Home Kuhn: wetenschappelijke vooruitgang bestaat niet

Kuhn: wetenschappelijke vooruitgang bestaat niet

Door Marcel Hulspas op 16 augustus 2012

Cover van 09-2012
09-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Vooruitgang in de wetenschap leek een zaak van massapsychologie; een kwestie van: wie het hardste schreeuwt, heeft gelijk.’ Een debat over Thomas Kuhns radicale De structuur van wetenschappelijke revoluties, dat vijftig jaar geleden verscheen.

Volgens de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn worden rustige perioden van ‘normal science’, waarin wetenschappers een en hetzelfde ‘paradigma’ hanteren, afgewisseld door korte, heftige fasen waarin het oude paradigma moet wijken voor een nieuw paradigma, dat een compleet andere kijk op de wereld biedt. Zijn grote voorbeelden waren de Copernicaanse revolutie en de opkomst van de kwantummechanica.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maar het venijn zat in de staart van zijn boek over wetenschappelijke revoluties: aan het slot daarvan zette Kuhn voorzichtig, maar zeer pertinent, vraagtekens bij het alom heersende geloof in de wetenschappelijke vooruitgang. Dat, aldus Michiel Leezenberg, wetenschapsfilosoof aan de Universiteit van Amsterdam, maakte zijn boek tot een revolutionair werk: ‘Het verscheen op het moment dat de ideeën van Karl Popper net in zwang raakten. Volgens Popper is wetenschappelijke vooruitgang te danken aan het feit dat wetenschappers altijd op zoek zijn naar argumenten die hun eigen theorieën  ontkrachten. Kuhn legde daar gelijk een bom onder. Het idee dat wetenschap een zelfkritische onderneming is, leek hij volledig onderuit te halen. Wetenschappelijke vooruitgang leek een zaak van massapsychologie; een kwestie van: wie het hardste schreeuwt, heeft gelijk. Althans, dat was de interpretatie van de aanhangers van Popper. Er ontstond een heftig debat tussen Popperianen en Kuhnianen – en eerlijk gezegd denk ik dat de Popperianen van die “aanval” nooit zijn hersteld. Al hun pogingen om Kuhn te weerleggen zijn eigenlijk vastgelopen.’

‘Tegelijkertijd heeft het boek iets ongrijpbaars. Het pretendeert een filosofisch boek te zijn, maar Kuhn was een natuurkundige en geen echte filosoof. Dat merk je. Als het bijvoorbeeld gaat om de vraag hoe het ene paradigma vervangen wordt door het andere, komt Kuhn niet met filosofische verklaringen maar psychologische. Dan verwijst hij naar de gestalt switch – je weet wel, het verschijnsel dat je één en dezelfde afbeelding dan weer als een eend, dan weer als een konijntje ziet. Een tussenweg is er niet. Aan een dergelijke switch moesten we denken. Tegelijkertijd schrijft hij at wetenschappelijke revoluties jaren van strijd kunnen kosten.’

Floris Cohen, wetenschapshistoricus aan de Universiteit Utrecht, kan zich het moment waarop hij Kuhns boek voor het eerst onder ogen kreeg, nog goed herinneren: ‘Ik studeerde toen nog geschiedenis. Ik was erg onder de indruk maar vrees dat ik toen toch wel veel heb gemist van de eigenlijke boodschap. Pas later zag ik in dat Kuhn echt een radicaal andere kijk op wetenschap bood. Hij breekt heel duidelijk met het idee dat als je de goede onderzoeksmethode te pakken hebt, dat dan haast vanzelf de ene ontdekking op de andere volgt. Met name de laatste hoofdstukken zijn buitengewoon radicaal. Daar zet hij forse vraagtekens bij het begrip vooruitgang, omdat er voor en na een paradigmawisseling sprake zou zijn van, zoals hij dat noemt, verschillende werelden. Ook de waarheidsclaim van de natuurwetenschap werd zo dubieus. Daarmee opende hij een blik met wormen. Die heftige discussies in de jaren zeventig en tachtig, over de onvergelijkbaarheid, de “incommensurabiliteit” (zie woordenlijst) van elkaar opvolgende paradigma’s… Kuhn zette de deur open voor het radicaal relativisme dat stelt dat wetenschappelijke vooruitgang überhaupt niet bestaat. Dat ging  hem zélf veel te ver, en toch, dergelijke ideeën gaan wel degelijk terug op zijn boek.’

Leezenberg: ‘Ik denk niet dat hij dat had voorzien… Als je in die tijd de wetenschap wilde benaderen in termen van externe, niet inhoudelijke factoren, zoals geld, politiek, of de psychologie, dan kwam je, of je dat nu wilde of niet, in marxistisch vaarwater terecht. Daar voelde hij helemaal niets voor. Zijn boek lijkt een sociologische verklaring te bieden voor wetenschappelijke revoluties, maar Kuhn schrikt daar uiteindelijk voor terug en halverwege jaren zeventig geeft hij dat idee op. Hij verwerpt dan het hele begrip “paradigma” en heeft het alleen nog over de “incommensurabiliteit van ideeën”. Als reactie op die radicale interpretaties. Daar had hij een rothekel aan. Je kunt zeggen dat hij de rest van zijn leven besteed heeft aan het bestrijden van de radicale conclusies die anderen uit zijn ideeën trokken.’

