Home Vier filosofen over kijken

Vier filosofen over kijken

Vier filosofen over de rol die kijken speelt bij kennis vergaren.

Door Femke van Hout op 06 mei 2022

Vier filosofen over kijken
Cover van 05-2022
05-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Weten is zien – Plato (ca. 427-347 v.Chr.)

Als je ’s nachts door het bos rijdt, kun je midden op de weg verrast worden door een dier, dat op zijn beurt verrast wordt door de koplampen van de auto. Het dier kijkt je aan, zijn ogen schitteren helder. Je weet dat die ogen het licht van de koplampen slechts reflecteren, maar toch lijken ze licht te geven.

De oude Grieken merkten dit ‘licht’ in de ogen van dieren en mensen al op. Plato stelt dat de ogen een zacht ‘visueel vuur’ uitstralen, dat samen met het omgevingslicht de objecten om ons heen zichtbaar maakt. Voor Plato zijn de ogen dus een soort schijnwerpers.

Toch laten onze ogen ons volgens Plato niet zien hoe de wereld écht in elkaar zit. In zijn boek De republiek (ca. 375 v.Chr.) vergelijkt hij mensen met gevangenen in een donkere grot. We denken dat we de echte wereld zien, maar in werkelijkheid zijn dat slechts schaduwen op de muur. Om de waarheid te kennen moeten we ons losmaken van onze zintuigen en ons naar binnen richten. Volgens Plato weet onze ziel namelijk al wat de ware essentie van de dingen is, maar zijn we dit vergeten.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Toch heeft het zicht onder de zintuigen voor Plato een unieke status. Hij gebruikt zien als metafoor voor ware kennis opdoen: het woord dat hij voor ‘essentie’ gebruikt – eidos – betekent letterlijk ‘iets wat gezien wordt’. Door ons los te maken van onze zintuigen en ons te richten op de kennis in onze ziel bevrijden we onszelf uit de grot en kijken we in het licht van de zon – Plato’s metafoor voor de waarheid. Dan ‘zien’ we volgens Plato wat onze ziel al die tijd al wist.

Het zicht gebruiken we nog steeds als metafoor voor kennis vergaren: we hebben het nog altijd over ‘het licht zien’.

Onze ogen zijn passieve machientjes – John Locke (1632-1704)

Eerst zien, dan geloven, zei John Locke. In tegenstelling tot Plato stelde deze Engelse denker dat wij mensen de wereld niet al van tevoren kennen. Volgens Locke is onze kennis voornamelijk gebaseerd op observatie. In zijn Essay Concerning Human Understanding (1689) vergelijkt hij het menselijk verstand met een tabula rasa, een onbeschreven blad. Er wordt pas iets op dat blad geschreven – oftewel: we komen pas iets te weten – als we onze omgeving observeren. Met dit idee behoort Locke tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het empirisme, een filosofische stroming die stelt dat onze kennis van de wereld voortkomt uit ervaringen van die wereld.

Lockes ideeën over het menselijk gezichtsvermogen zijn sterk beïnvloed door de opkomst van de anatomische wetenschappen. In navolging van Leonardo da Vinci (1452-1519), die ogen opensneed om te ontdekken hoe ze werken, stelde Locke dat het menselijk gezichtsvermogen functioneert als een camera obscura. Onze geest, schrijft hij, is als een donkere kamer, afgesloten van de wereld. In een van de wanden zit een minuscule opening. Het licht dat daardoor naar binnen valt werpt een afbeelding van de buitenwereld op de tegenoverliggende wand. Voor Locke zijn de ogen dus geen actieve schijnwerpers; het zijn passieve machientjes die licht binnenlaten en zo de werkelijkheid waarnemen. Locke is een realist; volgens hem vormen onze visuele impressies een realistische representatie van de werkelijkheid.

Locke wordt beschouwd als een van de grondleggers van de moderne wetenschap. Metafysische principes, zoals de wet van oorzaak en gevolg, leiden we volgens hem af uit onze observaties van de wereld. Waarschijnlijk kloppen deze principes, al weten we dat nooit helemaal zeker. Net als moderne wetenschappers vond Locke dat onze kennis over de wereld nooit definitief is. Een nieuwe observatie kan ons wereldbeeld altijd weer op z’n kop zetten.

