Home Klassieke Oudheid Historisch Profiel Stoa: ‘Nu betreed ik de wereld van Epictetus’
Klassieke Oudheid

Historisch Profiel Stoa: ‘Nu betreed ik de wereld van Epictetus’

Door Pieter Hoexum op 24 september 2012

Cover van 10-2012
10-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Gevechtspiloot James Stockdale hield zich staande in een Vietnamese gevangenis dankzij de regels van Epictetus. Wat hebben we tegenwoordig nog aan de lessen van deze stoïcijnse filosoof?

Op 9 september 1965 stijgt gevechtspiloot en commandant James Stockdale op vanaf een Amerikaans vliegdekschip voor de kust van de Filippijnen om een aanval te leiden op de communistische troepen in Noord-Vietnam. Amerika is dan sinds een jaar betrokken bij de oorlog waaraan Stockdale vanaf het begin meedoet als piloot. Hij heeft inmiddels meer dan honderd aanvallen geleid, maar dit zal zijn laatste zijn. Zijn vliegtuig wordt geraakt en hij kan nog net ontsnappen met de schietstoel. Ongeveer een halve minuut zweeft hij in de lucht, boven een Vietnamees dorp waarvan de hem slechtgezinde inwoners hem al aan zien komen. Fluisterend zegt hij tegen zichzelf: ‘Dit gaat minstens vijf jaar duren… Ik verlaat nu de wereld van de technologie en betreed de wereld van Epictetus.’

Stockdale had enkele jaren daarvoor kennisgemaakt met de stoïcijnse filosofie van Epictetus (50 – ca. 130 n.Chr.). Stockdale was toen 38 en had al een half pilotenleven achter zich. Maar in 1962 was hij begonnen aan een studie internationale betrekkingen om hogerop te komen in het Pentagon. Die studie kon hem echter niet boeien. Wel werd hij gegrepen door een cursus filosofie. Als een bezetene las hij zich een weg door de filosofiegeschiedenis. Als afscheidscadeau kreeg Stockdale van zijn filosofieprofessor een exemplaar van Epictetus’ Handboekje (Encheiridion).

Het Handboekje bevat een soort uittreksel van de lessen die Epictetus gaf. Overigens schreef Epictetus, net als zijn voorbeeld Socrates, zelf niets; het boek is geschreven door een van zijn voornaamste leerlingen, Arrianus, Romeins legerofficier en filosoof. Ook daarom leek het de professor geschikt voor Stockdale. Bovendien ging Frederik de Grote nooit op veldtocht zonder zijn exemplaar. Ook Stockdale, die weer ging vliegen, zou het altijd op zijn nachtkastje hebben liggen en het telkens weer herlezen, totdat hij het grotendeels uit het hoofd kende.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Meteen al na de noodlanding, als hij door de Vietnamese dorpelingen zodanig in elkaar geschopt wordt dat hij onder andere zijn been breekt en hij meteen voelt dat het daarmee nooit meer goed komt, schieten hem deze woorden van Epictetus te binnen: ‘Kreupelheid is een belemmering van het been, maar niet van de morele keuze.’

Nog net op tijd, voordat hij doodgeslagen dreigt te worden, wordt hij door een militair ontzet. Die had ontdekt dat ze met een zeer hoge officier te maken hebben. Stockdale wordt de krijgsgevangene met de hoogste rang in de beruchte Hoa Lo-gevangenis. Daar zou hij geen vijf, maar zeven jaar zitten, onder gruwelijke omstandigheden. De gevangenen zijn er ondervoed en worden stelselmatig gemarteld. Maar onder Stockdales leiding blijft hun moreel ongebroken. Zelfs als Stockdale bijna vier jaar in eenzame, duistere opsluiting zit, breekt hij niet. Na terugkeer bij zijn medegevangenen blijft hij hun steun en toeverlaat. Zelf vindt Stockdale steun bij Epictetus.
 

Harde heelmeester

Epictetus vergeleek zichzelf, als filosoof, met een arts: zijn leslokaal moeten we beschouwen als de spreekkamer van een dokter. En dokter Epictetus maakt geen stinkende wonden; hij is een uitgesproken harde heelmeester: ‘Het is beter van honger om te komen zonder verdriet en angst dan in rijkdom te leven terwijl je ongerust bent.’

