Home Thomas Hobbes: ‘Morele ergernis is de bron van oorlog’

Thomas Hobbes: ‘Morele ergernis is de bron van oorlog’

Door Pieter Pekelharing op 05 maart 2013

04-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Oorlogen zijn het gevolg van ‘morele ergernis’, zei Hobbes in de zeventiende eeuw. Een actuele analyse: ‘Amerikanen blijken nog steeds uitermate trots op hun vrijheid en hun soevereine staat, die eigenmachtig de wereld in goed en kwaad indeelt.’
 
Thomas Hobbes (1588-1679) behoorde tot een kring van internationale geleerden, waaronder figuren als Hugo de Groot en John Locke, die de Europese geloofsoorlogen van zeer nabij hadden meegemaakt. Allemaal waren ze van mening dat de traditionele moraal en politiek in het licht van die oorlogen hadden gefaald. Om orde tussen diep verdeelde mensen te scheppen, hoopten ze een aantal fundamentele regels voor het samenleven op te stellen, waarover burgers het ondanks de verdeeldheid eens konden worden. Niet alleen verwachtten ze op die manier de betrekkingen tussen mensen en staten binnen Europa te verbeteren, ze hoopten ook dat die regels als gids konden dienen voor de relaties tussen Europa en de zojuist ontdekte ‘nieuwe wereld’. Juist in een periode waarin verschillende geloofsrichtingen in Europa waren ontstaan en Europeanen zich opmaakten de rest van de wereld te veroveren, was het uiterst belangrijk te laten zien volgens welke principes burgers met elkaar konden samenleven en -werken, zonder het over hun geloof of cultuur eens te hoeven worden.

Enerzijds hoopten deze geleerden, die ook wel de moderne natuurrechttheoretici worden genoemd, een dam te kunnen opwerpen tegen het religieuze fanatisme; anderzijds poogden ze een halt toe te roepen aan de verbreiding van het scepticisme, de groeiende twijfel aan de vermogens van de rede, de tanende hoop dat de strijdende partijen ooit nog op een redelijke manier bij elkaar konden worden gebracht. Volgens de natuurrechttheoretici was het zinloos bij de politieke oplossing van de gerezen conflicten op de eigen traditionele moraal terug te vallen. Die was immers mede inzet van het conflict geworden. De politieke betrekkingen tussen mensen moesten dan ook op kunstmatige, niet op traditionele wijze worden geregeld.

De natuurrechttheoretici trachtten met hun programma de volgende problemen op te lossen. Er moest een regering komen die niet tot onderdrukking of oorlog leidde, of hartstochten opwekte die voor ieders zelfbehoud schadelijk waren. Ze wilden een schikking tussen religie en politiek vinden die een einde aan de geloofsoorlogen kon maken. En ze hoopten een bestuursvorm of -techniek te ontwikkelen, die verenigbaar was met de nieuwe politieke en economische machtsconstellatie in Europa, waarin – in vergelijking met de vijftiende en zestiende eeuw – veel meer mensen en groepen over een ‘vrije wil’ beschikten dan voorheen. Hoe, kortom, door oorlog vrijgevochten mensen van de noodzaak van politiek gezag te overtuigen?

 

Natuurtoestand

Om deze vraag te beantwoorden trachtten de natuurrechttheoretici zich een ‘natuurtoestand’ voor te stellen waarin nog geen politiek gezag bestond en mensen inderdaad vrij en gelijk waren. Hoe gedragen mensen zich in een dergelijke staat? Wat beweegt hen die toestand te verlaten en welke rationeel aanvaardbare politieke alternatieven doen zich dan voor? Vergeleken met de feitelijke situatie waarin de natuurrechttheoretici verkeerden, speelde de discussie over de natuurstaat zich op een hoog niveau van abstractie af. In Hobbes’ beschrijving van de natuurtoestand wordt bijvoorbeeld geen enkele keer gewag gemaakt van de burgeroorlog in Engeland. De keuze voor een dergelijke abstracte beschrijving hing nauw samen met de overtuiging van de natuurrechttheoretici dat de dilemma’s die ze schetsten en de oplossingen waar ze mee kwamen van algemene aard waren. Ondanks het hoge abstractieniveau deden de natuurrechttheoretici echter hun uiterste best de natuurstaat zo realistisch mogelijk te beschrijven. Om als een overtuigende toetssteen voor het politieke gezag te kunnen fungeren, moest ze een reële optie vormen.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een van de centrale vragen die de natuurrechttheoretici bezig hield was de kwestie of er een moraal in de natuurstaat bestond. In de zestiende eeuw hadden de sceptici bij monde van Montaigne beweerd dat de beste manier om met maatschappelijke conflicten om te gaan een ‘leef en laat leven’ houding was. Het was de jurist Hugo de Groot die deze attitude vervolgens met de principes van het volkenrecht verbond en als eerste een parallel trok tussen de manier waarop staten en volkeren met elkaar omgaan en de wijze waarop vrije individuen elkaar in de natuurstaat bejegenen. Natuurrecht en volkenrecht zijn volgens de Groot hetzelfde, omdat ze over entiteiten handelen die eigengerechtig te werk gaan. Zoals in de internationale arena geleidelijk betrekkingen tot stand komen tussen volkeren of staten, die niet aan enig politiek gezag zijn onderworpen en zich in de eerste plaats om hun zelfbehoud bekommeren, zo zullen er gelijksoortige relaties ontstaan tussen soevereine individuen in de natuurstaat. Omdat in beide gevallen een gemeenschappelijke rechter ontbreekt kunnen conflicten in snel tempo escaleren. Precies daarom dient volgens de natuurrechttheoretici in beide gevallen een moraal van vreedzame coëxistentie, terughoudendheid en tolerantie te worden nagestreefd.

