Home De waarheid na Derrida

De waarheid na Derrida

Door Bert Bultinck op 26 maart 2013

09-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

Het werk van Derrida blijkt goed bestand tegen hen die het afdoen als vaag, abstract en intellectuele moeilijkdoenerij. Maar toch heeft het zijn zwakte: Derrida biedt geen daad, geen strategie, geen plan. Terwijl de hedendaagse wereld niet om deconstructie vraagt, maar om waarheid.

Het is een publiek geheim dat we al jaren verzot zijn op denkers, schrijvers en zelfs politici die het einde aankondigen. Het maakt allemaal niet zo veel uit waarvan precies het einde snuivend gedeclareerd wordt, zolang we er maar mee kunnen kappen. God, moraal, auteur, subject, communisme, geschiedenis, humanisme, nationalisme, biefstukkensocialisme: dat het stopt en ophoudt, dat willen we. Maar hoewel al deze woorden en de bijbehorende wereldaanschouwingen al verschillende keer dood zijn verklaard, blijven ze doodgewoon verder leven.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een onverlaat die suggereert dat die zombies van begrippen misschien wel zijn blijven leven omdat ze telkens dood werden verklaard; misschien, zou de wijsneus opperen, verraadt onze metaforische moordzucht wel een ongezonde fascinatie, een fixatie, een obsessie. Ten overvloede: het is niet dat we geobsedeerd zouden geweest zijn door wat er in goed bekkende slogans werd terechtgesteld, maar misschien waren we wel verslaafd aan de theatrale terechtstellingen als zodanig. En theatraal moést het wel zijn, want wie al te reëel terechtstelt, kan het geen tweede keer doen. Het moest dus beperkt blijven tot woorden – harde woorden, absolute termen, apocalyptische referenties. Het is geen wonder dat het concept van de ‘taaldaden’ zo frequent werd gebezigd: de taal werd steeds gewelddadiger, maar de daden steeds symbolischer. Dan was het altijd een goed idee om te zeggen dat woorden ook daden zijn.

In het ondertussen toch al weer dertien jaar oude Generation X (met de mooie ondertitel Tales for an accelerated culture) vind je in de marge definities van kenschetsende, soms sarcastische, soms bloedserieuze neologismen. Zo verklaart schrijver Douglas Coupland op pagina 7 het begrip ‘historical underdosing’ als ‘To live in a period of time when nothing seems to happen. Major symptoms include addiction to newspapers, magazines, and TV news broadcasts.’ Zou het kunnen dat we het zat zijn dat er niets gebeurt, dat niets écht meer schijnt te gebeuren? Is het werkelijk zo dat we alleen maar het gevoel krijgen dat we leven als we onze eigen polsen met glasscherven verminken, omdat niemand anders het zal doen? Zijn we werkelijk zo ongeduldig, moe of ongelukkig dat we de bladzijde liever gisteren dan vandaag omslaan? Dan naar pagina 8, waar we op ‘historical overdosing’ stoten: ‘To live in a period of time when too much seems to happen. Major symptoms include addiction to newspapers, magazines, and TV news broadcasts.’

Aanvallen

Ook de ongrijpbare paus van het Franse postmodernisme, Jacques Derrida, werd verweten dat hij ervoor gezorgd heeft dat de realiteit niet langer grijpbaar werd geacht, laat staan dat men er opzettelijk en zonder ongelukken in zou kunnen ingrijpen. Hij identificeerde altijd het teveel of het tekort aan realiteit; het supplement en de aporie; de over- en de underdosing. Aanvallen op zijn deconstructies kwamen van alle kanten: van angelsaksische taalfilosofen (John Searle) tot heuse natuurkundigen (Alan Sokal en Jean Bricmont) – ze konden niet snel genoeg van zijn werk een karikatuur maken. In Europa leek iedereen meer en meer overtuigd dat grand Jacques een intellectuele charlatan was, iemand die weliswaar bijzonder intelligent was, maar bij de minder erudieten onder ons zand in de ogen strooide, enkel om zijn eigen toch al aanzienlijk  symbolisch kapitaal nog te verhogen.  Deconstructionisten werden de goeroes van de moeilijkdoenerij: ze gaan oneerbiedig met teksten om, zijn intellectueel oneerlijk, maar vooral: hebben volstrekt niets te vertellen.  Ze verkopen gebakken lucht, en nog wel voor erg veel geld.  In die visie was Derrida wellicht de grootste der woekeraars.
 