In de gevangenis lukt het Stockdale zijn gemoedsrust te bewaren door consequent de belangrijkste en eerste regel van Epictetus in praktijk te brengen: ‘De werkelijkheid is in twee categorieën te verdelen: wat wel in onze macht ligt en wat niet in onze macht ligt.’ Gebeurtenissen uit de eerste categorie, die ons overkomen zonder dat we er iets aan kunnen doen, moeten we aanvaarden: ‘Je moet niet verlangen dat de dingen gebeuren zoals jij wilt dat ze gebeuren, maar je moet de dingen willen zoals ze gebeuren; dan zal je levensweg gelukkig zijn.’

De werkelijkheid van de tweede categorie, met bijvoorbeeld onze verlangens en onze gevoelens en gedachten over wat ons overkomt, valt wél binnen ons bereik. We moeten wat dat betreft ook het heft in eigen handen nemen. Het komt erop neer jezelf te beheersen en altijd onverstoorbaar te blijven. Eigenlijk is volgens Epictetus ‘zelfbeheersing’ een pleonasme, want het enige wat je werkelijk kunt beheersen is jezelf. Zodra je dat doet, word je beloond met het meest waardevolle wat er is: rust, onverstoorbaarheid.
Epictetus zelf heeft ook het nodige te doen gehad als het gaat om  gevoelens en gedachten beheersen. Zijn grafschrift, hoogstwaarschijnlijk door hemzelf opgesteld, luidt:

Ik, Epictetus, slaaf, kreupel en invalide,
ik was een bedelaar, maar gunsteling der goden.

Epictetus werd in Klein-Azië geboren uit een Griekstalige slavin, en was dus zelf ook slaaf; een van zijn meesters mishandelde hem zodanig dat hij zijn leven lang mank bleef. Maar de gunst die de goden Epictetus verleenden was dat hij in Rome terechtkwam, als slaaf in het huishouden van de secretaris van keizer Nero. Van jongs af aan had Epictetus een passie voor de filosofie; hij mocht studeren bij de grootste (neo)stoïcijn van dat moment, Musonius Rufus. Na zijn vrijlating ging Epictetus zelf lesgeven in Rome, totdat keizer Domitianus alle filosofen zou verbannen. Epictetus ging naar Griekenland, waar hij een nieuwe filosofieschool oprichtte, die zeer geliefd werd onder Romeinse jonge aristocraten.

Hoewel keizer Nerva (onder anderen) de filosofen in ere herstelde, bleef Epictetus in Griekenland: ze kwamen wel naar hem toe. Hij kreeg zelfs bezoek van keizer Hadrianus, die bekendstond om zijn grote culturele en intellectuele belangstelling, vooral voor filosofie. Hadrianus liet zelfs zijn baard staan, volgens de Romeinen hét teken van onverzorgdheid en barbaarsheid, maar volgens de Grieken het teken van een filosofische levenshouding, want het wees op onverschilligheid tegenover uiterlijke zaken.
 

Vroegwijs

Sinds Nerva volgden keizers elkaar op door een opvolger te adopteren. Volgens Hadrianus was ene Marcus daarvoor geschikt, maar die was te jong. Hij adopteerde daarom (de toen al 51-jarige) Antonius (latere bijnaam ‘Pius’) als zoon en opvolger, onder voorwaarde dat Antonius de 16-jarige Marcus Aurelius adopteerde.

‘Tussenpaus’ Antonius hield het verrassend lang vol, zodat Marcus pas op zijn veertigste keizer werd. Marcus’ passie (als je het zo noemen mag, want zijn stoïcisme stond vijandig tegenover passies) voor filosofie was zo mogelijk nog groter dan die van Hadrianus. Marcus was een vroegwijs kind, dat al op zeer jonge leeftijd bekendstond als ‘de filosoof’. Hij is na Seneca en Epictetus de derde belangrijke neostoïcijn.

