Home Noam Chomsky: ‘Creativiteit blijft een groot mysterie’

Noam Chomsky: ‘Creativiteit blijft een groot mysterie’

Door Florentijn van Rootselaar op 30 januari 2014

Noam Chomsky: ‘Creativiteit blijft een groot mysterie’
Cover van 02-2014
02-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Al een leven lang getuigt Noam Chomsky op grote podia van zijn uitgesproken politieke opvattingen. Maar als taalwetenschapper is hij genuanceerd over de aard van de mens. ‘We hebben heel bijzondere eigenschappen als cognitieve vermogens en morele gevoeligheid. Toch is het niet eenvoudig te ontdekken wat de menselijke natuur is.’

Voor Noam Chomsky’s werkvertrek op de universiteit staat een stoel, bedoeld voor studenten en wetenschappers – en ook voor journalisten. Daar mag ik even plaatsnemen, zegt een van zijn assistenten, die hem probeert te beschermen tegen de enorme hoeveelheid interviewverzoeken. En het interview mag niet te lang duren, had ze eerder al gemaild. Dertig minuten zijn beschikbaar, maximaal. Aan de muur voor de stoel hangt een geprint A4’tje: Quiet please. People are working in nearby offices. Thank You.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Chomsky zelf komt de gang op lopen om me te halen, en staat erop me voor te laten gaan, door de deur naar de kamer van zijn assistenten, naar zijn kamer die daarachter ligt. De 85-jarige filosoof is nog steeds veel in zijn werkkamer, in het deels stalen Stata Center van het Massachusetts Institute of Technology (MIT), een van Amerika’s topuniversiteiten in Cambridge, vlak bij Boston. Zeker sinds zijn vrouw Carol in 2008 stierf, is Chomsky nog meer in het werk gedoken, al was hij daarvoor ook een zeer productief schrijver, en een van de meest geciteerde wetenschappers ter wereld. Vooral met zijn theorie over ons aangeboren taalvermogen verwierf hij grote bekendheid.

Chomsky is evenzeer een politiek activist als een wetenschapper. In 1967 kreeg hij internationale aandacht door zijn uitgesproken verzet tegen de Vietnam-oorlog. En een paar jaar geleden stond hij zij aan zij voor een grote menigte met de Venezolaanse president Hugo Chávez. De president had eerder, tijdens zijn befaamde VN-toespraak in 2006, Bush een duivel genoemd en Chomsky zijn grote voorbeeld. Zwaaiend met Noam Chomsky’s Hegemony or Survival: America’s Quest for Global Dominance riep Chávez iedereen op dat boek te lezen, waardoor het meteen een bestseller werd.

Voor een denker die op grote podia toespraken houdt, heeft Noam Chomsky een opvallend zachte stem. En de politiek activist in hem is tijdens het interview niet direct herkenbaar. Niet dat Chomsky niet betrokken is, maar hij is weinig retorisch – eerder genuanceerd, en vooral erg academisch. Maar misschien ligt dat ook aan het onderwerp van het interview: de menselijke natuur, een thema dat vaak terugkeert in zijn werk, of het nu gaat over taal of over politiek.
 
Bestaat er zoiets als een typisch menselijke natuur?
‘We zijn geen apen, geen koeien en geen insecten. We hebben heel bijzondere eigenschappen als cognitieve vermogens en morele gevoeligheid. Toch is het niet eenvoudig te ontdekken wat de menselijke natuur is. Maar het is evenmin makkelijk vast te stellen wat de natuur van een insect is.’
Wetenschappelijk onderzoek naar de menselijke natuur is moeilijk, zegt Chomsky. ‘Echt goed wetenschappelijk onderzoek naar de menselijke natuur is lastig. Wil je dat goed doen, dan zou je mensen aan experimenten moeten onderwerpen, en een deel daarvan zal onethisch zijn. We kunnen daarom vooral denken over de mens via de geschiedenis, ervaringen en intuïties.’
 