Via de introductie van de natuurstaat vervreemdden de natuurrechttheoretici zich als het ware van hun eigen samenleving. Ze gaven de voorkeur aan een ethiek van het minste kwaad in plaats van het hoogste goed. Ze prefereerden de ‘leef en laat leven’ houding van de internationale moraal boven die van hun landgenoten. Ook de betrekkingen tussen burgers moesten volgens de natuurrechttheoretici als relaties tussen vreemde mogendheden worden beschouwd, waartussen diepgaande conflicten konden ontstaan. De enige manier waarop de potentiële oneensgezindheid kon worden ingedamd was door gezamenlijke wilsvorming van gelijkgerechtigde individuen. Alleen zo kon het eigenrecht door gemeenschappelijk recht worden vervangen.

 

Morele ergernis

Hobbes is vaak voorgesteld als iemand die het bestaan van een moraal in de natuurstaat heeft ontkend. Samen met Thucydides en Machiavelli wordt hij tegenwoordig als een voorloper beschouwd van het politieke realisme, een stroming die lak heeft aan moraal, mensenrechten, of transnationale wetgeving, en diplomatie beperkt tot het uitdragen van eigenbelang. Niets is minder waar. Hobbes meende dat mensen er niet aan ontkomen morele oordelen te vellen. Sterker nog, dat is nu juist de reden waarom er in de natuurstaat constant oorlog dreigt uit te breken. Niet het naakte eigenbelang van mensen is volgens Hobbes de bron van conflicten, maar hun niet aflatende morele ergernis. Zouden mensen en staten zich niet constant ergeren aan elkaars arrogantie, trots, eigendunk of onbillijkheid, dan zouden ze makkelijker met elkaar kunnen samenleven. Soevereine individuen willen volgens Hobbes graag samenleven, maar dat betekent niet dat ze van nature maatschappelijk zijn. Daar zijn ze namelijk veel te assertief voor. In tegenstelling tot de natuurlijke samenlevingsvormen van mieren of bijen liggen vrije en gelijke mensen voortdurend met elkaar overhoop. Vandaar dat ze alleen dankzij politiek gezag bijeen kunnen worden gehouden.

 

Vrede is volgens Hobbes slechts mogelijk als soevereine individuen over een procedure beschikken die tegen hun chronische morele oneensgezindheid bestand is. Voor Hobbes kwam die procedure er op neer dat dergelijke individuen pas uit de natuurstaat kunnen treden op het moment dat ze gezamenlijk en unaniem besluiten uit hun midden een politieke soeverein aan te stellen wiens wil kracht van wet heeft. Pas dan kan de gepassioneerde eigengerechtigheid van mensen aan banden worden gelegd. Hobbes was het volledig met zijn collega’s eens dat een moraal van terughoudendheid, tolerantie en coëxistentie de beste optie was, maar hij was buitengewoon beducht voor de morele distinctiezucht van mensen. Hoe te voorkomen dat deze de moraal van tolerantie en terughoudendheid zou ondermijnen?
 
