Home Bewustzijn John Locke – De mens, de mens is een onbeschreven blad
Bewustzijn

John Locke – De mens, de mens is een onbeschreven blad

Iedere doctrine die het bestaan van aangeboren ideeën ondersteunt is onwaar, stelt filosoof John Locke (1632-1704).

13 oktober 2017

John Locke filosoof

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Locke was tegen het idee dat mensen ook maar iets als aangeboren kennis bezitten. Hij neemt het standpunt in dat het verstand bij geboorte een tabula rasa is – een onbeschreven blad – waarop de ervaring schrijft, op dezelfde manier waarop licht beelden op fotografische film kan produceren. Volgens Locke voegen we niets aan dit proces toe, behalve dat we het basale menselijke vermogen om te redeneren loslaten op de informatie die we via onze zintuigen verzamelen. Hij betoogt dat er geen greintje empirisch bewijs is voor de suggestie dat het verstand van baby’s bij geboorte iets anders dan onbevlekt zou zijn. Hieraan voegt hij toe dat dit ook geldt voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking. Daarom noemt Locke iedere doctrine die het bestaan van aangeboren ideeën ondersteunt onwaar.

In Lockes tijd werd de theorie naar voren gebracht dat aangeboren ideeën universeel moeten zijn omdat alleen God ze in ons kan hebben geplaatst en hij niet zo onrechtvaardig kan zijn om ze slechts aan een beperkt aantal mensen uit te reiken. Locke weerlegt dit argument door erop te wijzen dat een eenvoudig onderzoek naar de wereld om ons heen aantoont dat ze niet bestaan. Zelfs als iedereen ter wereld bepaalde concepten of ideeën zou delen, dan rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat ze ook aangeboren zijn, zegt Locke. We kunnen namelijk andere verklaringen voor hun universaliteit aanwijzen, zoals het feit dat ze voortkomen uit de meest basale manieren waarop een mens de wereld om hem heen ervaart. Dat is iets wat we allemaal gemeen hebben.

Dit is een fragment uit het Grote Filosofieboek