Home Levenskunst Leven is een opgave
Levenskunst

Leven is een opgave

Door Marc van den Bossche op 26 maart 2013

10-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

Michel Foucault zocht naar een persoonlijke ethiek, die de afgebrokkelde christelijke moraal moest aflossen. Twintig jaar na zijn dood, in de tijd van het normen en waardendebat, blijkt zijn zoektocht onverminderd actueel.

Deze zomer was het twintig jaar geleden dat de Franse filosoof Michel Foucault overleed. Toen hij begin juni 1984 in zijn appartement in Parijs onwel werd en in elkaar zakte, had hij al een aantal maanden lopen klagen over die ‘kwaaie griep’. Hij zei in een soort mist te leven en werd voortdurend gekweld door zware hoestbuien en hevige hoofdpijn. Volgens sommige vrienden wist hij niet dat hij aan AIDS leed. Dat zou blijken uit zijn plannen om later dat jaar nog naar Andalusië te reizen om uit te rusten en daar zijn ziekte te boven te komen. Uitrusten wou hij pas als de twee boeken voltooid waren waaraan hij nog werkte. Het ging Foucault met zijn laatste werken om zelfstilering, het werken aan en het vorm geven van het zelf.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Zelfstilering

Foucault reageert met zijn zelfstilering en persoonlijke ethiek op het afbrokkelen van de christelijke moraal. Het vacuüm dat die moraal heeft achtergelaten, moest erdoor opgevuld worden. Het zou misleidend zijn om die zelfstilering een nieuwe moraal te noemen. Foucault liet zich juist inspireren door een periode die vooraf ging aan de christelijke moraal, zo blijkt uit de historische schets die hij geeft. ‘Van de Oudheid naar het christendom gaat men over van een moraal, die in essentie een zoektocht was naar een persoonlijke ethiek, naar een moraal als gehoorzaamheid aan een systeem van regels. En als ik mij geïnteresseerd heb voor de Oudheid, dan was dat omdat, om een hele reeks redenen, de idee van een moraal als gehoorzaamheid aan een code van regels nu bezig is te verdwijnen, of reeds verdwenen is.’

Het wegvallen van een ruimer en algemeen gedeeld zingevingskader laat het individu dus de ruimte om zelf de lijnen uit te tekenen van het eigen bestaan. De moraal van de Grieken was, zo schreef Foucault, gecentreerd rond het probleem van de persoonlijke keuze en rond een esthetiek van de existentie: ‘de idee van bios als het materiaal van een esthetisch kunstwerk’. Ethiek wordt hier esthetisch, ontstaat in het individu zelf en wordt niet ontleend aan een stelsel van vastgelegde imperatieven.
 
Hoewel de macht van de christelijke moraal is afgenomen, blijft het toch problematisch haar strikte regels op te geven en te verruilen voor een levenskunst. ‘Voor ons is het moeilijk om een strikte moraal en strenge beginselen te baseren op het voorschrift beter voor onszelf te zorgen dan voor wat ook ter wereld. Wij zijn eerder geneigd om de zorg voor zichzelf als immoreel te beschouwen, als middel om ons te onttrekken aan allerhande regels.’ Dat hebben wij te danken aan de christelijke moraal die zelfverloochening als voorwaarde voor verlossing stelt.

Wie de levenskunst echter louter begrijpt als poging om zich te onttrekken aan regels, begrijpt niet dat het meer is dan zomaar een individualistisch spelletje, zonder oog te hebben voor anderen. Geheel in tegendeel zelfs: levenskunst in de aloude traditie is verdomd moeilijk, vergt zelfreflectie en vooral ook reflectie op het omgaan met anderen. Normen die van buitenaf worden opgelegd mogen dan wel verdwijnen, maar het ongeremde wordt hier nogal krachtdadig een halt toegeroepen vanuit het eigen geweten. Levenskunst is de keuze voor een moeilijke weg. Zelfreflectie vraagt ook om een reflectie op hoe we samen verder moeten.

