Home Klassieke Oudheid Stoïcijnse oefeningen: ‘Stel je voor dat er een engel op je schouder zit’
Klassieke Oudheid

Stoïcijnse oefeningen: ‘Stel je voor dat er een engel op je schouder zit’

Door Florentijn van Rootselaar op 25 september 2017

Stoïcijnse oefeningen: ‘Stel je voor dat er een engel op je schouder zit’
Cover van 10-2017
10-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Massimo Pigliucci denkt en leeft als een stoïcijn. De stoïcijnse leer is hard, maar hij is er gelukkiger door geworden. 

‘Ja, dat komt altijd weer hard aan’, zegt Massimo Pigliucci lachend. Als hij het zijn studenten vertelt, zijn ze geschokt. ‘Elke keer als je je vrouw kust, elke keer als je je kind kust, moet je je voorstellen dat het maar een mens is. Als ze dan sterven, zul je niet zo van slag zijn.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Bram Budel

Pigliucci is even in Nederland vanwege de publicatie van zijn boek Hoe word je een stoïcijn? Oude filosofie voor het moderne leven. We maken een wandeling door Amsterdam, die ons langs de grachten richting Centraal Station voert. We banen ons een weg door de toeristen, en staan even stil in de Nicolaasbasiliek. Staties verbeelden de kruisweg van Christus. Beeldtaal die voor de Romein Pigliucci heel vertrouwd is, al is hij niet meer gelovig. Als bioloog verdiepte hij zich in de wetten van de natuur, het bovennatuurlijke liet hij achter zich. Maar de spiritualiteit van het geloof wilde hij niet opgeven. En juist bij de stoïcijnen wist Pigliucci – tegenwoordig hoogleraar filosofie aan het City College van New York – een filosofie te vinden die oog heeft voor spiritualiteit, maar die evenzeer te rijmen is met de wetenschappelijke gestrengheid van de bioloog. Een filosofie ook die ten grondslag zou liggen aan een aantal moderne psychologische therapieën, waarvan de cognitieve gedragstherapie de belangrijkste is.

Slaaf

Waarin schuilt voor Pigliucci de aantrekkingskracht van deze op het eerste gezicht op onthechting gerichte filosofie? Wat is de waarde van zo’n stoïcijns idee over de relatie met onze naasten, uit de eerste eeuw na Christus, afkomstig van een Griekse slaaf – Epictetus – die na zijn vrijlating in Rome een van de grote stoïcijnse denkers zou worden? En waarom is niet alleen zijn leer maar ook zijn leven een voorbeeld? Neem die bekende anekdote over het gebroken been van Epictetus. Toen hij ooit uitgeput in elkaar was gezakt, probeerde zijn meester hem op de been te krijgen door aan zijn been te trekken. Epictetus waarschuwde hem nog dat hij zijn been zou breken. Toen dat inderdaad gebeurde, zou hij glimlachend tegen zijn meester hebben gezegd dat hij hem toch had gewaarschuwd. Dat zou zoveel indruk hebben gemaakt op zijn meester dat die hem onmiddellijk in vrijheid stelde. Epictetus is na dat incident altijd kreupel gebleven.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Waarom moeten we ons voorstellen dat onze dierbaarste naasten inwisselbaar zijn? 
‘Om dit te begrijpen, moet je allereerst denken aan de situatie in de eerste eeuw na Christus. Epictetus leefde in een wereld waarin mensen jong stierven – en waarin je dus meemaakte dat je kinderen, je vrouw of je man al op jonge leeftijd overleden. Neem Marcus Aurelius, de grote keizer-filosoof. Hij had 13 of 14 kinderen, van wie maar 5 hem zouden overleven. En dat was nog eens de keizer, hij beschikte over de beste medische zorg van zijn tijd. Als zelfs hij zoveel kinderen verloor, hoe moet het zijn minder geprivilegieerde tijdgenoten dan zijn vergaan? Daar komt bij: we denken dat ons een dergelijk lot bespaard blijft. Maar in elk mensenleven, vaak op onverwachte momenten, kunnen we een verlies lijden, een groot verlies. Daar kun je maar beter op voorbereid zijn.

