Home Waarom wij lachen

Waarom wij lachen

Kent u die mop van Immanuel Kant? Over een Indiër, een Engelsman en een flesje bier. Coen Simon vertelt de mop, en legt uit waarom de mens een schuddebuikend wezen is.

Door Coen Simon op 22 juni 2010

FM lachen Thomas Hobbes Henri Bergson illustratie Janneke Huijnk
Cover van 06-2010
06-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

Je kunt nog tamelijk lang om capriolen van je eigen kinderen lachen zonder dat ze het gevoel hebben te worden uitgelachen. Onze dochter van krap vier jaar begint daar nu pas een gevoeligheid voor te ontwikkelen. ‘Je moet me niet uitlachen’, zegt ze soms als ik lach om haar vrolijke onbezonnenheid, bijvoorbeeld als ze zomaar uit het niets een dansje doet. Het verschil tussen een denigrerend uitlachen en een instemmend lachen om de ontwapenende capriolen van kleine kinderen is voor haar nog te subtiel.

Het is een subtiliteit die ook veel volwassenen ontgaat. En zeker niet de domsten onder ons. Neem Thomas Hobbes (1588-1679), een van de belangrijkste politiek filosofen uit de geschiedenis van de filosofie, die van het lachen beweert dat het eigenlijk altijd een vorm van uitlachen is. ‘Plotselinge trots’ noemt hij het egoïstische gevoel dat tot lachen leidt. Een trots die voortkomt uit de afgang van een ander. Hij ziet dit ‘teken van kleingeestigheid’ vooral ‘bij mensen die zich ervan bewust zijn dat zij maar over weinig bekwaamheden beschikken’.

Ik vermoed dat zijn conclusies al te veel zijn ingegeven door de tijd dat hij als vroegwijs jongetje het voorwerp van spot was. Het is immers bekend dat Hobbes zich door heel hard te leren wist te ontworstelen aan het arme milieu waarin hij werd grootgebracht. En waar voetbal, kattenkwaad en meisjes de belangrijkste gespreksonderwerpen zijn, daar ben je algauw het pispaaltje als je eens een boek leest. En dat deed de kleine Thomas meer dan eens, want op de leeftijd van mijn dochter kon hij al lezen en schrijven, en op zijn zesde zelfs ook in het Grieks en het Latijn.

Dat mijn dochter juist nu gevoelig begint te worden voor uitlachen zal vast kloppen volgens de ontwikkelingspsychologie: hoe zelfbewuster, hoe gemakkelijker het wordt jezelf als object en dus ook als doelwit te zien. In haar geval wordt die gevoeligheid nog eens versterkt doordat er thuis nogal wat wordt gelachen om het gedrag van haar twee jaar jongere broertje, die denkt dat hij kan springen en kan praten, en die nog weleens tegen een deurpost aan loopt. En als we om hém kunnen lachen, dan kunnen we het ook om haar, zal ze misschien denken.

Het is niet zo verwonderlijk dat lachen en uitlachen zo vaak met elkaar in verband worden gebracht, door zowel kleuters als filosofen, want met lachen gaat ook altijd gêne of zelfs schaamte gepaard. En dat is niet voor niets. Schaamte en lachen vormen de grenzen van ons gedrag. Ze zijn zogezegd de bewakers van de bestaande taboes; schaamte maakt dat we zelf een stapje terug doen als we ons buiten het normale dreigen te begeven, en de lach kan de ander terugsturen naar het domein van het normale. Deze functies van lachen en schamen zien we dagelijks op televisie geïllustreerd. Zo toonde onlangs het praatprogramma DWDD een filmpje van volkszanger Frans Bauer die tijdens een interview iedere halve zin afsloot met ‘zeg maar’. ‘Frans’, vroeg de interviewer ten slotte, ‘weet je welk stopwoordje je hebt?’ De altijd vriendelijke lachende zanger reageerde terstond en zelfverzekerd: ‘Jahaa… Bizar!’ In de studio werd hard gelachen en sidekick Prem Radhakishun sloeg zijn handen met plaatsvervangende schaamte voor zijn gezicht.

Lachwekkende situaties

‘A passion which has no name’, is het enig scherpzinnige dat Hobbes in zijn twee paragrafen over de lach opmerkt. Want de lach is de uiting van een naamloos gevoel en niet het gevoel zelf. Dat het lastig is om te theoretiseren over iets dat ons zo dicht op de huid zit en waar we zelfs geen naam voor hebben blijkt wel uit de geschiedenis van de filosofie van de lach. Vrijwel iedere filosoof heeft er wel iets over geschreven, maar er zijn er maar weinigen die dat grondig hebben aangepakt, en allemaal beweren ze iets anders. Plato, Aristoteles, Montaigne, Hobbes dus, Descartes, Kant, Schopenhauer, Kierkegaard en Baudelaire waren Henri Bergson al voorgegaan toen deze Franse filosoof er in 1900 als eerste een heel boek aan wijdde – tenminste, als we het verloren gegane tweede deel van Aristoteles’ poëtica Over de komedie niet meerekenen, waarover Umberto Eco de weergaloze historische roman De naam van de roos schreef.