‘Je moet het succes van het boek in zijn tijd plaatsen, in de jaren zestig, zeventig van de vorige eeuw. Ik denk dat het onder studenten heel populair was omdat het vraagtekens zette bij een begrip als vooruitgang.’

Cohen: ‘In verklaringen hoe het nu komt dat iets in de mode is geraakt zit altijd een element van willekeur. Achteraf kun je wel uitleggen waar dat succes mee te maken zou kunnen hebben, maar het had ook niet kunnen gebeuren. Wie had kunnen voorspellen dat zo’n lelijke vakterm als paradigma ooit aan zou slaan?’

Leezenberg: ‘Nu lijkt het wel alsof het boek niets voorstelt… Kijk, het is weliswaar filosofisch problematisch, maar het blijft een interessante poging om tot een algemene beschrijving te komen van het begrip “wetenschappelijke revolutie”. Kuhn sloot daarmee aan bij een belangrijke omwenteling in de filosofie, de “talige wending”, waarbij er niet meer gesproken werd over de “waarheid” of geldigheid van kennis, maar veel meer aandacht ontstond voor de betekenis van uitspraken, en de veranderingen daarin. Door een paradigmawisseling verandert de manier waarop we naar de wereld kijken radicaal. Een planeet was voor de oude Grieken echt een ander “ding” dan voor Copernicus, of voor ons. Volgens Plato waren planeten bezielde wezens. De Middeleeuwers meenden dat het lichten waren die door engelen werden voortbewogen. Dat we dezelfde term gebruiken, suggereert een continuïteit die er niet is. Dát is het centrale punt van Kuhn: de verandering van de betekenis van cruciale termen maakt paradigma’s logisch onvergelijkbaar. In het debat tussen Kuhnianen en Popperianen hebben de laatste nauwelijks aandacht besteed aan Kuhns historische argumenten en daar nooit een goed weerwoord op gegeven. Popper zélf ook niet – die had een hekel aan dat taalfilosofische geneuzel…’

Cohen: ‘Ik kan me daar iets bij voorstellen. Neem zwaartekracht. Of je dat nu beschouwt als een aantrekkende kracht tussen lichamen, of een kromming van de tijdruimte: het effect is (behalve in extreme gevallen) hetzelfde. In beide gevallen kun je er een raket mee de ruimte in schieten die zijn doel heel precies bereikt. Zó radicaal is die kloof tussen paradigma’s ook weer niet. En dan nog iets: Kuhn suggereert dat wetenschappers tijdens de fase van normal science alleen denken bínnen het dominante paradigma en dat niet kritisch bekijken. Maar er zijn zoveel gevallen van wetenschappers die hun berekeningen in de prullenmand smeten en op zoek gingen naar radicaal andere verklaringen. Het fameuze geval van Kepler, die op grond van één geringe waarnemingsafwijking ten opzichte van zijn eerste berekening aan de baan van Mars zijn hele theorie verwierp: Kuhn hoor je daar niet over. Het vermogen tot stelselmatige zelfcorrectie is sinds de Wetenschappelijke Revolutie in de natuurwetenschap ingebakken. Kuhn de historicus wist dat best, maar als filosoof wilde hij ervan af, omdat het niet strookt met zijn idee van ‘normal science’, die bij hem neerkomt op het oplossen van puzzels.’

Leezenberg: ‘Ik denk dat zoiets alleen maar aantoont dat de wetenschap in de praktijk ingewikkelder is dan Popper en Kuhn dachten.’

Klein woordenboek

Paradigma. Het geheel van begrippen, formules, experimenten en overtuigingen dat tezamen een afgerond wetenschappelijk wereldbeeld vormt.

Normal Science. Een periode waarin het overgrote deel van de wetenschappers hetzelfde paradigma aanhangt en gebruikt. Onderzoek is gericht op het uitbreiden en versterken van datzelfde paradigma.

Paradigm shift (Paradigmaverschuiving). Een verschuiving van het oude naar het nieuwe paradigma, in gang gezet door nieuwe experimenten of metingen waarvan de uitkomsten niet verenigbaar zijn met het oude paradigma. Het nieuwe paradigma moet de oude én de nieuwe resultaten kunnen verklaren, en heeft daarmee (in de woorden van Kuhn) een groter ‘puzzeloplossend vermogen’. Kuhn legde er echter later de nadruk op dat een dergelijke shift, hoewel gebaseerd op rationele afwegingen, voor een groot deel een psychologisch proces is. Wetenschappers moeten anders leren denken.

Incommensurabiliteit. Onvergelijkbaarheid. Wanneer het ene paradigma vervangen wordt door het andere, beschrijven beide weliswaar dezelfde zichtbare verschijnselen, maar de onderliggende abstracte theorieën zijn gebaseerd op fundamenteel verschillende uitgangspunten, waardoor beide paradigma’s in wezen op geen ekele manier aan elkaar verwant zijn. Dat betekent dat er ook geen sprake is van voortbouwen op eerdere inzichten, of van ‘wetenschappelijke vooruitgang’.