Volgens Hobbes moet het politieke gezag noodzakelijk een absolute en ontzagwekkende vorm aannemen – absoluut omdat elke poging politieke macht voorwaardelijk te maken precies de morele evaluatieproblemen oproept die in de natuurstaat tot chronische conflicten leiden; ontzagwekkend omdat alleen angst de eigengereidheid van mensen kan temmen. Mensen zijn redelijke wezens, volgens Hobbes, maar juist wie zijn rede gebruikt moet inzien dat ‘commonly they that call for right reason to decide any controversy, do mean their own’. Omdat de rede niet met eenduidige oplossingen van morele problemen kan komen, moet de kunstmatig door mensen geschapen subjectieve rede van de soeverein bij conflicten de doorslag geven. Hij beslist hoe ideologische onenigheid, zodra ze gewelddadig wordt, dient te worden opgelost. Zijn beslissingen hebben kracht van wet. Dat is niet omdat de soeverein de waarheid in pacht heeft, maar omdat mensen met elkaar hebben afgesproken zich ter bescherming van hun zelfbehoud aan de wetten van de soeverein te houden. Privé, binnen de omheining van het eigen geweten, mogen mensen wat Hobbes betreft geloven, evalueren en oordelen wat ze willen, zolang ze zich in het openbaar aan de wetgeving van de soeverein houden, op voorwaarde dat deze wetgeving verenigbaar is met ieders soevereine recht op zelfbehoud.
 

Vertrouwen

Hobbes’ analyse van de morele assertiviteit en agressie van de mens en van de staat is nog steeds actueel. Zijn oplossing daarentegen – absoluut en ontzagwekkend politiek gezag – werd al door zijn tijdgenoten genuanceerd. De filosoof John Locke (1632-1704) meende dat voorwaardelijk gezag een betere optie vormt, omdat degenen die tijdens de overgang van de natuurstaat naar de politieke staat met absoluut gezag worden belast ook maar mensen zijn. Macht corrumpeert en absolute macht corrumpeert absoluut. Bovendien is Locke iets gunstiger gestemd over de kracht van de rede. Locke staat daarmee dichter bij filosofen als Aristoteles, Plato of Kant, die van mening zijn dat de rede in staat is het hoogste goed van de mens te kennen, of in ieder geval kan bepalen wat een handelwijze juist maakt. Ook de wil van de soeverein is aan die condities gebonden. Mede daardoor komt Locke op een voorwaardelijke, in plaats van onvoorwaardelijke vorm van politiek bestuur uit. Hobbes was echter zo sceptisch over de rede, dat de bron van de wet – het feit dat hij van de soeverein afkomstig was – de enige toets vormde voor de rechtmatigheid ervan.

 

Het fundamentele verschil tussen Locke en Hobbes is dat het individu bij Locke altijd zijn politieke soevereiniteit behoudt en deze slechts voorwaardelijk aan de soeverein overdraagt. Individuen behouden ten alle tijde – dus ook in een politieke staat – het recht en de plicht om over de soeverein te oordelen. Politiek draait bij Locke om vertrouwen, en als de banden van het vertrouwen bij herhaling worden geschonden, hebben individuen het recht en de plicht hun politieke macht weer terug te nemen en onder elkaar te beslissen of ze die macht in eigen hand willen houden, een nieuwe bestuursvorm willen oprichten, of hun macht binnen de oude bestuursvorm aan nieuwe personen willen overdragen. Ze zijn in dat proces (het hernemen van hun macht) niet alleen voor zich zelf, maar ook voor elkaar verantwoordelijk. Voor Hobbes was dat een recept voor de terugval in de natuurstaat.
 
Rousseau, ten slotte, kwam met een opvatting over Hobbes die nu ook nog heel vruchtbaar is. Hobbes had ongelijk toen hij meende dat het de natuur van de mens is, die hem zo eigengereid maakt. Dat is pas zo in combinatie met specifieke sociale omstandigheden. Als mensen er in slagen die omstandigheden te veranderen, zullen vrije en gelijke mensen wel eens minder onbestuurbaar blijken te zijn dan Hobbes veronderstelt.

We hebben inmiddels uit ervaring ondervonden dat Lockes optie redelijk goed heeft gewerkt. Maar het is de kritiek van Rousseau die het meeste prikkelt. Democratische instituties vormen volgens Rousseau het enige middel om de door Hobbes gewenste soevereine besluiten te kunnen nemen. Maar die instituties werken alleen als tijdens de besluitvorming voorkomen wordt dat individuen of groepen burgers anderen systematisch kunnen overheersen. Is het overleg in principe open voor alle burgers, krijgen ze voldoende gelegenheid om elkaar van de redelijkheid van elkaars standpunten te overtuigen, zijn de redenen die tijdens het overleg worden aangevoerd wel publieke redenen of sluiten ze bepaalde groepen burgers bij voorbaat uit? Zodra er systematische economische of politieke ongelijkheden in de samenleving ontstaan en mensen uit zelfbehoud de bescherming van hun eigen groep moeten opzoeken, dreigen gevoelens van inferioriteit en superioriteit volgens Rousseau de overhand te krijgen en neemt het gevaar van morele assertiviteit en verontwaardiging toe. Grof gezegd, komt Rousseaus kritiek op Hobbes er op neer, dat er in abstractie van de institutionele omstandigheden weinig interessants over de menselijke natuur te melden valt.
 

