Home Hume, de stierenmelker

Hume, de stierenmelker

Door Jabik Veenbaas op 30 november 2012

09-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens sommige tijdgenoten hing Hume het meest onwaarschijnlijke aan, alleen maar om zijn ijdelheid te voeden. Zij doorzagen nog niet het inzicht van Hume in de mens als ‘gefragmenteerd wezen’, een mensbeeld dat pas in de twintigste eeuw weer zou opkomen.

Samuel Johnson, de bekendste literaire persoonlijkheid uit het achttiende-eeuwse Engeland, had gruwelijk het land aan David Hume. ‘Hume, en andere sceptische nieuwlichters’, zei hij eens tegen zijn biograaf Boswell, ‘zijn ijdele lieden, die zichzelf ten koste van alles willen behagen. De waarheid verschaft onvoldoende voeding voor hun ijdelheid, zodat ze zich hebben gericht op de dwaling. De waarheid, meneer, is een koe die voor zulke mensen geen melk meer geeft, en dus begonnen ze de stier te melken.’

Johnson reageerde met deze vileine tirade op het essay dat Hume had gewijd aan religieuze wonderen. Hume was daarin tot de conclusie gekomen dat ‘geen enkele menselijke getuigenis de kracht kan hebben om een wonder te bewijzen, en om dat tot een gerechtvaardigde basis van zo’n religieus systeem te maken’. Johnson, een gelovig christen, was diep geschokt.

David Hume zelf maakte zich al op jonge leeftijd los van elke dogmatische vorm van religie. Toen hij een jaar of achttien was, rond 1729, raakte hij onder de invloed van denkers als Locke en Clarke, die zo hun bedenkingen hadden bij de christelijke openbaringswaarheden. Van nu af aan ging hij volstrekt zijn eigen gang. Tegen de wens van zijn familie gaf hij zijn rechtenstudie op en wijdde hij zich aan de wijsbegeerte.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Hume ontwikkelde zijn eigen denkbeelden in een razend tempo. Misschien ging het allemaal wel wat al te snel. Als gevolg van zijn intense studie en de vloed van nieuwe ideeën, maar misschien ook door de conflicten die hij met zijn familie kreeg, raakte hij ten prooi aan ernstige nerveuze depressies. Artsen konden hem niet helpen, dus uiteindelijk besloot hij zijn filosofische arbeid voorlopig te laten rusten en trad hij een tijdlang in dienst van een suikerhandelaar. Hij herstelde snel en trok naar Frankrijk. Daar schreef hij zijn eerste boek, A Treatise of Human Nature (Traktaat over de menselijke natuur), een briljant en baanbrekend filosofisch werk. Het verscheen in 1739 (deel I en II) en 1740 (deel III) en het is nu voor het eerst in zijn geheel in het Nederlands vertaald.
 

Doodgeboren

Humes eerste boek had weinig succes. Hij zou er later zelf over opmerken dat het ‘doodgeboren van de pers viel’. Het werd weliswaar enkele malen besproken, maar dan op een uiterst negatieve manier. Hume meende dat het gebrek aan succes te wijten was aan het feit dat hij zijn boek te moeilijk had gemaakt, en hij ondernam pogingen om zijn gedachtegoed in bevattelijker vorm te presenteren. Zo bracht hij in 1740 anoniem een pamflet van een twintigtal pagina’s uit waarin hij de hoofdpunten van de Verhandeling kort besprak en samenvatte. Later schreef hij nog An Enquiry Concerning Human Understanding (1748) en de Enquiry Concerning the Principles of Morals (1751), boeken waarin hij zijn voornaamste denkbeelden opnieuw uitlegde.   

Maar het gebrek aan waardering voor de Verhandeling over de menselijke natuur was niet te wijten aan de moeilijkheid van het boek. De Verhandeling was een meesterwerk, en allesbehalve slecht geschreven. De tijd was er gewoon nog niet rijp voor.

In de Verhandeling bouwt Hume voort op het gedachtegoed van de empiristen John Locke en George Berkeley. Zij waren tot de slotsom gekomen dat alle menselijke kennis uit de zintuiglijke ervaring stamde. Hume was het daarmee eens, maar stelde vast dat zijn voorgangers niet consequent genoeg te werk waren gegaan. Zo hadden ze beiden nog steeds aangenomen dat er objectieve zaken bestaan die aan onze ervaring beantwoorden, zogenoemde substanties. Locke meende dat er zowel fysieke als geestelijke substanties bestonden. Berkeley dacht dat het bestaan van een denkende geest objectief zeker was.
Hume vindt dat de traditionele substantiegedachte moet worden losgelaten. En daarmee opent hij het vuur op een filosofisch grondbegrip dat tot dan toe als onaantastbaar gold.