En zo kwam het dat Derrida dood werd verklaard, nog voor hij stierf. Natuurlijk was niemand zo onbeschoft om die finale metafoor toe te passen op degene die zichzelf zo graag in de voetsporen van de grote denkers van de achterdocht zag: Karl Marx, Friedrich Nietzsche en Sigmund Freud. Het waren net die denkers die overal eindes aan stelden, uiteraard om onmiddellijk daarna zichzelf te kunnen voorstellen als de wegbereider en visionair van het nieuwe. Uiteindelijk bleek Derrida en zeker ook zijn werk zeer goed bestand tegen dit soort weinig subtiele paal- en perkstellingen.

Nee, de echte bedreiging kwam van elders. Wie de evolutie van Derrida’s oeuvre in ogenschouw neemt, met steeds explicietere verwijzingen naar de politiek, merkt dat hij ook moet hebben aangevoeld waar hij op zijn zwakst was: op het vlak van de daad, de strategie, het plan. Natuurlijk hadden ook voormelde wetenschappers al gewezen op het abstracte en onfalsifieerbare van Derrida’s schriftuur. Maar daar ging het niet om: nee, wie goed gelezen had begreep dat het Derrida juist om de acribie ging waarmee het duidelijke vaag kon worden genoemd, het concrete abstract en het onfalsifieerbare de enige ware wetenschap. Wie zo dom was om Derrida het omgekeerde aan te wrijven, was uiteindelijk een gemakkelijke prooi omdat hij zich in zijn schriftuur inschreef. En in die tijd was werkelijk iedereen  met een hippe bril en een doctoraat bezig met zijn schriftuur ergens in te schrijven. Maar in 1997 zou Michel Houellebecq noteren: ‘Wanneer in een gesprek over literatuur bijvoorbeeld het woord schriftuur valt, weet je dat het tijd is om even te ontspannen. Om wat rond te kijken en nog een biertje te bestellen.’

Wat Houellebecq vertolkte was niets anders dan een gevoel dat bij veel intellectuelen leefde: dat grammatologisch onderzoek, etymologische spelletjes en uiterst verfijnde analyses en kritieken van onbekende teksten van Jean-Jacques Rousseau niet de kern van de zaak raakten. De kern van de zaak, dat was politiek, dat waren de vluchtelingenstromen, dat was de blinde agressie van de voetbalhooligan, het racisme van de man in zijn salon, de gentechnologie.

In zijn status quaestionis van de hedendaagse filosofie onderscheidde de Franse revolutionaire denker Alain Badiou de hermeneutische (Gadamer, Heidegger), de analytische (Wittgenstein, Carnap) en uiteindelijk ook de postmoderne filosofie (Lyotard, Derrida). In de laatste richting worden volgens Badiou de grote constructies van de negentiende eeuw op losse schroeven gezet: het idee van het historisch subject, van vooruitgang, revolutie, mensheid en wetenschap. Het gevaar van het postmodernisme is volgens Badiou tweeledig: dat ze het einde van de metafysica blijven aankondigen en dat ze de vraag naar waarheid hebben vervangen door een vraag naar betekenis. Badiou is heel duidelijk in zijn afwijzing van die twee kenmerken: ‘Het is mijn overtuiging dat deze twee axioma’s een reëel gevaar vormen voor het denken in het algemeen en voor de filosofie in het bijzonder. Ik denk dat hun ontwikkeling en hun oneindig subtiele, complexe en briljante formulering, zoals die aanwezig is in de hedendaagse filosofie, de filosofie de macht ontnemen om het verlangen dat haar eigen is te blijven voeden, in het aangezicht van de druk die wordt uitgeoefend door de hedendaagse wereld.’

Het gaat denkers als Alain Badiou, maar ook de Sloveen Slavoj Zizek, of de Italiaan Giorgio Agamben erom die druk van de wereld, eerder dan om doodsverklaringen aan deze of gene signifié of signifiant. Agamben schrijft in het voorwoord van Homo Sacer: ‘Nu de grote Staatsstructuren in verval zijn geraakt en de uitzonderingstoestand, zoals Benjamin voorspelde, de regel is geworden, is het tijd om het vraagstuk van de grenzen en de oorspronkelijke structuur van de Staat in een nieuw licht weer aan de orde te stellen.’ Zizek heeft het over de impasse van de politieke neutraliteit van de economie: ‘De enige uitweg uit deze impasse, en daarmee de eerste stap in de richting van een vernieuwing van links, is de hernieuwde vestiging van een krachtige, passend intolerante kritiek van de wereldomvattende beschaving’. Badiou, tenslotte, verwijt de soixante-huitards hun laffe terugtocht: ‘Talloze intellectuelen, en met hen brede sectoren van de publieke opinie, zijn verstoken van elk collectief bewustzijn, beroofd van het  idee dat de geschiedenis een ‘zin’ heeft en niet langer in staat hun hoop te vestigen op een maatschappelijke revolutie; bijgevolg hebben ze zich politiek gezien achter de economie op kapitalistische grondslag en de parlementaire democratie geschaard.’

