Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

vrijdag 12 juni 2020

Weekendlijstje: 5 filosofen over wetenschap

Ilana Buijssen

‘Filosofen hebben de moderne ontwikkelingen in natuurkunde en biologie niet kunnen bijhouden’, meende de vooraanstaande natuurkundige Steven Hawking (1942-2018). Daarom is filosofie volgens hem irrelevant geworden. Toch zijn er voorbeelden die laten zien dat filosofen wél belangrijke bijdragen leveren aan de wetenschap. We zetten dit weekend vijf filosofische inzichten over wetenschap op een rijtje. 

Hanson: Waarnemingen zijn subjectief

We gaan ervan uit dat wetenschap conclusies trekt op basis van objectieve observaties. Maar volgens de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Norwood Russell Hanson (1924-1967) zijn onze waarnemingen per definitie subjectief; de kennis die je hebt kleurt wat je ziet. Of zoals Goethe schreef: ‘Iedereen hoort alleen wat hij begrijpt.’ En dus komt de objectiviteit van de wetenschap op losse schroeven te staan. Neutraal waarnemen is onmogelijk, ook in de wetenschap. De eigen interpretatie zit al in de waarneming besloten.

Hanson illustreert de subjectiviteit van onze waarneming in zijn essay Seeing and seeing as (1969) als volgt: stel je voor dat een leek en een luchtvaartingenieur beide kijken naar schematische tekeningen van verschillende vleugelconstructies. Een leek zou waarschijnlijk niet hetzelfde zien als de luchtvaartingenieur. ‘Om te kunnen zien wat de luchtvaartkundige ziet, zouden we moeten weten wat hij weet.’ De leek is blind voor bepaalde aspecten die de luchtvaartingenieur gelijk opvallen. Dat geldt ook voor de wetenschappelijke praktijk. Wetenschappers kunnen uit dezelfde resultaten verschillende conclusies trekken.

Lees hier waarom we volgens René ten Bos baat hebben bij verschillende interpretaties.

Popper: Falsificatie

Hoe kun je weten dat de uitspraak ‘alle zwanen zijn wit’ waar is, als je niet alle zwanen hebt gezien? vroeg verlichtingsfilosoof David Hume (1711-1776) zich af. Zelfs als je alle zwanen die in leven zijn hebt gezien, weet je nog niks over de zwanen die in de toekomst geboren worden. Hume kwam tot de conclusie dat het onmogelijk is met een eindig aantal waarnemingen, algemene uitspraken te doen als ‘alle zwanen zijn wit’. Dat is problematisch voor wetenschappers, die algemene wetmatigheden willen ontdekken in de natuur.

De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1944) kwam met een andere aanpak. Wetenschappers moeten zich niet richten op waarnemingen die hun theorie bevestigen, maar moeten juist proberen hun theorie te weerleggen, ofwel falsifiëren. Als wetenschappers zich te pletter zoeken naar zwarte zwanen zonder er een te vinden, wordt de theorie aannemelijker, maar is de theorie niet onbetwistbaar waar.

Lees hier hoe Popper wetenschap van pseudowetenschap onderscheidt.

Quine: Een bouwwerk aan overtuigingen

Volgens de logicus Willard van Orman Quine (1908-2000) zijn wetenschappelijke hypotheses gebaseerd op een hele berg aan logische en praktische aannames, zoals schrijft hij in zijn beroemde essay Two dogmas of empiricism (1951).

Stel bijvoorbeeld dat je wil testen of een bepaald medicijn de bloeddruk verlaagt. Na een aantal experimenten moet je concluderen dat het niet werkt, de bloeddruk van de geteste proefpersonen blijft op het oude niveau. Maar waarom klopt de hypothese niet, kun je je afvragen. Was de meetmethode niet betrouwbaar? Was de groep proefpersonen niet representatief? Of is het medicijn misschien verkeerd toegediend? Het voorbeeld maakt duidelijk dat je nooit één enkele hypothese kunt falsifiëren. Wetenschappers toetsen altijd een heel bouwwerk aan overtuigingen. Het besluit welke overtuiging je uiteindelijk laat vallen, is volgens Quine uiteindelijk pragmatisch: de theorie moet zo simpel mogelijk blijven.

Lees hier waarom wetenschap volgens Rosanne Hertzberger kneedbaar is.

Kuhn: Van paradigma naar paradigma

Wie geen oog heeft voor de praktijk, komt al snel met tegen-intuïtieve ideeën, beweert de natuurkundige en filosoof Thomas Kuhn (1922-1996). Filosofen bedenken doorgaans allerlei voorschriften voor de wetenschap zonder de praktijk in acht te nemen.

In The structure of scientific revolutions (1962) beschrijft hij dat de wetenschapsgeschiedenis bestaat uit een reeks paradigma’s, waarbij hij een paradigma ziet als een samenhangend geheel van wetenschappelijke theorieën. Deze verschillende paradigma’s uit de wetenschapsgeschiedenis zijn onverenigbaar. Zo is de opvatting dat de aarde in het centrum van de kosmos staat in strijd met Copernica’s stelling dat de zon het centrum vormt. Volgens Kuhn kunnen we uit deze paradigmawisselingen concluderen dat de wetenschapsgeschiedenis niet gekenmerkt wordt door vooruitgang, maar door een opeenvolging van verschillende onverenigbare paradigma’s.

Lees hier meer over Kuhns opvattingen over wetenschappelijke vooruitgang.

Anderson: Een feministische kritiek

De Amerikaanse feminist Elizabeth Anderson (1959) laat op wetenschappelijke wijze  zien dat vrouwen een achtergestelde positie hebben binnende wetenschap. In haar essay Feminist epistemology (1995) schrijft ze bijvoorbeeld dat vrouwen minder snel academisch carrière kunnen maken dan mannen, ook al hebben ze hetzelfde niveau.

Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar de oververtegenwoordiging van mannen komt de wetenschap volgens haar ook niet ten goede. Het leidt namelijk tot een eenzijdig beeld van de werkelijkheid. Zo worden gevoelens weggezet als ‘te subjectief,’ terwijl het voor bepaalde onderzoeken juist heel belangrijk is om gevoelens in kaart te brengen. Ze pleit daarom voor meer vrouwen in de wetenschap om zo tot completere en betrouwbaardere kennis te komen.

Lees hier waarom het feminisme het zo moeilijk heeft in onze neoliberale samenleving.