Om te beginnen mogen we volgens hem niet zomaar aannemen dat er sprake is van een objectieve fysieke werkelijkheid die aan onze ervaring beantwoordt. We weten niet of de buitenwereld bestaat. We kennen alleen onze ‘percepties’, onze waarnemingen van die buitenwereld. Die percepties verschillen niet van elkaar omdat ze wel of niet dicht bij zo’n objectieve werkelijkheid staan, ze variëren alleen maar in kracht of levendigheid. De waarnemingen die zich het krachtigst aandienen zijn de ‘indrukken’. Dat zijn al onze gewaarwordingen, passies en emoties. De zwakke afbeeldingen daarvan in ons denken en redeneren noemt hij ‘ideeën’.

Het substantiebegrip is volgens Hume zo’n idee dat we op basis van onze indrukken vormen. Het komt voort uit onze innerlijke drang om onze indrukken van bepaalde eigenschappen te betrekken op een onderliggend substraat. Dat geldt niet alleen voor de lichamelijke substantie, maar ook voor de geestelijke – voor de menselijke ziel of geest.

Er was nog een ander grondbegrip waarvan hij de gangbare contouren aantastte. Dat was het begrip causaliteit. De wijsbegeerte was er altijd van uitgegaan dat de verbinding van oorzaak en gevolg een objectief noodzakelijke verbinding was. Ten onrechte, zegt Hume. Alles wat we van de werkelijkheid weten, zegt Hume, weten we op basis van de indrukken die we ervan krijgen. Ons causaliteitsbegrip komt domweg voort uit een indruk: uit onze innerlijke drang om voorstellingen met elkaar te verbinden, uit onze ‘gewoonte’ om dat te doen. In An Enquiry Concerning Human Understanding geeft hij het voorbeeld van biljartballen. We nemen waar, schrijft hij, dat de ene biljartbal de andere raakt, en dat de andere bal vervolgens in beweging komt. En omdat we diezelfde opeenvolging dikwijls waarnemen, denken we dat die noodzakelijk is, dat die altijd plaatsvindt. Maar er is niets wat die conclusie rechtvaardigt.

Onsterfelijke ziel

Door zijn nietsontziende scepsis ten aanzien van de objectieve geldigheid van deze filosofische basisbegrippen staat Hume dichter bij ons, eenentwintigste-eeuwers, dan welke andere Verlichtingsfilosoof ook. Vooral zijn visie op de mens is voor ons buitengewoon herkenbaar.

Er is geen geestelijke substantie, zegt Hume. Van het bestaan van een onsterfelijke ziel of geest moet hij daarom niets hebben. In de Verhandeling vergelijkt hij theologen die het bestaan daarvan willen bewijzen met Spinoza, toentertijd zo’n beetje het boegbeeld van alles wat de christelijke goegemeente vreesde en haatte. In een essay dat pas na zijn dood werd gepubliceerd verklaart hij klip en klaar dat de fysische argumenten op dit punt eigenlijk de enige zijn die je serieus kunt nemen en dat je op grond daarvan wel móét concluderen dat de ziel sterfelijk is. Zo zijn lichaam en geest tijdens de kinderjaren van de mens even zwak, en zijn ze dat evenzeer bij ziekte en tijdens de aftakeling van de ouderdom. Geen enkele levensvorm kan in leven blijven in omstandigheden die volstrekt afwijken van die waarin hij aanvankelijk verkeert. Bomen verrotten in het water en vissen sterven als ze uit het water worden gehaald. Waarom zou de ziel dan wel in volstrekt andere omstandigheden kunnen leven? Alles in de wereld verandert en vergaat. Is het dan niet ontzettend lichtzinnig om te denken dat zo’n zwakke levensvorm als de mens niet aan vergaan en ontbinding onderhevig zou zijn? We geloven alleen maar in het voortbestaan van de ziel, zegt Hume, omdat we bang zijn voor de dood en dolgraag willen doorleven.

