar antieke wortels, naar het adagium ‘Ken uzelve’. Filosofie moet weer radicale zelfbezinning worden.

Husserl wilde filosofie verheffen tot een echte wetenschap

In 1900 en 1901 verschijnen de twee banden van Husserls eerste invloedrijke filosofische werk: de Logische Untersuchungen. In dit werk combineert Husserl zijn interesse in wiskunde met de filosofische invalshoek van Brentano. Hij vraagt zich af wat er precies gebeurt in ons bewustzijn wanneer we rekenen of redeneren.

In zijn analyse verzet hij zich tegen het psychologisme, het idee dat alles wat we denken afhankelijk is van de structuur van ons bewustzijn. Volgens de psychologist is de waarheid van de rekensom 1+1=2 afhankelijk van de structuur van ons bewustzijn. Als ons bewustzijn anders in elkaar zat, was 1+1 misschien wel 3. Hetzelfde geldt voor logische grondbeginselen. Volgens de psychologist zijn de uitspraken van de logica en de wiskunde aan ons bewustzijn gebonden, voor aliens met een ander soort bewustzijn zijn ze niet geldig, en als ons bewustzijn over honderd jaar veranderd is, gelden ze tegen die tijd niet meer. Als de psychologist het bij het rechte eind heeft, verliezen logica en wiskunde hun universele geldigheid. Het gevolg is een radicaal relativisme. Husserl werpt tegen: waarom moeten we de psychologist dan geloven? Maakt hij niet zelf gebruik van logische redeneerstappen om tot deze conclusie te komen? Voor zover de psychologist beweert geldige uitspraken te doen, ondergraaft hij zichzelf.

De zaken zelf

In de jaren na de Logische Untersuchungen verschuift Husserls interesse steeds meer van wiskunde en logica naar filosofische problemen. Hij werkt in die tijd aan een methode die van filosofie eens en voor altijd een echte strenge wetenschap moet maken. Volgens Husserl is het de hoogste tijd dat filosofen ophouden met alle onenigheid. Hij wil een absoluut fundament vinden waar alle filosofen op voort kunnen bouwen.

De methode die Husserl ontwikkelt noemt hij fenomenologie. Na tien jaar ploeteren zet hij de grondslagen van deze methode uiteen in Philosophie als strenge Wissenschaft (1911) en Ideen (1913). De slogan van de fenomenologie is: terug naar de zaken zelf. De zaken zelf zijn de dingen zoals ze verschijnen aan mijn bewustzijn: de fenomenen. We moeten ons volgens Husserl losmaken van alle vooroordelen en vooraf gegeven theoretische constructies. We moeten alle mogelijke theoretische brillen afzetten en gewoon eens kijken naar wat er zoal aan ons bewustzijn verschijnt.

Om op die manier te kunnen kijken moeten we breken met wat Husserl de natuurlijke instelling noemt. Dat is onze alledaagse houding, waarin we er simpelweg van uitgaan dat de dingen die we waarnemen ook daadwerkelijk bestaan. Toen ik zojuist op mijn stoel ging zitten twijfelde ik bijvoorbeeld geen seconde aan het bestaan ervan.

Dat is een prima houding voor ons alledaagse bestaan, maar geen goed begin voor de wetenschap, aldus Husserl. In de natuurlijke instelling accepteren we immers op naïeve wijze dat de wereld om ons heen echt bestaat. Als filosofie aanspraak wil maken op de titel strenge wetenschap, kan ze natuurlijk niet op naïeve wijze te werk gaan. We hebben geen sluitend bewijs voor het bestaan van een wereld buiten ons bewustzijn en dus mogen we er in ons filosofisch onderzoek niet zo maar van uitgaan dat ze bestaat. De eerste en belangrijkste stap in het fenomenologisch onderzoek is daarom volgens Husserl het opschorten van ons oordeel over de buitenwereld: de epoché.