Maar fundamenteler, zegt ook Seneca, is dat de stoïcijnen je niet vragen om niet om de dingen of mensen te geven. Helemaal niet. Dat zou niet alleen ondeugdzaam zijn, je zou zelfs geen mens meer zijn. Stoïcijnen streefden naar gelijkmoedigheid of gemoedsrust, niet naar totale onthechting. Maar ze leren je wel beter omgaan met verlies. Als er iets slechts gebeurt, zeiden ze, denk dan niet dat het universum achter je aan zit. Wat er gebeurt is niet prettig, het is zelfs een tragedie. Maar anderen hebben soortgelijke zaken meegemaakt, en zij hebben het ook overleefd. Neem Seneca’s brief aan een vriend die drie of vier jaar geleden een zoon had verloren maar die nog steeds aan het rouwen was. Seneca schreef: je hebt gelijk dat het ellendig is, maar nu moet je toch echt stoppen. Want je wentelt jezelf in je verdriet met als gevolg dat je je van anderen vervreemdt – je bent zelfs een slechte echtgenoot geworden. De ellende is een excuus geworden om niet te handelen. Kom daar uit!’

Maar waar het volgens Pigliucci uiteindelijk om gaat, is dat de stoïcijnse lessen je niet alleen voorbereiden op een groot verlies, ze laten je ook het leven vóór elk verlies beter leiden. ‘Iedereen gaat dood, en je weet niet wanneer. Daarom is het beter om alles met de grootste aandacht te doen. Het gaat de stoïcijnen om het hic et nunc, het hier en nu. In plaats van een oproep tot onthechting, vind je bij de stoïcijnen dus een vraag om zoveel mogelijk liefde te geven aan alles wat je dierbaar is.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Bram Budel

Rokers

Door die stoïcijnse inzichten kon Pigliucci beter omgaan met zijn stervende moeder. Zijn vader verloor hij voordat hij de stoïcijnse levenskunst beoefende, zijn moeder erna. ‘Mijn beide ouders waren grote rokers; ze stierven aan kanker. Mijn vader op 69-jarige leeftijd. Toen de ziekte was vastgesteld, wist ik intellectueel wel wat er aan de hand was, maar het drong maar niet echt tot me door hoe ernstig het was. Hij zou langere tijd ziek zijn, herstelde drie keer, maar al die tijd bleef de kennis buiten me. Toen het echt slecht ging, en ik onderweg was naar het vliegveld van New York om naar Rome te vliegen, kreeg ik een telefoontje van mijn broer. Onze vader was dood. Ik stond stil, moest huilen, was enorm verdrietig.

Toen mijn moeder zou sterven, beoefende ik ondertussen stoïcijnse mindfulness. Ik probeerde mijn volledige aandacht te schenken aan mijn moeder. Ik ging naar Italië, en was me ervan bewust dat dit weleens de laatste momenten samen zouden kunnen zijn. We hadden eindelijk de mogelijkheid om over dingen te praten. Hier zie je hoe dezelfde gebeurtenis, tien jaar later, heel anders verliep. Nu was ik door haar dood ook minder van slag, berustender. Ik was nog steeds verdrietig. Maar het was wel beter zo, omdat ik terugkeek op een betere afsluiting van haar leven, we hadden echt goede momenten samen gehad.’

Hebt u er nu spijt van dat het met uw vader zo anders is verlopen?
‘Een bekend stoïcijns voorschrift is dat het geen zin heeft om spijt te hebben. Het verleden is voorbij, je kunt er niet naar teruggaan. Probeer niet in het verleden te blijven hangen. Het enige wat je kunt doen, is ervan leren. Dat heb ik gedaan.’

Er was heel wat te bespreken toen zijn ouders overleden. Massimo was 4 toen ze scheidden, waarna hij verder bij zijn grootouders zou opgroeien. ‘Een beslissing van je ouders die je ze hun hele leven kwalijk kunt blijven nemen, waar je onder gebukt kunt gaan, waar je verdrietig over kunt zijn, of boos.’ De stoa leerde Pigliucci om er anders mee om te gaan. ‘Een van de lessen van deze Romeinse denkers is dat je niet moet oordelen. Begin er maar eens mee jezelf te beoordelen. Epictetus zegt dat je waarschijnlijk niet genoeg weet om een oordeel over de ander te vellen. Hij vraagt ons om elke situatie in neutrale termen te beschrijven. Zeg niet dat iemand te veel drinkt, zegt Epictetus, maar zeg dat iemand veel drinkt.