Maar Hume is ook van mening dat er geen enkelvoudige, onveranderlijke menselijke persoonlijkheid bestaat. In een van indrukwekkendste hoofdstukken van de Verhandeling beargumenteert hij die opvatting.
Als er zoiets zou bestaan, zegt Hume, zouden we ons hele leven lang voortdurend dezelfde ‘indruk’ moeten hebben van onszelf. Maar geen enkele indruk is blijvend en onveranderlijk: ‘Pijn en genoegen, droefheid en vreugde, passies en gewaarwordingen volgen elkaar op en bestaan nooit allemaal op hetzelfde moment.’ We kunnen het idee van een ik nooit uit een dergelijke indruk afleiden, en dus is dat idee een illusie.

De eigen ervaring bewijst dat, aldus Hume. Als ik in mijn diepste innerlijk afdaal, stuit ik altijd op ‘percepties’ en gewaarwordingen van bijvoorbeeld warmte of kou, van liefde of haat enzovoort. En als die percepties tijdelijk wegvallen, bijvoorbeeld wanneer ik slaap, dan ben ik me gedurende die tijd niet van mezelf bewust en moet ik dus zeggen dat ik niet besta.

Het ik, zegt Hume, is niets dan een bundle or collection of different perceptions, een bundel of verzameling verschillende percepties, die met ontzaglijke snelheid op elkaar volgen. Zoals we de illusie hebben dat objecten buiten ons voortdurend identiek blijven, zo verkeren we ook in de illusie dat we zelf een blijvende en voortdurend identieke persoonlijkheid bezitten. Onze percepties lijken onderling zo sterk samen te hangen dat onze verbeelding er een eenheid van maakt: ‘Zo verzinnen wij het doorlopende bestaan van de percepties van onze zintuigen, om de onderbreking ongedaan te maken, en komen op de notie van de ziel, het Ik of de substantie, als camouflage voor de variatie.’

De meest aangewezen bron van onze persoonlijke identiteit zou het geheugen zijn. Maar dat faalt hier jammerlijk. Want we kunnen de identiteit van onze persoonlijkheid verder uitbreiden dan het geheugen reikt. Ook van ervaringen die we ons niet kunnen herinneren, veronderstellen we dat we ze hebben gehad. Het geheugen is dan ook niet de bron van onze identiteit, het geeft ons slechts aanleiding om die identiteit te construeren, doordat het ons toont dat onze reeksen percepties in elkaar overgaan.

Hume vergelijkt het ik met een theater, waar zich voortdurend verschillende scènes afspelen. Maar eigenlijk moet je spreken van scènes zonder theater, want: ‘Het zijn alleen de opeenvolgende percepties die de geest uitmaken; we hebben zelfs niet de minste notie van het gebouw waar deze scènes worden gespeeld of van het materiaal waaruit het zou zijn opgetrokken.’

Wanhoop

Overzie het slagveld dat Hume aanricht. Causaliteit als noodzakelijk verbindend begrip berust op een illusie. Er bestaat geen objectieve, onveranderlijke buitenwereld, er is geen objectief en onveranderlijk ik. Er zijn alleen maar indrukken en ideeën die de mens op een diffuse, discontinue manier bekogelen. Dergelijke opvattingen waren indertijd zo vreemd en bedreigend dat maar weinigen ze überhaupt konden toelaten. Geen wonder dat Samuel Johnson zo vals naar de filosoof uithaalde. En geen wonder dat de Verhandeling over de menselijke natuur zo weinig weerklank vond.

Hume bekende overigens dat zijn bevindingen ook voor hemzelf beklemmend waren. ‘Ik kan er niet omheen dat ik mijn wanhoop voed met al die ontmoedigende gedachten die het huidige thema me zo overvloedig toebedeelt’, zo schreef hij in het opmerkelijk openhartige slothoofdstuk van het eerste boek van de Verhandeling. ‘Ik ben in de war van al deze vragen, en begin me te verbeelden dat ik in de meest ellendige toestand verkeer die je maar kunt bedenken, omringd door de diepste duisternis, en volstrekt beroofd van het gebruik van al mijn ledematen en vermogens.’ Gelukkig bestond er een remedie. In het gewone dagelijkse leven ontvangen we voortdurend zeer sterke nieuwe indrukken, en zo kunnen we van de wijsgerige verwarring genezen: ‘Ik eet, ik speel een spelletje triktrak, ik converseer, en ben vrolijk met mijn vrienden; en als ik na drie of vier uren amusement terugkeer naar deze bespiegelingen, lijken ze zo kil, geforceerd en bespottelijk dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om me er verder nog mee bezig te houden.’