Wat heeft dat denken opgeleverd?
‘Een belangrijk aspect van de menselijke natuur is het verlangen te onderzoeken en te creëren, zoals de Duitse taalwetenschapper Wilhelm von Humboldt dat rond 1800 formuleerde. Als je verder teruggaat in de geschiedenis van de filosofie, zie je een vergelijkbaar idee. Voor Descartes stond het creatieve gebruik van taal centraal in zijn denken. Er is volgens hem maar één manier om te bepalen of een ander organisme een geest heeft, en dat is door na te gaan of het op een creatieve manier taal gebruikt. Die creativiteit weerspiegelt de voor de mens kenmerkende vrijheid om te denken. Jij en ik gebruiken de taal nu ook op een creatieve manier; dat is standaardgedrag voor menselijke taalgebruikers. We construeren uitdrukkingen die soms volledig nieuw zijn. Von Humboldt zei al: taal veronderstelt het oneindige gebruik van eindige middelen.’

Creatief taalgebruik betekent niet dat je alles zegt wat in je opborrelt, ongehinderd door grammaticale regels, waarschuwt Chomsky. ‘Anderen moeten de woorden en de gedachten die worden uitgedrukt kunnen begrijpen. Ze weten dat ze die gedachten ook zelf hadden kunnen hebben. Ook moeten de woorden van toepassing zijn op de omstandigheden.’

De cartesiaanse geest beïnvloedde ook denkers als Jean-Jacques Rousseau, zegt Chomsky. Opvallend is dat zij hun politieke theorie lieten voortvloeien uit die gedachten over de natuur van de mens. Die moest gevrijwaard worden van instituties die haar aan banden konden leggen, wat bij Rousseau tot een uitgebreide kritiek op de staat leidt. ‘Als je naar de Verlichting en de vroege Romantiek kijkt, zie je dezelfde gedachte: creativiteit is de kern van onze natuur. Je ziet die opvatting zelfs terugkeren in het werk van Adam Smith. Smith is beroemd vanwege zijn pleidooi voor een liberale economie, maar hij had ook kritiek op de onderdrukkende arbeidsverhoudingen van zijn tijd. Hij vond dat mensen er dom en onwetend door werden gehouden. De omstandigheden belemmerden het vermogen om creatief en onafhankelijk te werken. Deze manier van denken zie je ook bij anarchistische denkers, en bij de vroege Karl Marx. Later keert dat terug in ideeën over het onderwijs, bijvoorbeeld bij de pedagoog John Dewey. Hier zijn de gedachten over de menselijke natuur geen kwestie van bewijs, maar van intuïtie en van – uiteindelijk – hoop.’
 
Van hoop zelfs?
‘Deze denkers concluderen dat de creativiteit, het verlangen om te scheppen en te creëren, een centrale karakteristiek is van de mens, die niet zou moeten worden geschonden in enig sociaal arrangement. Maar je kunt niet zeggen dat dit idee wetenschappelijk kan worden aangetoond. De menselijke natuur is te gecompliceerd om betekenisvol wetenschappelijk bewijs over de aard ervan te hebben. Vandaar dat er uit hun gedachten soms eerder hoop spreekt dan dat ze een wetenschappelijk bewijs geven.’
 
Maar toch hebt u ondertussen heel wat over die natuur gezegd. Bijvoorbeeld over creatief taalgebruik.
‘We hebben veel vooruitgang geboekt in het ontdekken van de middelen waarmee we de creatieve acties uitvoeren. We weten steeds beter hoe taal werkt. Maar die creativiteit zelf blijft voor ons een even groot mysterie als voor Descartes. Het is alsof we kunnen zeggen hoe handen bewegen, maar dat is nog geen antwoord op de vraag hoe Rembrandt een schilderij maakt.

En het is niet vanzelfsprekend dat mensen dat ooit zullen oplossen. We zijn – uiteindelijk – organische schepsels, geen engelen. Wat betekent dat onze cognitieve vermogens zowel een perspectief als een grens hebben. Misschien kunnen we de vraag naar wat de mens is niet op de juiste manier stellen, en als we dat wel kunnen, kunnen we die misschien nooit beantwoorden.’
 
U spreek over creativiteit, het oneindige gebruik van eindige middelen. Hoe is dat mogelijk in ons begrensde, materialistische universum? Moeten we om dat te verklaren niet aannemen dat er een immateriële geest in de mens huist, zoals Descartes deed?
‘Voor Descartes betekende het bestaan van creatief taalgebruik dat er een andere substantie moest zijn, wat geen domme gedachte is. Hij werkte in een tijd waarin de mechanistische filosofie centraal stond. Net als andere denkers voor en tijdens zijn leven aanvaardde hij de gedachte dat de wereld ten diepste een mechanisch systeem was. Binnen zo’n systeem is het eigenlijk niet mogelijk dat creativiteit kan bestaan. Vandaar die aparte substantie, die buiten de mechanische wereld stond.