De gemoedstoestand die Bergson aanwijst als oorzaak van iedere lach – een plotselinge gewaarwording van ‘disharmonie’ in menselijk gedrag – is niet heel vernieuwend in vergelijking met die van veel van zijn voorgangers, maar zijn essay Het lachen. Een essay over de betekenis van het komische uit 1900 stijgt in zijn rake beschrijvingen van lachwekkende situaties ver boven zijn voorgangers uit. ‘We hoeven in een ruimte waar gedanst wordt maar onze vingers in onze oren te stoppen om de dansende mensen onmiddellijk belachelijk te doen lijken.’Bergson ontwaart in het gewone het bijzondere. En zeker bij een onderwerp als lachen is het van het grootste belang om over het vanzelfsprekende heen te kunnen kijken. Probeert u zich maar eens bij iedere lach af te vragen waarom u lacht. Geen beginnen aan. Wel voor Bergson. Hij ziet zelfs waar de aanleidingen zich verbergen als er nog niet eens iets te lachen valt. ‘Hoe regelmatig een gezicht ook is, hoe harmonieus we vermoeden dat de trekken ook zijn en hoe soepel ook de bewegingen, nooit is het evenwicht helemaal volmaakt. Altijd kunnen we een beginnende plooi ontdekken, de aanzet tot een mogelijke grijns – kortom, een uitspringende misvorming waarin zich de grilligheid van de natuur manifesteert.’ In deze beschouwende blik blijkt Bergson over dezelfde gave te beschikken als die van de karikatuurtekenaar die hij beschrijft: ‘het vastleggen van die soms onwaarneembare beweging, haar te vergroten en voor ieders oog zichtbaar te maken.’

Wat karakteristiek is aan Bergsons hele filosofie, het verzet tegen de mechanisering van het wereldbeeld, uit zich pregnant in dit essay. De lach is bij Bergson zogezegd de natuurlijke afweerreactie op die mechanisering. En Frans – ‘zeg maar’ – Bauer is daarvan een uitgesproken voorbeeld, als hij als een robot een interviewer te woord staat. En dan zien we dat achter Bergsons analyse eigenlijk een moreel oordeel schuilgaat. In zijn ogen lacht de mens alleen maar om dit groteske mechanische gedrag omdat we ons ertegen willen verzetten. Hij ziet het als een reactie van de maatschappij op verstarring. Een ingeslapen maatschappij of een monomaan individu wordt erdoor wakker geschud. De lach heeft een sociale functie.

Deze sociale functie werkt alleen, benadrukt Bergson, doordat er ook kwalijke kanten aan de lach zitten. Omdat de lach geen ‘daad van nadenken’ is, maar een ‘door een heel uitgebreide ervaring met het maatschappelijke leven in ons geïnstalleerd mechanisme’, treft de lach niet altijd zijn doel. Dat is jammer, maar niets meer dan collateral damage. Het andere venijn dat Bergson in de sociale functie van de lach ontwaart is de vernedering. De corrigerende werking van het lachen kan namelijk alleen tot stand komen wanneer het lachen vernedert. ‘Het lachen zou zijn doel missen als dit in het teken zou staan van medeleven en goedmoedigheid.’ Dus mocht u zich eens ongemakkelijk superieur voelen bij de zo populaire lachwekkende filmpjes die steeds meer televisieprogramma’s gebruiken om de kijker vast te houden, zoals het Bauer-filmpje bij DWDD, de dagelijks zapservice van Pauw & Witteman of natuurlijk het door Bauer gepresenteerde Bananasplit, wees gerust: de vernedering dient een hoger moreel doel. We lachen om de maatschappij in het gareel te houden.

En zo gaat op de laatste bladzijden van het essay Bergsons karikatuur van de lach aan de haal met de karikaturist zelf. Bergsons lachfilosofie verzandt hier jammer genoeg in dezelfde oppervlakkigheid waar Hobbes al eeuwen eerder op uitkwam: uiteindelijk lachen we altijd uit superioriteit. Lachen is ook bij Bergson ten slotte uitlachen. Bij het in de lach schieten keert de lacher zich al snel in zichzelf, bevestigt zichzelf met ‘min of meer trots’ en heeft de neiging de ander ‘als marionet te beschouwen, waarvan hij de touwtjes in handen heeft’. Het enige verschil met Hobbes is dat Bergson zich niet druk maakt om dit egoïstische trekje van de mens. Hij verwacht er juist alle heil van.

