Home Het gedachte-experiment (2): Het twijfelexperiment

Het gedachte-experiment (2): Het twijfelexperiment

Door Jeroen van Putten op 14 november 2012

05-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Bij het woord 'experiment' denk je aan erlenmeyers, veiligheidsbrillen en proefkonijnen. Maar voor het gedach­te-experiment heb je niet meer dan je gezond verstand nodig. Een serie over geruchtmakende hersenbrekers. Deze keer: René Gude over het twijfelexperiment.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Stel je voor dat alles wat je niet voor honderd pro­cent zeker weet onwaar is. Trek al je kennis, maar dan ook echt al je kennis, radicaal in twijfel. Niets is meer waar, tenzij het letterlijk onbetwijfelbaar blijkt. En haak vooral niet te snel af, want alles moet weg. 'Doe dit experiment wel op een moment dat het dagelijks verkeer met anderen en het omgaan met de wereld niet te veel van je eisen', waarschuwt René Gude, voormalig hoofdredacteur van Filosofie Magazine en inleider van de onlangs vertaalde brieven van Descartes aan Elisabeth van de Palts. 'Je komt namelijk in een erg onalle­daagse situatie terecht, want je mag zelfs tijdelijk niet meer geloven dat je eigen moeder echt bestaat. Zoek dus een rustig plekje waar geen vrienden langskomen en waar je niet wordt gebeld. Zorg dat je niet naar je werk hoeft. Het dage­lijkse leven moet echt een constante zijn. Ga bijvoorbeeld een weekje in CenterParcs zitten.'

Vallen en opstaan

Het twijfelproject is in de zeventiende eeuw bedacht door de Franse denker René Descartes. De inzet van zijn ge­dachte-experiment is de mogelijkheid om kennis over de wereld te verwerven en die te verbeteren. Gude: 'We ontwikkelen weten­schappelijke methoden om steeds betere kennis te verwer­ven. Dat doen we allemaal met de impliciete aanname dat dat überhaupt mogelijk is.'

De gevolgen van Descartes' twijfelexperiment kunnen zeer in­grijpend zijn. 'Als blijkt dat het onmogelijk is om met een wetenschappelijke aanpak op zekerheid te stuiten, dan kun je jezelf in de rest van je leven ongelooflijk veel moeite bespa­ren. Dan kunnen we met onze rugzak vol waarschijnlijkheden vrolijk blijven vallen en opstaan.', legt René Gude uit. Immers, als al onze kennis zich met succes laat betwijfelen, dan loert de totale vertwijfeling. Meer dan de ene onzekerheid inruilen voor de andere kunnen we dan niet doen. Het ideaal van vooruitgang kunnen we dan wel bij het grof vuil zetten.

Laten we niet op de zaak vooruit lopen. Hoe gaat Des­cartes te werk? Zijn tactiek is: draai de dagelijkse gang van zaken om. Gude: 'Je kennis in het dagelijks leven is een amalgaam van opinies. Je hebt het een en ander van je ouders meegekregen en je hebt op school veel geleerd. Je leest de krant en je kijkt televisie. Met die opinies ga je gewoonlijk op de volgende manier om: je doet een gok over hoe de wereld in elkaar zit. Vervolgens ga je dat uitproberen – je neemt aan dat je gegokte kennis waar is – en dan laat de wereld jou wel merken of dat terecht is. Dus je krijgt een klap op je bek of het gaat goed. Het dagelijks leven is een opeenvolging van vallen en op­staan.' In Descartes' twijfelexperiment doe je precies het omgekeerde: al je verzinsels en opinies zijn onwaar, tenzij ze zich met geen mogelijkheid laten betwijfe­len.
 
Het lijkt waarschijnlijk nog steeds een onmogelijke opgave, want je hebt bijzonder veel kennis om in twijfel trekken. 'Je kan het beste de fundamenten van onze kennis aanpakken, want als je ieder idee dat in je opkomt afzonder­lijk te grazen neemt, dan ben je niet met een weekje klaar', adviseert Gude. 'Descartes richt zich daarom meteen op de bron van al onze kennis: de zintuigen. Als hij die verdacht kan maken, dan klapt een ongelooflijke hoeveel­heid opinies in een keer in elkaar.'