Marcus werd beroemd met een geschrift dat eigenlijk helemaal niet voor publicatie bedoeld was en een uniek inkijkje geeft in het leven aan het hof van een Romeinse keizer. Hij schreef namelijk in de laatste jaren van zijn regering, toen hij het Romeinse leger aanvoerde in de strijd tegen de ‘Marcomannen’, een opstandige Germaanse stam, ook een soort ‘handboekje’. Dat deed hij in het geheim. Het geschrift, met de titel Tot mijzelf, was voor hemzelf bedoeld.. Marcus verzamelde er persoonlijke aantekeningen in, meestal in de vorm van stoïsche vermaningen. Na zijn dood werd het boek toch bekend en al snel beroemd, ondanks – of misschien dankzij – de kortaffe stijl. Marcus werpt je als het ware botten toe waarop je eindeloos kunt kluiven – vermaningen zoals: ‘Je bent een kleine ziel die een lijk meezeult.’

Onder de latere keizer Julianus (331-363) werd Marcus bijkans ‘heilig’, maar dan wel een heilige heiden, want Marcus en Julianus hadden niets op met het christendom. Een mooie poging tot nuancering van deze mogelijk al te rooskleurige visie op Marcus als keizer-filosoof is te vinden in een recent boek van Anton van Hooff over Marcus Aurelius met als ondertitel: De keizer-filosoof.

Van Hooff is opvallend zuinig en streng over Marcus, maar wel degelijk rechtvaardig. Marcus was volgens Van Hooff als keizer en als filosoof hooguit verdienstelijk: ‘Hij deed braaf zijn plicht en bouwde al vroeg aan het imago van Marcus de Wijze.’Waarschijnlijk had Marcus zelf deze strengheid wel kunnen waarderen.

Van Hooff wijst erop dat een keizer zoals Marcus heel weinig persoonlijke bewegingsruimte had. Er was geen sprake van dat hij kon regeren zoals hij wenste. Hij had een rol te vervullen, en de grote verdienste van Marcus is dat hij zijn leven wijdde aan de invulling van de rol. Zijn tragiek was dat hij werkelijk voorbestemd was om keizer te worden en zijn geluk was dat hij zich daarbij neer kon leggen. Als het neostoïcisme, met zijn geloof in voorbestemming, niet al bestond, had het voor Marcus uitgevonden moeten worden. Het paste hem precies. Zoals Epictetus zegt: ‘Vergeet niet dat je een toneelspeler bent in een stuk waarvan de schrijver de plot heeft bedacht.’

Voor de lezers van zijn Tot mijzelf komt Marcus des te sympathieker over, omdat daar blijkt dat hij zelf wist dat hij als keizer slechts een rol vervulde. En voor tijdgenoten was hij waarschijnlijk – paradoxaal genoeg – des te geloofwaardiger als keizer omdat hij zelf niet helemaal leek te geloven in zijn rol. Het is makkelijker iemand als keizer te behandelen en zelfs te respecteren indien die de rol zowel met verve vervult als duidelijk maakt dat hij die voor zichzelf kan relativeren. Een keizer die zelf werkelijk gelooft dat hij keizer is, zoals Nero, is eigenlijk een zielenpoot.

Als filosoof kreeg Marcus volgens Van Hooff weinig erkenning van latere collega’s. Sinds Seneca en zeker sinds Epictetus was namelijk het stoïcisme misschien wel geen wijsbegeerte meer: deze filosofen begeerden geen wijsheid omdat ze die al in handen meenden te hebben.
 

Verborgen

Op zoek naar een toepasbare filosofie waren Marcus en Epictetus, zoals Seneca vóór hen, uitgekomen bij de stoïcijnen. Die filosofische school was enkele eeuwen eerder ontstaan in Athene, als een alternatief voor de academie van Plato en de school van Aristoteles. Ze kwamen bijeen op de agora, in een van de zuilengalerijen – stoa in het Grieks, vandaar ‘stoïcijnen’. Het stoïcisme was ook bedoeld als tegengif voor de leer van Epicurus. De volgelingen van deze laatste leefden in het verborgene, zoals Epicurus geboden had, terwijl je je volgens de stoïcijnen juist moet inzetten voor de gemeenschap. Grofweg draait het bij de stoa allemaal om plicht en bij de epicuristen om genot.

Als serieus filosofisch alternatief kenden de stoïci een complete wereld- en levensbeschouwing, met natuurfilosofie (‘wetenschap’) en aandacht voor redeneer- en debatteerkunst. De neostoïcijnen negeerden het theoretiseren en wierpen zich erop de filosofie van de stoïcijnen toe te passen en ten nutte te maken. Het neostoïcisme lijkt vaak meer een leer dan een filosofie, met leermeesters in plaats van filosofen.

