Home Praktische filosofie ‘Ik heb anderen nodig om te denken’
Praktische filosofie

‘Ik heb anderen nodig om te denken’

Jan Flameling pionierde met filosofie buiten de universiteit. Over de praktijk van een filosoof die geen boeken schrijft.

Door Marc van Dijk op 27 januari 2023

Jan Flameling in het park filosofie in praktijk beeld Tessa Posthuma de Boer

Jan Flameling pionierde met filosofie buiten de universiteit. Over de praktijk van een filosoof die geen boeken schrijft.

02-2023 FM2 2023 cover praten
02-2023 Filosofie magazine Lees het magazine

Socrates wantrouwde het boek. Boeken zouden makkelijk tot misinterpretatie en verkeerd gebruik van ideeën leiden; de Griekse wijsgeer aan wie iedere Europese denker schatplichtig is beschouwde het gesprek als de hoogste vorm van filosofie. In die zin bevindt Jan Flameling zich als uitgesproken praktisch filosoof in goed gezelschap. Honderden cursussen, denkvakanties en seminars gaf hij – een lange loopbaan in de filosofie waar nauwelijks een woord van op papier kwam. ‘Schrijven ligt mij niet echt,’ zegt hij in zijn Amsterdamse woning, een appartement met een kleine werkkamer waarin door de boeken rondom geen enkel stukje muur zichtbaar is. Alsof iemand zich heeft ingegraven. Want boeken lezen, dat doet hij juist heel graag. Maar schrijven? Terwijl we kijken naar zijn bureautje met computer tussen stapels paperassen: ‘Als ik voor dat scherm zit, is er niemand die me een vraag stelt. Ik heb anderen nodig om te denken.’

Hoe socratisch dit ook moge zijn, de socratische gespreksmethode gebruikt Flameling niet. Hij ziet zijn werk liever in de lijn van Aristoteles. ‘Aristoteles probeerde er met zijn colleges in de stadstaat aan bij te dragen dat besluitvorming en beleid ten goede kwamen aan de gemeenschap. De training in moreel oordeelsvermogen moest eraan bijdragen dat de stad beter bestuurd werd. Dat is wat ik zelf ook beoog.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Amorgos

Het begon door toeval, in 1994. Jan Flameling was al filosofiedocent en werkte nog aan zijn proefschrift, maar dat kwam stil te liggen doordat de financiering niet rondkwam. Een vakantie op het Griekse eiland Amorgos kreeg een onverwachte wending. ‘Op de tweede avond van ons verblijf viel mijn vriendin Mariëtte heel ongelukkig voorover. Ze moest halsoverkop geholpen worden door een net afgestudeerde arts, die bij het licht van een peertje veertien hechtingen in haar onderlip aanbracht. Daarna zaten we tien dagen op dezelfde plek, waardoor we ontdekten hoe fijn het er was en hoe lief de mensen waren. Toen zei Mariëtte: “Jij moet hier filosofie gaan geven.” Dat leek mij op zichzelf een goed idee, maar ik vroeg me wel af of mensen daar een reis voor zouden willen maken. Zij meende van wel en ze wist het, eenmaal thuis en hersteld, nog te regelen ook. Een artikel van filosoof Ger Groot in NRC deed de rest: ineens bestond het fenomeen denkvakanties. Inmiddels is dat wijdverspreid.’

‘Ik ben niet onder de indruk van hoge functies of imposante cv’s’

Naast de reizen kwamen er al snel bedrijven en organisaties bij. De eerste klanten waren ex-vakantiegangers die op hun werk ook weleens een filosoof konden gebruiken. Er volgden allerlei beroepsgroepen, van apothekers tot burgemeesters, medewerkers van de Belastingdienst en directieteams van Rijkswaterstaat. In die begintijd (de jaren negentig) groeide de economie flink, er was wat te besteden. Maar er was op het terrein van moreel bewustzijn en mentaal onderhoudswerk ook veel te doen, ontdekte Flameling al snel. ‘Na een tijd waarin “Anything goes” het motto leek te zijn geweest, vroeg men zich af of we niet een moreel kompas nodig hadden.’
Hij koos bij dit soort klanten voor het dilemmaberaad, een methode die kort daarvoor door Henk van Luijk was ontwikkeld (in het boek Om redelijk gewin, 1993). ‘Dat is een koel en analytisch gespreksmodel, een gezamenlijke zoektocht naar belangrijke morele argumenten en consensus.’