Strategie

Dat betekent niet dat deze denkers het over de grond van de zaak oneens zijn met Derrida. Wel zijn ze het grondig oneens over de te volgen strategie. Derrida leefde en werkte in de overtuiging dat de aandacht voor het kleine, het zwakke, het spoor en het spook uiteindelijk de juiste ethische houding was. Agamben, Zizek en Badiou – als we ze hier al te generaliserend in één adem mogen noemen, want de verschillen tussen hen zijn aanzienlijk – kunnen dan misschien ergens nog wel vinden dat alles van waarde weerloos is, maar zij willen vooral tonen wat er met het weerloze gebeurt wanneer het platgedrukt wordt. Dat betekent ook dat iemand als Badiou niet te beroerd is om zich te mengen in een concreet debat over de Franse laïcité en de daarmee verwante hoofddoekenkwestie. Zizek is zelfs ooit op hoog niveau betrokken geweest in de Sloveense politiek en schrijft even heftig over Le Pen en Haider als over de fallische anamorfose bij Hitchcock.

Het is duidelijk dat denkers als Zizek en Badiou een nieuwe tactiek toepassen, een strategie die misschien nog wel ‘deconstructief’ genoemd kan worden, maar wellicht ook zonder meer ‘destructief’. De voordelen ervan worden goed in de verf gezet wanneer ze worden vergeleken met iemand als Jacques Derrida: Zizek en Badiou roepen op tot verzet in plaats van close reading, en misschien kan deze wereld dat verzet nu beter gebruiken dan het uiterst voorzichtig en vooral of zelfs exclusief op talig niveau onklaar maken van de mistoestanden. Anderzijds verliezen zowel Badiou als Zizek zich wel vaker in een op hol geslagen revolutionair discours, dat wel weet waar het begint, maar niet waar het eindigt.

Misschien laat de waarheid haar gezicht zien in het gevecht tussen de weerloosheid van de deconstructie enerzijds en de daadkracht van de revolutie anderzijds, waarvan het einde nooit definitief zal kunnen worden afgekondigd. Enkel in die opschorting van de dood, de opschorting van de overwinning van de een en het verlies van de ander, kunnen woorden daden en daden woorden zijn.

De Invloed van Derrida

Jacques Derrida had over de gehele wereld een grote invloed op het denken. Alleen al in de gebieden ‘literary criticism’ en ‘philosophy’ werd Derrida over de laatste 17 jaar ongeveer 14 duizend maal geciteerd.

Vanaf het einde van de jaren zestig werd Derrida steeds bekender. Samen met filosofen als Lacan, Deleuze en Foucault bepaalde hij vooral in Frankrijk het publieke intellectuele klimaat. Onder andere door de Parijse meirevolte en de publicatie van Glas (1974) raakt hij betrokken bij verhitte literaire debatten. In het Franse links avant-gardistische tijdschrift Tel Quel publiceerde hij een aantal invloedrijke stukken.
Hij zette zich in voor de rechten van Algerijnse immigranten in Frankrijk en Tsjechische dissidenten. Ook protesteerde hij tegen de apartheid in Zuid-Afrika en nam hij het op voor intellectuelen en schrijvers die bescherming zochten.

Derrida beïnvloedde tal van wijsgerige disciplines met zijn deconstructivisme. Veel postmoderne denkers zijn schatplichtig aan deze filosofie. De analytische, Angelsaksische wijsbegeerte negeert hem echter. Wél had hij in De Verenigde Staten veel invloed op de literatuurkritiek.

Derrida’s bijdrage aan de filosofie is omstreden. Omdat hem een eredoctoraat aan Cambridge University (1992) toegekend zou worden, laaide er onder de hoogleraren daar een hevige discussie op. Dit staat ook wel bekend als het ‘Cambridge Debacle’. Zijn werk voldeed volgens hen lang niet aan standaarden van helderheid en nauwkeurigheid. Bovendien zou zijn invloed vooral betrekking hebben op gebieden buiten de filosofie, bijvoorbeeld in filmstudies en Franse en Engelse literatuur. Ongeveer twintig filosofen, waaronder Quine, ondertekenden dit document.