Husserl ontleent de term aan de hellenistische filosoof Sextus Empiricus. Bij Sextus Empiricus had de term nog een expliciet sceptische betekenis. Volgens de Griekse denker moeten we al onze kennisoordelen opschorten omdat we niets zeker kunnen weten. Bij Husserl krijgt ‘epoché’ een andere betekenis. Husserl wil vooral laten zien dat onze alledaagse aanname dat de wereld buiten ons bestaat precies dat is: een aanname. Als we streng wetenschappelijke filosofie willen bedrijven, moeten we ons op vaste grond begeven. We kunnen alleen uitgaan van wat volstrekt evident is, en daarom moeten we om te beginnen al onze aannames tussen haakjes zetten, dus ook ons geloof in het bestaan van een wereld buiten ons bewustzijn.

Zuivere fenomenen

Wat we overhouden na de epoché is het gezuiverde fenomeen. Als ik naar een koffiekopje kijk, plaats ik het daadwerkelijke bestaan van dat kopje buiten mij tussen haakjes. Waar ik me op richt, wat onbetwijfelbaar en evident gegeven is, is mijn waarneming van dat kopje. Dit doet denken aan het twijfelexperiment van René Descartes, een belangrijke inspiratiebron voor Husserl. Waar Descartes echter uit het feit dat hij denkt concludeert dat hij zelf bestaat, is dat voor Husserl nog een te snelle redeneerstap.

Wat voor Husserl ontwijfelbaar is in elke waarneming, gedachte of herinnering, is de inhoud ervan. Als ik kijk naar een koffiekopje kan ik betwijfelen of dat koffiekopje ook echt bestaat, maar ik kan niet betwijfelen dat dat koffiekopje op dat moment verschijnt aan mijn bewustzijn. Ook als mijn waar­neming achteraf feitelijk een droombeeld of hallucinatie blijkt te zijn, maakt dat de verschijning van het kopje aan mijn bewustzijn op dat moment niet minder evident.

Ongemerkt brengen wij veel structuur aan in onze waarnemingen

In zijn analyse van de zaken die zich voordoen aan ons bewustzijn komt Husserl tot de conclusie dat wij ongemerkt veel structuur aanbrengen in onze waarnemingen. Wanneer ik vanuit een bepaald gezichtspunt naar een boom kijk, zie ik strikt genomen altijd maar de helft van de boom: de voorkant. Toch denk ik nooit: goh wat gek, een halve boom. Mijn bewustzijn vult automatisch aan wat ik niet direct zie. Daarnaast structureert ons bewustzijn de wereld altijd in voor- en achtergrond. Voor wie geen kleine kinderen heeft, blijven speeltuinen en verschoontafels op openbare toiletten op de achtergrond van de waarneming, terwijl dergelijke zaken voor jonge ouders direct op de voorgrond treden.

De droom is uitgedroomd

Zijn nieuwe filosofische methode blijkt een grote inspiratiebron voor latere denkers. Vooral nadat Husserl in 1916 hoogleraar is geworden in Freiburg, gaat het hard met zijn faam. Het lijstje filosofische bewonderaars wordt langer en langer, en bestaat onder meer uit Max Scheler, Edith Stein, Jean-Paul Sartre, Emmanuel Levinas en Jacques Derrida.

Zijn belangrijkste en meest invloedrijke leerling is Martin Heidegger. Heidegger is in eerste instantie gebiologeerd door het denken van Husserl en wordt vanaf 1920 diens assistent in Freiburg. In de jaren daarna verzuurt de relatie tussen leerling en leermeester. Dat heeft in de eerste plaats te maken met Heideggers fascinatie met – en latere lidmaatschap van – de NSDAP. Maar ook filosofisch scheiden de wegen van de twee denkers zich in de loop van de jaren twintig. Heidegger laat Husserls project van filosofie een strenge wetenschap te maken los en begeeft zich volgens Husserl op een gevaarlijke, relativistische weg. Andersom verwijt Heidegger zijn leermeester een kortzichtig dogmatisme.

Gedurende zijn leven blijft Husserl worstelen met zijn project om van filosofie een strenge wetenschap te maken. In elk boek en elke collegereeks begint hij weer van voor af aan met het project, dat in zijn eigen ogen nooit helemaal slaagt. Aan het eind van zijn leven heeft hij het gevoel dat hij gefaald heeft, en omdat geen van zijn leerlingen erin slaagt het stokje van hem over te nemen schrijft hij erover: ‘Filosofie als wetenschap, de droom is uitgedroomd.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.