Gaan mensen daar makkelijk in mee?
‘Niet altijd. Als ik aankom krijg ik soms wel sceptische reacties. Nu overigens veel minder dan toen ik net begon – filosofie op de werkvloer is bijna normaal geworden. Maar nog steeds oogst je aanvankelijk weleens gefronste wenkbrauwen. Met name op de politieacademie heb ik dat gehad. Dan zeggen ze: “Een filosoof? Wat gaat dat nou opleveren?”’

En wat zegt u dan?
‘Dan zeg ik: “Een filosoof, inderdaad. Maar ik heb geen baard en ook geen geitenwollen sokken. Ik ga ook geen moeilijke woorden gebruiken. Sterker nog: jullie gaan voornamelijk zelf praten, onder mijn begeleiding. Het zal gaan over jullie eigen praktijk, maar op een andere manier dan je gewend bent, en waar je wellicht wel baat bij hebt. Ik ben hier om samen met jullie uit te zoeken waar jullie mee worstelen.’

Wat is het verschil met een gewone consultant?
‘Gewone consultants moeten eerst heel veel weten over de organisatie, specialistische kennis hebben enzovoort. Omdat ze meestal voor een grote transformatie worden gevraagd, met grote aantallen betrokkenen. Ik vermoed dat ik ook een grote verandering teweeg kan brengen, maar ik heb geen kennis van zaken nodig en ook maar heel weinig tijd: een dag, of een paar dagen, met maximaal twaalf deelnemers per dag. Want ik wil iedereen kunnen horen en naar iedereen kunnen luisteren, en alle deelnemers moeten datzelfde kunnen doen.’

Waarom hebt u geen kennis van zaken nodig?
‘Omdat het meestal om morele dilemma’s gaat. En ethiek is een van de disciplines van de filosofie. Ik vraag die mensen waar ze tegenaan lopen. Dat inventariseren is deel van het proces. Samen komen we tot een zo precies mogelijke formulering van een dilemma dat in hun praktijk speelt. Op de afdeling van een ministerie speelde bijvoorbeeld een probleem rond een weg die dwars door een gemeente moest worden aangelegd. Daar was lokaal veel rumoer over, en er werd van alles beloofd door politici. Maar deze ambtenaren wisten wat er wel en niet kon. Het dilemma bleek te zijn: “Is het onze taak om in te grijpen als de overheid dingen belooft die ze niet waar kan maken?”

‘Soms is er aanvankelijk scepsis, na afloop willen ze nog een keer’

Nadat we alle argumenten voor en tegen hebben verzameld, ontstaat er consensus. En wordt de zaak verhelderd. Aan het eind willen de deelnemers meestal meteen nog een keer. Ik leer ze ook de methode. Zakelijk misschien niet zo slim, maar wel goed voor de kwaliteit van al deze teams.’

En als het niet lukt? Ervaart u weleens druk?
‘Nooit. Waarschijnlijk omdat ik ooit straatzanger ben geweest in Rome. Ik ben niet onder de indruk van mensen met hoge functies of imposante cv’s. Het komt wel voor dat een manager zich tijdens zo’n sessie niet aan de spelregels wil houden. In een zeldzaam geval stuur ik zo iemand weg. Het mooie is dat mijn opdrachtgevers meestal heel goed weten wat ik doe. Voor mij zijn de deelnemers allemaal gelijk, dat dwingt de filosofie ook af. Er kan alleen een goed en waardevol gesprek zijn als iedereen vrij is om mee te denken en ieders stem even zwaar weegt. Dilemmaberaad lijkt wel wat op het praktisch discours dat Habermas voorstelde: geen machtsverschillen tussen gespreksgenoten, gelijke kansen voor de deelnemers om hun argumentatie naar voren te brengen.’