Breuk

Hobbes’ analyse van de natuurstaat biedt nog steeds een goed instrument om de moderne staat en de verhouding tussen staten te begrijpen. De breuk die nu tussen Amerika en Europa is gerezen, heeft Hobbesiaanse wortels. Amerikanen blijken uitermate trots op hun individuele vrijheid en hun soevereine staat, die eigenmachtig de wereld in goed en kwaad indeelt. Europeanen, daarentegen, denken multilateraler en lijken eerder bereid de morele assertiviteit van soevereine staten of soevereine individuen in te dammen. Beiden hebben de vrijheid lief en haten het absolutisme. Zoals Hobbes duidelijk maakte, moet daar een prijs voor worden betaald: geen soevereine staten of eigengerechtige individuen zonder morele assertiviteit en agressie. Dat geldt zowel op nationaal als internationaal niveau. Hobbes’ oplossing is inmiddels achterhaald, maar zijn analyse van het probleem van morele agressie en verontwaardiging heeft nog niets van haar actualiteit verloren.
 
Thomas Hobbes
Geboortedatum: 5 april 1588 te Malmesbury, Engeland.
Sterfdatum: 4 december 1679 te Hardwick, Engeland.
Opleiding: Magdalen Hall te Oxford.
Inspiratiebronnen: Galileo Galileï en René Descartes. 
Themas: Hobbes ontwikkelde, net als Descartes, een mechanisch en deterministisch wereldbeeld. De begrippen ‘beweging’ en ‘lichaam’ staan daarin centraal. De staat begreep hij als een kunstmatig lichaam, dat in het leven geroepen was om het geweld tussen mensen te beperken. Geweld beheerste de natuurtoestand van de mens. De staat maakt daar een eind aan door dwang, stelt Hobbes, want wetten worden alleen gerespecteerd als overtredingen zwaar worden gestraft. Met dit argument rechtvaardigt Hobbes een absolute staatsmacht. Deze absolute macht noemt hij de Leviathan. De invloed van deze staat gaat bij hem zover dat ze ook de controle over de moraal krijgt. De staat hoort volgens Hobbes te bepalen wat goed en slecht is, want individuen zijn onbetrouwbaar en streven alleen hun eigenbelang na. 



Hoofdwerken: De cive (1642), The Elements of Law, Natural and Political (1650), Leviathan or the Matter, Form and Power of a Commonwealth Eccleasiastical and Civil (1651), De corpore (1655), De homine (1658). 
Bekende uitspraken: ‘In de tijd dat de mensen nog geen overkoepelende macht kenden waar ze naar opzagen, verkeerden ze in de situatie die wij kennen als oorlog; en wel oorlog van allen tegen allen.’
‘Elke mens noemt dat wat hem lekker en heerlijk schijnt “goed” en noemt dat wat hem tegenstaat “slecht”. Voor zover elk mens constitutioneel van een ander verschilt, hebben ze ook andere meningen over het algemene onderscheid tussen goed en slecht.’
‘Vrije tijd is de moeder van de filosofie.’
‘We kunnen ons geen enkele activiteit voorstellen zonder het subject van die activiteit: geen springen zonder een springer, weten zonder een weter of denken zonder een denker. Daaruit lijkt te volgen dat datgene wat denkt, iets lichamelijks is.’ 
Inspireerde: Spinoza, Locke en Leibniz 
Opmerkelijk: Tot op hoge leeftijd bleef Hobbes vitaal. Op zijn tachtigste schijnt hij nog tennis te hebben gespeeld. Op vierentachtigjarige leeftijd vertaalde hij de Ilias en de Odyssee van Homerus.

 

In de tijd van Thomas Hobbes (1588 – 1679)

1596: Descartes geboren in La Haye, Frankrijk
1618: Begin van de Dertigjarige Oorlog
1629: Christiaan Huygens geboren
1632: Benedictus de Spinoza geboren in Amsterdam
1642: Rembrandt schildert ‘de Nachtwacht’
1643: Barometer uitgevonden door Torrichelli
1641: Hobbes schrijft Leviathan