We zullen het er maar op houden dat Bergson zijn essay over het lachen in zijn filosofische carrière louter als tussendoortje beschouwde, anders valt niet te verklaren waarom zo’n gedetailleerde en gevoelige beschouwing zo oppervlakkig eindigt. We voelen immers allemaal dat er een verschil is tussen lachen en uitlachen.

Lachen om niets

Het laat maar weer eens zien hoe lastig het is te reflecteren op wat ons het meest nabij is. Want lachen, dat doen we iedere dag vele malen, ook als er niets te lachen valt – volgens recenter sociologisch onderzoek (Laughter, 2000) lachen we zelfs vaker zomaar, zonder komische aanleiding, en al bijna nooit om een grap. Waarom toch al dat lachen? En waarom voelen we ons zo opgelaten als we menen dat er om ons gelachen wordt?

Het antwoord komt uit onverwachte hoek. In een vergeten paragraaf in de Kritiek van het oordeelsvermogen waagt de grote Verlichtingsdenker Immanuel Kant zich aan een mop. Leeft u zich even in, want moppen zijn snel gedateerd, zeker als ze uit de achttiende eeuw komen. Een Indiër zit aan tafel bij een Engelsman en kijkt verbaasd toe als bij een ontkurkt flesje bier het schuim eruit spuit. Op de vraag van de Engelsman wat er zo bijzonder is aan het schuim, antwoordt de Indiër: ‘Het verbaast me niet dat het eruit komt, maar hoe jullie het erin hebben kunnen krijgen.’ Volgens Kant brengt het absurde verhaal van de mop in onze verbeelding een spel op gang van zintuiglijke voorstellingen – denk aan het beeld van de Indiër die met grote volhardendheid probeert schuim in een flesje te krijgen. Een spel dat het verstand tevergeefs probeert te volgen, en waardoor het lichaam zo vreemd reageert. Want de mens wil altijd kunnen handelen, maar zolang het verstand de samenhang tussen verschillende voorstellingen niet begrijpt, is er voor het lichaam niets waarnaar het grijpen kan.

Dat zou in de meeste gevallen tot woede of verdriet leiden, ware het niet, schrijft Kant, dat de inhoud van deze voorstelling ons ‘koud laat’ – het verhaal van de Indiër en het flesje bier zal evident geen invloed hebben op de situatie van de toehoorder. ‘Het lachen is een affect dat voortkomt uit de plotselinge overgang van een gespannen verwachting in niets.’ En juist dit ‘ongevaarlijke’ niets, deze onsamenhangende geestelijke voorstelling, brengt een corresponderende lichamelijke beweging op gang: de plotselinge ‘verslapping in het lichaam door de golving van de organen’ en de beweging van het middenrif. ‘Dus,’ concludeert Kant, ‘moet de oorzaak liggen in de invloed van de voorstelling op het lichaam en de invloed die dat lichaam dan weer uitoefent op de geest.’

Lichaam

En het is precies daar waar de Duitse filosoof en bioloog Helmuth Plessner veertig jaar na het essay van Bergson de oorzaak van de lach lokaliseert. Hoewel je het bij een onderzoek naar een bij uitstek lichamelijk fenomeen eerder had verwacht, is Plessners Lachen und weinen (1941) toch het eerste filosofische werk dat serieus studie maakt van de rol van het lichaam in het lachen. Net als bij Kant lacht ook bij Plessner de lacher om niets. In dit niets vindt de mens geen enkel aanknopingspunt om te handelen, waardoor het lichaam gefrustreerd en ontregeld op zichzelf wordt teruggeworpen.

Terwijl we het schokkende lichaam het eerste moment als een menselijk falen ervaren, biedt in tweede instantie juist dit schokkende lichaam een uitkomst. De lichamelijke uiting ervaren we dan als het enige adequate antwoord op een moeilijk te duiden situatie. De mens heeft zijn handen vol aan het eigen schuddende lichaam en het terugwinnen van de controle over de situatie. En dat is nu niet bepaald een ideale uitgangspositie om een ander eens lekker uit te lachen. Want het eerste belachelijke object dat we aantreffen als we lachen is altijd ons eigen schuddende lichaam. En terwijl we herhaaldelijke pogingen doen van het niets toch nog iets te maken, is het pas in laatste instantie een toevallige Indiër, of welke toevallige passant dan ook, die het moet ontgelden. Met terugwerkende kracht projecteert de lachende mens zijn eigen onvermogen als een gebrek bij de ander. De oorzaak voor de lach ligt dus niet, zoals Hobbes en Bergson menen, in een superioriteitsgevoel, maar in een gevoel van minderwaardigheid omdat we niets met de situatie kunnen. Eerst komt het lachen, en soms volgt dan het uitlachen. En dan zien we dat wie het laatst lacht toch niet altijd het best lacht.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.