Home Mens en techniek Intelligentie kan ook zonder bewustzijn, bewijst AI
Mens en techniek

Intelligentie kan ook zonder bewustzijn, bewijst AI

Door Rüdiger Safranski op 7 oktober 2026

robot in de gedaante van een kind leest een boek op een bankje bewustzijn AI kunstmatige intelligentie
beeld Andrea De Santis/Unsplash

Nu machines zonder bewustzijn intelligent zijn, verandert het zelfbeeld van de mens, schrijft filosoof Rüdiger Safranski.

De kunstmatige intelligentie, waaraan wij ons inmiddels niet meer kunnen onttrekken, werpt haar schaduw. Het is een dynamische technologie die in staat is de menselijke geest die haar bedacht heeft radicaal in twijfel te trekken.

Bij vroegere machines werden vooral onze lichaamskrachten uitgebreid, vervangen en overtroffen. Intelligente machines dringen daarentegen door in gebieden die tot dusverre uitsluitend aan de menselijke geest werden toegeschreven: logica, cognitie, calculus, combinatie, algoritmen. Op deze gebieden wordt de menselijke geest inmiddels veruit overtroffen door inmiddels zelflerende AI-systemen. We hebben te maken met prestaties waarvan we vroeger dachten dat hierbij bewustzijn moest worden verondersteld. Maar kennelijk komen ze ook zonder bewustzijn tot stand.

Als machines zonder bewustzijn intelligent kunnen zijn, verandert er iets aan het zelfbeeld van de mens.

Lees dit artikel verder

Voor € 6,99 per maand lees én beluister je dit artikel en alle andere online artikelen van Filosofie Magazine.

Word abonnee Al abonnee? Inloggen

Rüdiger Safranski (1945) is filosoof en historicus. Hij schreef onder meer biografieën over Heidegger, Schiller, Schopenhauer, Goethe en Nietzsche. Zijn werk is in dertig talen vertaald en hij ontving talrijke prijzen.

Niet-bewuste intelligentie

Allereerst wijst het vermogen van intelligente machines erop dat ook wij zonder bewustzijn geestelijke prestaties leveren. We passen bij het spreken een regelsysteem toe zonder ons daarvan bewust te zijn. Niet alleen grote delen van onze lichaamsfuncties, maar ook van onze intelligentie liggen onder de bewustzijnsdrempel. Ook het identificerende kennen is niet altijd een bewust proces. Als na verloop van tijd een bepaalde naam je weer te binnen schiet, heeft de geest blijkbaar onder de oppervlakte verder gezocht, zonder bewustzijn. Niet-bewuste intelligentie bestaat dus bij de mens en sinds kort ook in machines.

Halverwege de vorige eeuw probeerde Norbert Wiener met zijn cybernetica de niet-bewuste intelligentie te vatten. Dat geest en machine op vergelijkbare wijze functioneren, komt volgens deze theorie door het terugkoppelingsprincipe. Dit houdt in, aldus Wiener, ‘dat het gedrag aan de uitkomst wordt getoetst, en dat het intreden dan wel uitblijven van die uitkomst het toekomstige gedrag beïnvloedt’. Zulke terugkoppeling (of feedback) voltrekt zich bij de mens aanvankelijk intuïtief (in de kindertijd), wordt later bewust aangeleerd en kan uiteindelijk zonder bewuste sturing routinematig en automatisch verlopen. Dit proces kan worden voorgesteld als een informatieverwerkingsproces en worden nagebouwd in een machine met een complex feedbacksysteem van sensoren en besturingselementen. Het functioneren van dergelijke apparaten wekt de indruk van intelligentie.

Een tweede werkelijkheid

Dat geldt des te meer nu de digitalisering in volle gang is, waarbij informatie uit schriftelijke en andere analoge beeld- en geluidsmedia in digitale code wordt omgezet en voor elektronische dataverwerking be­schikbaar wordt gemaakt. Zo bestaan er hele waarnemings- en gedachtewerelden in digitale representatie, dat wil zeggen in een uniforme universele taal van nullen en enen, omgevormd in de elektronische schakelvolgorde van aan en uit.

Dit tekensysteem maakt het mogelijk om volgens vastgelegde algoritmen logische operaties, calculaties, combinaties en berekeningen uit te voeren met de in digitale tekens getransformeerde kennis van de wereld. Dat resulteert in een enorm potentieel voor steeds nieuwe koppelingen van informatie in machinaal leesbare patronen. De feedbackprocessen zorgen daarbij voor een exponentiële groeidynamiek.

Zo ontstaat een omvangrijke opslag- en communicatiewereld, een tweede werkelijkheid die uit de direct zintuiglijk waarneembare eerste werkelijkheid voortkomt, daar met de traditionele geestelijke wereld van de mens in aanraking komt en zich ermee vermengt.