Hume stond in zijn latere jaren bekend als een laconieke levensgenieter. Wie de bovenstaande passages goed leest, komt al snel op de gedachte dat hij dat ook uit bittere noodzaak was.
Zijn gefragmenteerde ik zou nog heel lang op zijn finest hour moeten wachten. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw durfden filosofen het aan om opnieuw aan het bestaan van een ongefragmenteerd ik te twijfelen. Je zou kunnen zeggen dat Humes aanval op dat ik pas de laatste decennia goed tot ons is doorgedrongen. De grote vraag is misschien of we die aanval nog steeds kunnen afslaan met een spelletje triktrak.

Verder lezen

Humes eersteling en hoofdwerk, A Treatise of Human Nature (1734), is beschikbaar in een fraai gebonden, geannoteerde Clarendon Edition-uitgave van Oxford University Press (£ 55,-), en daarnaast recentelijk voor het eerst verschenen in een Nederlandse vertaling, van F. van Holthoon (Traktaat over de menselijke natuur, bij uitgeverij Boom, € 49,90). Een ideale inleiding in Humes denken is de bloemlezing De Uitgelezen Hume, onder redactie van Patricia de Martelaere (uitgeverij Boom, € 15,95). E. C. Mossners’ biografie Life of David Hume (beschikbaar via Amazon.com, vanaf  € 41,50), geldt als zeer zorgvuldig; de grootste verdienste van Mossners’ boek is dat het het intellectuele leven in de tijd van Hume inzichtelijk maakt.

De vork van Hume

‘Neem een willekeurig werk over theologie of metafysica, en stel je de volgende vragen: Bevat het abstracte redeneringen over hoeveelheid en getal? Neen. Bevat het experimentele redeneringen over feiten en standen van zaken? Neen. Werp het dan in de vlammen, want het kan enkel drogredenen en illusie bevatten.’

Deze test om zin van onzin te scheiden staat bekend als de vork van Hume. Alleen meet- en rekenkunde (‘hoeveelheid en getal’) en empirische kennis van de wereld (‘feiten en standen van zaken’) staan garant voor zinnige uitspraken. Als een bewering niet aan een van de tanden van deze vork past, is zij zonder betekenis. Volgens Hume kunnen boeken met begrippen die al tweeduizend jaar een hoofdrol spelen in de filosofie, zoals ‘God’, ‘ziel’, ‘substantie’, het vuur in. Die strenge eis maakt hem tot grootvader van de analytische filosofie, waarin waarheid wordt beperkt tot dat wat helder in (wetenschappelijke) taal kan uitgedrukt worden.

Van waarheid is volgens Hume zelfs alleen sprake in de wiskunde; onze kennis van de wereld is uiteindelijk ook onzeker. Hoewel we op basis van experimenten kunnen concluderen dat een bepaald feit altijd het geval zal zijn (methode van inductie), blijven de zo ontdekte ‘waarheden’ slechts waarschijnlijkheden. Humes fameuze voorbeeld van de biljartballen illustreert hoe ver zijn scepticisme gaat. Omdat de rode bal zich telkens verplaatst nadat de witte bal hem raakt, gaan we uit van een oorzakelijk verband tussen de twee, maar volgens Hume is er nergens een logische reden voor dat verband. Ook al gebeurt het telkens weer, dat wil niet zeggen dat het noodzakelijk is. Met deze gedachtegang voert Hume het empirisme consequent tot zijn (absurde) eindpunt. Als we accepteren dat de mens een onbeschreven blad is dat enkel wordt gevormd door indrukken van buiten – het uitgangspunt van het empirisme – moeten we inderdaad toegeven dat er geen indruk van causaliteit bestaat, maar enkel de associatie van twee gebeurtenissen die altijd na elkaar plaatsvinden. Causaliteit berust op gewoonte, zoals vrijwel alles waar wij ons wereldbeeld op baseren. Zo geloven we dat de zon morgen opkomt, omdat we te lui zijn om iets anders te denken.

Dezelfde sceptische denksteek past Hume ten slotte toe op het idee van het ‘ik’: het autonome zelf dat uit vrije wil ons handelen stuurt. Het ‘zelf’ is geen substantie, maar een constante stroom indrukken die we eveneens uit luie gewoonte tot een samenhangend ‘ik’ smeden. Bovendien kan de rede nooit een motief zijn om te handelen, ze is enkel een instrument. De rede kan ons helpen te bereiken wat wij verlangen, maar zij bepaalt nimmer wat wij verlangen. Zo wijst een van de grootste verlichtingsdenkers een bescheiden plek toe aan de rede: ‘De rede is alleen de slaaf, en mag alleen de slaaf zijn, van de hartstochten.’