U werkt alleen nog voor non-profitinstellingen en overheden en niet meer voor commerciële partijen. Waarom?
‘Met bedrijven ben ik al snel gestopt. Bij een van de eerste keren ging het namelijk al mis. Niet in filosofische zin, de workshop verliep prima. Maar achteraf bleek dat de opdrachtgever iemand aantekeningen had laten maken over de standpunten van de deelnemers, een groep hoofdredacteuren van tijdschriften. Simpel gezegd ging het om de vraag hoeveel invloed de marketingafdeling zou mogen hebben op de inhoud van een tijdschrift. Een jaar later vielen de eerste ontslagen. Alle mensen die in de workshop een principieel standpunt hadden over redactionele verantwoordelijkheid, werden ontslagen.’

Hoe hebt u daarop gereageerd?
‘Toen ik er eenmaal achter kwam was ik woest. Ik voelde me misbruikt, een pion. De filosofie was hier een vermomming voor een heel ander doel: ten koste van anderen je commerciële idee doordrijven, via manipulatie. Kort daarna gebeurde er nog een keer zoiets. En toen dacht ik: oké, geen bedrijven meer. Kennelijk is het risico daar te groot dat je als filosoof voor een karretje wordt gespannen. Zo kan Japie Krekel niet werken.’

Meditatie

Flameling voegde in de loop der jaren allerlei elementen toe aan de methode van het morele dilemma. Zo introduceerde hij filosofische vuistregels, waarmee deelnemers de ethische vragen van grote denkers kunnen toepassen op hun situatie. ‘Zoals de categorische imperatief van Kant, teruggebracht tot de vraag: “Kun je je voorstellen dat wat je wilt doen (je maxime) een wet zou worden?”, of het schadebeginsel van John Stuart Mill: “Wat zijn de gevolgen van je handelen voor alle betrokkenen? Welke beslissing levert de minste schade op?”’

Om in organisaties als filosoof aan de slag te kunnen moet je volgens Flameling meestal wel werken met de voor de westerse filosofie gebruikelijke rationeel-argumentatieve aanpak. Toch valt hij als mens en als denker bepaald niet samen met deze beperking. Hij geeft inleidingen over uiteenlopende denkers en houdt zich al sinds de jaren zeventig bezig met meditatie en met oosterse filosofie. ‘Mensen die mij uit die sfeer kennen, kunnen soms niet geloven dat ik ook dilemmaberaad doe. Maar westerse filosofie is vooral een analytische activiteit.

Toch ben ik van mening dat oosters en westers denken heel goed complementair kunnen functioneren. Zoiets is in de academische wereld niet gebruikelijk. De raakvlakken tussen de opvattingen van de latere Heidegger en het taoïsme, bijvoorbeeld, worden zelden behandeld. Ik bespreek de oproep van Levinas om je te richten tot het gelaat van de Ander in één adem met inzichten uit de neurobiologie, waarin meditatie gezien wordt als een training van hersencapaciteit die het ideaal van Levinas mogelijk maakt. Westerse filosofen door wie ik mij het sterkst laat leiden, zoals Bergson, Merleau-Ponty, Deleuze en Braidotti, hebben woorden voor ervaringen die bij oosterse denkers ook centraal staan, alleen in andere termen. Tijdens denkvakanties die ik in India en Nepal organiseerde, bespraken we teksten en werd er gemediteerd. Meditatie is op die manier een andere filosofische oefenpraktijk, die niet primair gericht is op argumentatie, spreken of taal.’

Welke denkwijze is voor u het belangrijkst?
‘Dat kan ik niet zeggen. Ik zou weleens willen weten welke aspecten van mijn werk het meeste langetermijneffect hebben. Persoonlijk kan ik in elk geval zeggen dat ik in de tien jaren dat ik mediteer een ander mens ben geworden. Voordat ik eraan begon was ik echt minder aangenaam gezelschap. Zoiets heb ik aan filosofische argumentatie niet te danken.’