Het was zo makkelijk geweest om me te laten gaan in verwijten. Maar bedenk eens in wat voor situatie ze leefden. Het waren de jaren zestig, mijn moeder was heel jong, een jaar of twintig. Het stigma was enorm omdat scheiden nog zo ongebruikelijk was, en ze had geen geld. Als je dat tot je door laat dringen, kijk je toch heel anders naar de situatie. Maar als je dat niet weet, of als je het niet tot je door laat dringen, is het wel heel makkelijk om hun keuze veertig of vijftig jaar later vanuit je comfortabele positie te veroordelen.’

Kun je werkelijk anders omgaan met je naasten – zeker op zo’n moeilijk moment – alleen maar omdat je bedacht hebt dat je dat wilt doen?
‘Alleen al met een voornemen kom je een heel eind. Als je werkelijk oprecht aandacht wilt hebben, kun je die beslissing nemen – doe dat maar en kijk wat het oplevert. Maar de stoïcijnen wisten ook heel goed dat er vaak meer nodig is. Vandaar de stoïcijnse oefeningen om zo’n theorie ook echt toe te passen. Eén van de oefeningen is dat je je voorstelt dat je een engel op je schouder hebt die bij alles met je meekijkt – een idee dat de stoïcijnen aan Socrates hadden ontleend. Wat vindt die engel van je gedrag? Het werkt bij mij het best als ik iemand op mijn schouder plaats die ik ken. Dat moet wel iemand zijn voor wie ik veel respect heb.

En wat bij mij vooral goed uitpakt is om een dagboek bij te houden, waarin ik elke avond kijk naar mijn dag. Heb ik me gehouden aan alles wat ik me had voorgenomen? Wie mijn dagboeken leest, zal zien dat lekker eten een terugkerend onderwerp is. De verleidingen daarvan bleken vaak te groot voor me; ik eet makkelijk te veel. Maar door daar dag in dag uit over te schrijven, kun je je gedrag echt bijstellen.’

Wat moet je precies opschrijven?
‘Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk wat je hebt gedaan, en geef daar een moreel oordeel over. Was het fout, was het goed? Lang hoeft zo’n tekst niet te zijn, maar het effect is groot.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Fotografie: Bram Budel

Het klinkt allemaal zo moralistisch. En weinig psychologisch. Helpt het om dag in dag uit te beschrijven wat je fout doet? Kun je niet beter onderzoeken waarom je het doet?
‘Het idee van de stoa is dat het niet uitmaakt waarom je iets doet. De vraag is alleen om goed te kijken naar foute gedragspatronen en die te veranderen. Neem nu iets wat me lang heeft dwarsgezeten: mijn verlegenheid, mijn ongemak met mensen. Misschien heeft het iets te maken met een streng vaderlijk figuur, wie weet. Maar mij heeft het echt geholpen om met meer aandacht naar het moment zelf te kijken. Wat gebeurt er, wanneer ben ik zo verlegen? Maar ook: vind ik het goed, wat er gebeurt? Was die verlegenheid terecht? Dat zelfonderzoek in mijn dagboek heeft me echt van die verlegenheid afgeholpen.’

Schrijven is genoeg?
‘Nou nee, soms moet je gewoon handelen. Dat zie je ook in de Stoa. Zeno, de grondlegger van de Stoa, worstelde ook met verlegenheid. Zijn leraar Cratus had dat opgemerkt en liet hem midden op de markt staan, met een pot linzensoep. Daarop sloeg Cratus de pot kapot, waarna Zeno – hij zat onder de linzensoep – beschaamd wegliep. “Waarom loop je weg kleine Feniciër?”, vroeg zijn leraar. “Er is toch niets aan de hand?”

Zeno vluchtte van het marktplein, maar eigenlijk had hij er veel vaker naartoe moeten gaan. Dat is een centrale gedachte in de stoa, die je ook terugziet in de moderne psychologie. Door gewoon te handelen, kun je jezelf bevrijden van angsten. Dat is een mooi inzicht voor een filosoof.’