Wie kijkt zonder te denken is blind – Immanuel Kant (1724-1804)

Denken zonder ervaring is leeg, ervaring zonder denken is blind,’ schrijft de Duitse filosoof Immanuel Kant. Volgens hem kunnen we de wereld enkel waarnemen vanuit bepaalde aangeboren kennisstructuren. Als we naar de wereld kijken ordenen we die altijd in termen van tijd en ruimte, daar ontkomen we niet aan. Elke observatie vindt ergens (ruimte) en ooit (tijd) plaats. Vervolgens, stelt Kant, deelt ons verstand deze observaties in aan de hand van bepaalde categorieën die verankerd zijn in het menselijk denken, zoals causaliteit en kwantiteit.

Dit betekent dat we niet zomaar alles observeren wat er te zien valt; dat zou resulteren in een totale chaos in ons hoofd. Onze waarneming en ons verstand filteren en ordenen wat we zien, zodat er een samenhangend geheel ontstaat.

Kants ideeën veroorzaakten een revolutie in de filosofie. In tegenstelling tot Locke stelt hij dat ons verstand niet gevormd wordt door onze waarneming; onze waarneming wordt juist gevormd door ons verstand. Als we om ons heen zouden kijken zonder de vooraf ingegeven categorieën van ons verstand zouden we volgens Kant gelijk aan een blinde zijn, en niets zien. Tegelijkertijd benadrukt hij dat denken zonder ervaring ‘leeg’ is. We moeten wel om ons heen blijven kijken om iets over de wereld te weten, anders worden we naar binnen gerichte fantasten.

Kant kwam met een radicaal nieuwe theorie over wat er gebeurt als we iets moois zien. Als we een schilderij mooi vinden, komt dat volgens hem niet door de schoonheid van het kunstwerk zelf. De esthetische ervaring komt voort uit wat er in ons hoofd gebeurt als we het werk waarnemen.

Volgens Kant heeft het esthetisch oordeel iets mysterieus. We kunnen niet precies uitleggen waarom we iets mooi vinden; schoonheid valt niet te begrijpen, te berekenen of te voorspellen. Alle elitaire ‘regels’ die ons uitleggen wanneer kunst mooi is, zijn volgens Kant onzinnig. Het enige wat zeker is, stelt hij, is dat we als we iets moois zien een totale harmonie en vrijheid ervaren. We proberen wat we zien niet langer te begrijpen, zoals we normaal gesproken doen als we de wereld waarnemen. Schoonheid geeft ons het gevoel dat we vrijelijk mogen spelen met wat we zien; voor even zijn we helemaal thuis in de wereld.

Kijken is bekeken worden – Maurice Merleau-Ponty (1908-1961)

Zien is een zintuiglijke, lichamelijke ervaring, schrijft de Franse denker Maurice Merleau-Ponty in zijn boek Oog en geest (1960). Als we zien, voelen we dat we midden in de wereld staan. Volgens Merleau-Ponty vergeten we dit vaak als we op een wetenschappelijke manier naar de wereld kijken. Dan doen we net alsof we de wereld van een afstandje bezien en deze naar hartenlust kunnen manipuleren. Maar dit is een illusie, benadrukt hij keer op keer, omdat wij een fysiek lichaam zijn. Als lichaam kan ik de wereld niet van buitenaf bekijken; nee, ik moet me actief door de wereld heen bewegen. Zien ís bewegen, volgens Merleau-Ponty: ik zie alleen datgene waar ik op gericht ben, dus moet ik rondlopen, mijn hoofd heen en weer draaien en mijn ogen bewegen om een compleet beeld van de wereld te krijgen.

Terwijl ik zie, word ik ook gezien door anderen, stelt Merleau-Ponty. Mijn zichtbaarheid is zelfs een voorwaarde voor het zien: ik kan jou alleen in de ogen kijken omdat ik een lichaam heb dat ook zichtbaar is voor jou. Merleau-Ponty maakt het nog bonter door te beweren dat we zelfs ‘gezien’ worden door objecten. Als ik naar de stoel tegenover me kijk, kijkt de stoel als het ware terug. Wat hij hiermee bedoelt is dat mijn lichaam en dat van de stoel met elkaar verbonden zijn doordat we allebei deel uitmaken van de zichtbare wereld. Er is daarom altijd sprake van een interactie tussen mij en de dingen om mij heen.

Volgens Merleau-Ponty zien we de lichamelijkheid van het kijken terug in de schilderijen van impressionisten als Paul Cézanne, Henri Matisse en Paul Klee. Deze kunstenaars maken geen natuurgetrouwe representatie van de wereld. In plaats daarvan laten ze zien wat de wereld met hen doet, welke zintuiglijke impressie deze bij hen achterlaat. In de woorden van Merleau-Ponty: ‘Door zijn lichaam aan de wereld uit te lenen zet de schilder de wereld om in een schilderij.’