Maar de mechanistische natuurkunde werd afgelost door die van Isaac Newton, waarin onder meer een verschijnsel als zwaartekracht centraal stond. De filosoof John Locke bijvoorbeeld was bijzonder onder de indruk van Newtons theorie en kwam onder zijn invloed tot heel andere ideeën over de mens. Als God onbegrijpelijke eigenschappen zoals zwaartekracht aan materie kon geven, dan zou God volgens hem ook de eigenschap “denken” aan materie kunnen toevoegen. Denken is net als zwaartekracht geen aparte substantie, maar een kenmerk van de materie zelf. De geest – vond Locke – is niet meer dan georganiseerde materie. Er is geen aparte substantie, geen losse geest meer nodig. Tegenwoordig wordt dat in de philosophy of mind een radicaal nieuw idee genoemd. Maar in de achttiende eeuw werd dat al begrepen.’
 
Hoe is het gesteld met de menselijke natuur? Krijgt die wel voldoende ruimte tegenwoordig, bijvoorbeeld nu we kampen met een economische crisis?
‘Het antwoord is: ja en nee. Gedurende eeuwen, vooral de laatste paar, zie je een voortdurende toename in de erkenning en de bescherming van menselijke vrijheid en creativiteit. De notie van wat een persoon is, wordt steeds belangrijker en is op steeds meer mensen van toepassing – wat een toename en uitbreiding betekent van de bijbehorende rechten. Je ziet dat bijvoorbeeld in het recht. In de Middeleeuwen was de vraag wie als persoon kon gelden. Alleen een persoon kon bijvoorbeeld zitting nemen in de jury van een rechtbank. Aanvankelijk was een persoon een vrije man met eigendom, maar de criteria werden steeds uitgebreid. Pas in 1970 behoorden vrouwen in de Verenigde Staten ook tot die categorie, en kregen ze toegang tot de banken van de jury.

Uitbreiding van rechten gebeurde nooit zonder een lange en moeizame strijd. En de machthebbers blijven terugvechten; rechten zijn nooit eens en voor altijd gegeven. Waar we gedurende eeuwen een toename van de rechten zagen, worden die rechten op dit moment steeds meer bedreigd, waardoor de menselijke natuur in de knel komt.’
 
Kunt u daar een voorbeeld van geven?
‘Neem Europa. Ik zou niet zeggen dat het op dit moment zelfmoord pleegt, maar het schaadt zichzelf wel op een ernstige manier door tijdens de recessie te bezuinigen. Zelfs het IMF beschouwt dat als destructief. Op dit moment wordt in Europa op een systematische manier de welvaartsstaat vernietigd. Het sociale contract wordt aangetast, terwijl dat een van Europa’s grootse bijdragen was aan de moderne beschaving – daardoor werd het domein van rechten en van vrijheid sterk vergroot. De Nederlandse autoriteiten helpen mee aan die vernietiging, vaak onder druk van de Duitse Bundesbank. Maar niet iedereen pikt die afbraak. Vandaar het verzet van de Indignados, protesten in Griekenland en de Occupy-beweging.

Een ander voorbeeld: in Engeland wordt het hoger onderwijs – zo belangrijk voor de menselijke creativiteit – om zeep geholpen. Universiteiten worden niet meer georganiseerd als humanistische bolwerken, maar als bedrijven. Een Engels commentator schreef daarover: de regering probeert eersteklas universiteiten te veranderen in derderangs commerciële bedrijven. Dat lijkt me een correcte formulering.’
 
Een van Chomsky’s assistenten komt de kamer binnen. Het interview heeft tot nu toe ruim een halfuur geduurd. Of we een eind willen maken aan het gesprek.

Chomsky praat nog een tijd onverstoorbaar verder. Over het gevecht tegen slavernij, en de strijd voor eigendom en voor de vrijheid van vergadering en van meningsuiting. Allemaal om ruimte te creëren voor de mens. Voor die typisch menselijke natuur. ‘It is and will be a permanent struggle.’