Toch – of misschien juist daarom – zijn er altijd belangstelling en waardering gebleven voor de neostoïcijnen, vooral van niet-academische zijde. Tijdens de Renaissance bijvoorbeeld bij (‘neo-neostoïcijnen’) Montaigne en Lipsius. En met de huidige belangstelling voor levenskunst en herwaardering van toepasbare filosofie met een grote potentiële therapeutisch waarde staan de neostoïcijnen weer in het middelpunt van de belangstelling. Stoa als een soort therapie voor gezonde mensen. Recent verscheen van Jules Evans het boek Filosofie voor het leven, en van Miriam van Reijen verschenen op cd haar colleges stoïcijnse levenskunst, onder de titel Stoïcijnse levenskunst. Evenveel geluk als wijsheid.

Hoe aanstekelijk het betoog van bijvoorbeeld Van Reijen ook is, toch zat ik instemmend te knikken bij het lezen van Van Hooffs ‘epiloog’ bij zijn boek over Marcus, waarin hij zijn reserves tegenover de stoa benoemt. Hij was, zo schrijft hij, als jonge classicus gegrepen door het boekje Tot mijzelf. Maar het leek hem toch meer geschikt voor een latere levensfase, waarin hij verwachtte meer behoefte te hebben aan zelfrelativering en lessen in onthechting. Nu is Van Hooff inmiddels met pensioen, maar ziet hij veel minder de aantrekkingskracht van Marcus… ‘Tientallen jaren verder in het leven voel ik me meer verwant met de Lebensbejahung van Epikouros dan de wereldvreemdheid van de stoa.’

Het stoïcisme past vermoedelijk inderdaad goed bij een bepaalde levensfase, en in tegenstelling tot wat je zou verwachten, is dat niet de ouderdom, maar juist de jeugd. Van Reijen roept ons op: ‘Word zelf stoïcijn.’ Ik zou zeggen: ‘Uitstekend, maar blijf het niet.’ Misschien is Montaigne hier, zoals altijd, het beste voorbeeld. Hij begon als stoïcijn, ontwikkelde zich tot scepticus en eindigde als epicuristisch levensgenieter. Van Reijen probeert Epicurus in te lijven bij de stoïcijnen; hij was volgens haar ‘een halve stoïcijn’, maar dat is een wel erg gemakkelijk manier om tegenstanders te neutraliseren. Montaigne begon met zoeken naar standvastigheid, toen naar zekerheid en ten slotte legde hij zich neer bij en genoot hij zelfs van de ongrijpbaarheid en onbegrijpelijkheid van het leven, en liet zich daardoor meevoeren. Het is net als met pianospelen: eerst ben je tien jaar bezig met toonladders en vingeroefeningen, vervolgens ben je tien jaar bezig wél muziek uit de piano te krijgen en ten slotte kun je de piano, tot in lengte van dagen, bespelen. Spelen is vreemd genoeg meer aan ouderen besteed en de ernst aan de jeugd.

Stockdale is aan het echte spelen nooit toegekomen. Het liep in eerste instantie goed met hem af, maar uiteindelijk niet. De Vietcong liet hem uiteindelijk vrij; hij werd een ware Amerikaanse oorlogsheld. Over zijn jaren in Vietnam schreef hij onder andere Thoughts of a Philosophical Fighter Pilot. In 1992 koos onafhankelijk presidentskandidaat Ross Perot hem als running mate. Het leek een ideale keus, maar hoewel Stockdale geen ‘Palin’ bleek, voegde hij niets toe.

Stockdales ‘filosofische onverstoorbaarheid’ bleek op televisie totaal niet over te komen, behalve dan als duf. In het eerste televisiedebat tussen de drie kandidaat-vicepresidenten (met naast Stockdale Al Gore en Dan Quale), ging het al mis. Stockdales openingstatement werd berucht; hij stelde de omineuze vragen: ‘Who am I? What am I doing here?’ Dat de toeschouwers in de lach schoten was niet de bedoeling, maar onvermijdelijk. Stockdale had zich bewust als filosoof willen presenteren, maar had zich misschien beter aan Epictetus kunnen houden: ‘Noem jezelf nooit filosoof en praat niet steeds over de leerstellingen te midden van niet-filosofen.’