Dwangmatig denken

Deze nieuwe technologische werelden bouwen eveneens voort op menselijke vermogens die versterkt of vervangen worden, zoals bij een kraan of een verkeersmiddel. In dit geval zijn het echter de geestelijke vermogens die ondersteund, versterkt of vervangen kunnen worden: het vermogen tot rekenkundig denken, onthouden, combineren, redeneren, calculeren, herkennen van patronen. Met dat alles lijkt de carrière van de machine-intelligentie nog maar net begonnen te zijn.

De ervaring met machinale intelligentie scherpt de blik voor de gebieden van de menselijke intelligentie waar het in zekere zin altijd al machineachtig aan toeging, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het spontane, willekeurige, fantasierijke, emotionele. Het zijn de gebieden van strikte rationaliteit – de logica, het reke­nen, de accuraat gereglementeerde stappenreeks van algoritmen, vaardigheden bovendien die je ook nodig hebt voor de bouw van machines.

In de zelfervaring van de geest gaat deze strenge rationaliteit meestal met het gevoel gepaard dat je haar niet spontaan volgt maar je er met moeite aan onderwerpt. Op de paden van de logica kan het denken nu eenmaal niet vrij bewegen zoals het wil. Een dwang is voelbaar. De indruk van het vreemde, het levenloze bedriegt niet. Want inderdaad lijkt het denken in de sporen van de logica op een machineachtig proces, dat vervolgens zijn externe weergave vindt in het functioneren van de machine.

Krenking

Geconfronteerd met de eerste computers in de jaren vijftig ontwikkelde Gotthard Günther, een filosofische pionier op het gebied van kunstmatige intelligentie, het idee van een driewaardige ontologie: ten eerste orga­nisch leven, ten tweede anorganische dingen en sinds kort ten derde, in de vorm van cybernetische machines en computers, intelligente dingen. Dienovereenkomstig zou de – in het organische gewortelde – levende geest van de mens concurrentie hebben gekregen van de dode geest van de intelligente machine.

Freud sprak ooit van de drie krenkingen van het menselijk narcisme. De eerste krenking: Copernicus – de mens kan zichzelf niet langer in het middelpunt van het heelal lokaliseren. De tweede krenking: Darwin – de mens stamt af van de aap. De derde krenking: de psychologie van Freud zelf – zijn ontdekking van het onbewuste; dat het ‘bewuste ik geen heer [is] in eigen huis’. Het bewuste ik wikt, het onbewuste beschikt.

Daarop aansluitend zou je AI de vierde krenking kunnen noemen: het bewustzijn dat zich soeverein waant, staat niet alleen onder druk van het door driften geleide onbewuste, zoals bij Freud, maar ook van de niet-bewuste kunstmatige intelligentie die intelligente menselijke prestaties nabootst en overtreft.

Machinegeest

Toen aan het eind van de achttiende eeuw de geraffineerd geconstrueerde mechanische automaten in mensengedaante in de mode kwamen, schreef de romanticus E.T.A. Hoffmann, die het een en ander wist van griezeleffecten: ‘Alle figuren die naar de mens gemodelleerd zijn dan wel het menselijke nabootsen – deze ware standbeelden van levende dood of dood leven – staan mij buitengewoon tegen.’

Als de AI-taalmodellen perfect schrijven en spreken alsof ze mensen zijn, bekruipt je het gevoel – in ieder geval zolang je er nog niet aan gewend bent – dat het dode hier in feite het levende nabootst. Een krenking van de levende geest door de door hem geschapen, inmiddels ongemeen machtige machinegeest.

Zal de levende geest zich staande kunnen houden tegenover kunstmatige intelligentie, zal het lukken om haar te gebruiken in plaats van door haar gebruikt te worden?

Dood spiegelbeeld

Met AI is in ieder geval een adembenemende nieuwe fase van technische ontwikkeling bereikt. Het is het volgende hoofdstuk in de lange geschiedenis van de manier waarop de levende geest zich in de dingen manifesteert, hoe hij steeds weer wordt gevangengenomen door zijn eigen creaties en zich er telkens weer van bevrijdt. De levende geest kan ook in de spiegel van zijn eigen scheppingen zien wat er met hemzelf aan de hand is. De levende geest hoeft zich bij zijn dode spiegelbeeld niet dood te schrikken. Wat hem niet ombrengt, laat hem groeien, of in de woorden van Hegel uit de Fenomenologie van de geest: ‘Maar niet het leven, dat terugschrikt voor de dood en dat zich ongeschonden voor de vernietiging behoedt, maar het leven, dat de dood verdraagt en in de dood standhoudt, is het leven van de geest.’

Dit is een bewerkte voorpublicatie van het boek De vierde omwenteling van Rüdiger Safranski, dat op 20 oktober 2026 verschijnt bij Atlas Contact.

De vierde omwenteling. De menselijke geest in de schaduw van kunstmatige intelligentie
Rüdiger Safranski
vert. Jan Sietsma

Atlas Contact
224 blz.
€ 24,99

Loginmenu afsluiten