Oefening

Foucault keert terug naar de periode voor de christelijke zelfverloochening, om een nieuwe vrijheid te herwinnen en te kunnen spreken over de zorg voor zichzelf. Hij schetst hoe klassieke filosofen pleitten voor die zorg. Epicurus schreef bijvoorbeeld dat het nooit te vroeg of te laat is om voor zijn ziel te zorgen. Jong of oud, filosoferen kan altijd, zo luidt het. Voor Epicurus was dit een levenstaak. Filosoferen en levensgeluk verschijnen bij hem als quasi synoniemen. Seneca had het over een leven lang leren, het leven is bij hem een permanente oefening. Filosofie flirtte in die tijd met de geneeskunde. Zorg voor zichzelf omvatte dan ook een goede verzorging van het lichaam, een gezond leven, lichamelijke oefeningen doen zonder zich te forceren en bovenal zo afgemeten mogelijk te voorzien in de eigen behoeften. Zo vroeg Seneca dat van zijn lezers.

Maar wat was dan het belang van die zorg voor zichzelf? Foucault toont dat met de zelfstilering een nieuwe zelfervaring gepaard ging in de Oudheid. In de eerste en tweede eeuw van onze jaartelling dook het fenomeen van de introspectie nadrukkelijk op. Zo ontstond er bijvoorbeeld een relatie tussen schrijven en waakzaamheid. Die waakzaamheid richtte zich op de nuances van het leven. Het schrijven daarover maakte de ervaring van zichzelf intenser en breder. Wie schrijft regisseert als het ware zichzelf. Laat me u gerust stellen: u hoeft nu niet meteen met z’n allen die al veel te lang verloren pen te gaan zoeken. Beschouw dat schrijven liever als een metafoor. Schrijven betekent zelf een verhaal vertellen, een eigen stijl zoeken. Dat klinkt zo anders dan het zich schikken naar een bestaande orde.

Maar nogmaals: het leven als kunstwerk heeft een decor nodig. Dat decor heet hier het sociale, zeg maar de democratie. Het eigen kunstwerk en het sociale decor moeten hier samen klinken, het een kan niet zonder het ander. Het decor moet de levenskunstenaar een podium bieden. Foucault vraagt van ons zeker geen ‘oefening in eenzaamheid’, maar een waarlijk sociale praktijk. Welke kunstenaar zou zich overigens geen publiek wensen? En dat publiek mag rustig tegen de haren in worden gestreken.

Oude Griek

We mogen ons hier echter niet laten verleiden tot een overhaast binnenhalen van vroeger gedachtegoed dat probleemloos naar onze hedendaagse context vertaald zou kunnen worden. Met z’n allen de oude Griek gaan uithangen, of zo. Daar ligt niet de boodschap van Foucault. Hij is veeleer een auteur die ons heeft getoond dat we ons niet kunnen vastklampen aan vaste denk- en leefregels. Ons denken over moraliteit is daarvoor te zeer historisch en contextueel bepaald. Ook de mens heeft geen vaststaande essentie, laat staan een onwankelbare waarheid over zichzelf.

Foucault helpt ons niet ontdekken wie we echt zijn, maar wie we kunnen zijn. Het leven als proefstuk laat zich niet vastleggen. Het is altijd een open en onafgebroken opgave. Wie zichzelf normen en waarden wil stellen, kiest zonder meer de moeilijkste weg. Daarover gaat het ook bij de late Foucault: ‘het ongedefinieerde werk van de vrijheid’, zoals hij het in een interview ooit noemde. Foucault had toen het Verlichtingsdenken van Immanuel Kant herontdekt. ‘Zonder bevoogding van een ander te denken’, luidde daar de opgave. En: ‘Zich bevrijden van een aan zichzelf verschuldigde onmondigheid.’ Zorg voor zichzelf draagt in die zin een ethiek in zich. De vraag luidt hoe we onszelf kunnen vormgeven als morele wezens. En natuurlijk heeft een auteur als Foucault er mede toe bijgedragen dat we onze visie op wat een normaal leven is sterk hebben kunnen uitrekken. Levenskunst doorbreekt grenzen in die zin. Het decor mag herschikt worden.