Om de betrouwbaarheid van onze waarneming in diskrediet te brengen, introduceert Descar­tes de mogelijkheid dat een boze demon ons systematisch voor de gek houdt. Stel je voor dat al de informatie die je zintui­gen je verschaffen je wordt opgedrongen door die boze demon. 'De hemel, de aarde, kleuren, figuren, geluiden en alle andere externe dingen zijn niets dan de illusies en dromen die deze boze demon aanwendt om jou met je goedgelovigheid in de val te lokken', aldus Descartes. Om de nachtmerrie compleet te maken: dat betekent ook dat je lichaam niet bestaat. Gude: 'Het lijkt misschien erg overdreven om je zoiets voor te stellen, maar kun je bewijzen dat die boze demon niet bestaat? Zo niet, dan mag je je zintuigen niet langer vertrouwen, want je had je voorgeno­men om alle dingen die onzeker zijn te behandelen alsof ze onwaar zijn.' Met de introductie van de boze demon lijkt de bodem van ons bestaan te zijn ingeslagen. Blijft er überhaupt nog wel kennis over? 'Ja, want die boze demon houdt toch in ieder geval mij voor de gek. Zolang ik bedrogen word, zolang ik twijfel – kortom, zolang ik denk – hebben we in ieder geval het idee “ik” nog. Op dat punt schiet mijn twijfel tekort', legt Gude uit. En dan kan Descartes de uit­spraak doen die hem zo beroemd gemaakt heeft: 'cogito ergo sum', oftewel 'ik denk, dus ik ben.' Het fenomeen 'denken' staat vast.
 

'Mentaals'

Met het 'cogito' hebben we ons eerste stukje zekerheid gevonden. De vraag is nu: is daar meer van? Volgens Descartes heeft het cogito ons twee criteria opgeleverd. Gude: 'Het cogito is heel helder – het is zo evident als de pest. En het is welonderscheiden: het is geen samenstelling van allerlei andere ideeën.' We moeten daarom op zoek naar meer ideeën die helder en welonderscheiden zijn. Natuurlijk willen we maar al te graag het bestaan van de wereld buiten ons in ere herstel­len. Om dat te kunnen doen moeten we een helder en welonder­scheiden idee in de materiële dingen zien te vinden. Descartes vindt dat idee in de eigenschappen lengte, breedte en hoogte – ofwel ruimtelijkheid. 'Of je nou droomt dat je een tafel ziet of echt voor die tafel staat – dat ding heeft in je voorstel­ling altijd lengte, breedte en hoogte', illustreert Gude. Wanneer er ruimtelijkheid is, is er dus een buitenwereld. Met deze stap heeft Descartes de wetenschap in ere hersteld. René Gude wijst er evenwel op dat hij ons met een strikte tweede­ling heeft opgescheept. 'Je moet een stuk voorzichtiger zijn dan voorheen. Als je je op de ruimtelijke wereld werpt, dan is de wiskunde de taal die je spreekt. Als je het over de denken­de dingen hebt, dan beperk je je tot de terminologie die daarbij hoort – laten we het “mentaals” noemen – en dat is het terrein van de geesteswetenschappen.'

'Een prachtig schema', vindt Gude. 'Maar er is één klein pro­bleem: de mens. Wij zijn één ding met twee eigenschappen. Enerzijds hebben wij ruimtelijkheid – ons lichaam heeft leng­te, breedte en hoogte. Anderzijds zijn wij nu juist die rak­kers die dat denkexperiment hebben gedaan.' Maar we ervaren onszelf als een intieme eenheid van lichaam en geest. Descar­tes heeft vaak het verwijt gekregen dat hij die eenheid heeft opgeofferd. Gude vindt dat we dan te veel verwachten. 'Je kunt veel over het lichaam of de geest zeggen, zolang je je maar in de juiste taal uitdrukt. Natuurlijk is er een wisselwerking tussen lichaam en geest, maar over die wissel­werking zelf kan je nooit iets wetenschappelijk zeggen. Des­cartes gaf er de voorkeur aan om die steeds bij ieder mens afzonderlijk vast te stellen.'