Nieuwe lusten

Bestaansesthetiek heeft voor Michel Foucault bij uitstek betekenis voor de omgang met onze lichamelijkheid. Wellicht is dat het appèl dat uitgaat van zijn denken. Toen hij in de herfst van 1983 naar de Verenigde Staten reisde, genoot hij daar met volle teugen van de vrije sfeer in steden als New York en San Francisco. Zelf had hij ooit wel enige moeite om zijn homoseksualiteit te aanvaarden en er vorm aan te geven. In Amerika ontdekte hij dat homoseksualiteit voor een levenswijze kan staan, een cultuur. Zelf zei hij daarover in een interview met de ‘gaykrant’ van Los Angeles, The Advocate: ‘Seksualiteit is een deel van ons gedrag, van onze vrijheid. Het is iets dat wij creëren en dat veel verder gaat dan het ontdekken van de verborgen kant van onze begeerte, naar nieuwe vormen van relatie, liefde, creativiteit. Seks is geen noodlot, het is een mogelijkheid tot creatief leven.’

Mij lijkt dat een uitspraak die veel verder reikt dan de homocultuur. Dit gaat om het vormgeven van je leven in dialoog met anderen. Als Foucault het over het gebruik van de lusten heeft, dan denkt hij niet aan normen, maar aan persoonlijke keuzes. Hij denkt daarbij ook aan het omkeren van bestaande machtsverhoudingen, niet het minst de geslachtelijke. Foucault pleitte voor een bevrijding van de lusten. ‘Nieuwe lusten ontdekken’, zo klinkt het. Seks is daarbij het verkeerde woord, hier is een ‘kunst van de erotiek’ in het geding. De kunst van de erotiek omvat het hele lichaam, seks enkel het geslacht. Net als voor Georges Bataille is voor Foucault erotiek noodzakelijk geestelijk en niet louter lichamelijk. Iets in onze seksuele omgang met elkaar ontsnapt aan het louter instinctieve, op bevrediging gerichte verlangen. Of: kan ontsnappen. Levenskunst betekent hier: de ander als subject benaderen in een seksuele relatie, niet als object ter bevrediging van de eigen behoeften; of hoe levenskunst misschien wel een geslaagd huwelijk kan aangaan met het feminisme. Het is hier, in het domein van de seksualiteit, zo vaak geïdentificeerd met het ongeremde, dat Foucault laat zien dat levenskunst een zelfstilering is, maar daarbij nooit de ander vergeet.

Michel Foucault

Naam: Michel Foucault.
Geboortedatum: 15 oktober 1926 te Poitiers, Frankrijk.
Sterfdatum: 25 juni 1984 te Parijs, Frankrijk.
Opleiding: Filosofie, psychologie en psychopathologie in Parijs.
Bevriend met: Gilles Deleuze en Louis Althusser.
Inspiratiebronnen: Friedrich Nietzsche, Georges Bataille, Maurice Blanchot, Pierre Klossowski en Jean Hyppolite.
Thema’s: Michel Foucault werkte aanvankelijk in het sterk humanistisch getinte Franse existentialisme. Hij brak ermee, omdat hij tot de conclusie kwam dat niet de mens, maar de taal de bepalende factor is. Wij worden allemaal ingevoegd in de talige ‘orde van het vertoog’ dat zich ‘inschrijft op het lichaam’. De macht van het heersende vertoog (discours) liet hij zien in studies over het strafrecht, de seksualiteit en de krankzinnigheid. Foucault ontwikkelde een methode die hij als ‘genealogie’ of ‘archeologie van het weten’ omschreef. Een goed denker graaft als een archeoloog in de dieptelagen van de cultuur. Die lagen bestaan uit verschillende vertogen die over elkaar heen schuiven en elkaar verdringen. Er is dan ook geen continuïteit in het denken, laat staan dat er van vooruitgang in het denken gesproken kan worden. Foucault stelt dat er een sterke relatie bestaat tussen kennis en macht. Kennis is een vorm van machtsuitoefening.
Politieke voorkeur: In zijn jonge jaren was Foucault marxist, daarna fel anti-marxist.
Hoofdwerken: Histoire de la folie (1961), Les mots et les choses (1966), Surveiller et punir (1975), Histoire de la sexualité (1976).
Bekende uitspraken:Het is in het discours dat macht en kennis bij elkaar komen.’ ‘Persoonlijk heb ik nog nooit een intellectueel ontmoet. Ik heb mensen ontmoet die boeken schrijven, mensen die de zieken behandelen, mensen die in de economie werken en anderen die elektronische muziek maken. Ik heb mensen ontmoet die lesgeven, mensen die schilderen en mensen van wie ik nooit echt begreep wat zij deden. Maar intellectuelen? Nooit.’