Jean-Paul Sartre vond het maar niks, het nieuwe boek dat Georges Bataille in 1943 publiceerde. De innerlijke ervaring heette het en daarmee bedoelde Bataille, zo schreef hijzelf, eigenlijk niets anders dan mystiek. Voor de altijd scherp denkende, rationalistische Sartre betekende dat een terugval in obscurantisme. Ja, zo erkende ook Bataille, God is dood. Maar anders dan voor Sartre, had God daarmee in zijn ogen nog niet afgedaan. Er blijft na de dood van God een leegte over, zei Bataille in 1961 in een interview, kort voor zijn dood het jaar daarop. ‘Ik heb over die lege plek willen spreken.’
Een voor de hand liggende figuur om de diepten van de mystiek te peilen lijkt Bataille in die oorlogsjaren allerminst. In 1897 is hij in de buurt van Clermont-Ferrand geboren in een gezin dat tegenover het katholicisme op zijn best onverschillig stond. Toch maakt hij als middelbare scholier een intense, religieuze periode door. Op zeventienjarige leeftijd laat hij zich alsnog dopen en droomt hij er zelfs van priester of monnik te worden.
God is een leegte, een verschrikkelijke werkelijkheid
Die vroomheid is geen lang leven beschoren. Het seminarie houdt Bataille maar een jaar vol en halverwege de jaren twintig leidt hij in Parijs een naar eigen zeggen uitgesproken losbandig leven. Samen met de antropoloog en schrijver Michel Leiris koestert hij plannen voor een nieuwe literaire beweging met een bordeel als centrum. Hij beweegt zich in de kringen van het surrealisme, sluit vriendschap met de kunstenaar André Masson en wordt een bekende figuur in artistieke en filosofische kringen.
Onvermoeibaar roept Bataille tijdschriften in het leven die vaak na een paar nummers alweer ophouden te bestaan. In 1929 publiceert hij, onder pseudoniem, zijn eerste roman De geschiedenis van het oog, met een uitgesproken erotische inslag. Er zal nog een hele reeks romans volgen, wankelend op de rand van de pornografie. Wat is er met de ooit zo ingetogen seminarist gebeurd?
Woest dier
In het voorjaar van 1922 heeft Bataille zijn studie als archivaris afgerond met een scriptie die hem wegens uitzonderlijke kwaliteit een studieverblijf van een paar maanden in Madrid had opgeleverd. Daar ontdekt hij het stierengevecht, dat een diepe indruk op hem maakt. Hij ziet hoe een torero door een stier gedood werd: de hoorn dringt via een oog zijn hersens binnen. In De geschiedenis van het oog zal Bataille die scène gedetailleerd beschrijven.
De diepere betekenis van die gebeurtenis zal pas veel later tot hem doordringen, wanneer hij kennisgemaakt heeft met het werk van Dostojevski, Freud, Sade en vooral Nietzsche. (Bataille zal Nietzsche in de jaren dertig hartstochtelijk verdedigen tegen het misbruik dat de nationaalsocialisten van zijn werk maken.) Dankzij Nietzsche raakt Bataille ervan overtuigd dat onder de geordende werkelijkheid waarin wij leven een baaierd van wilde krachten werkzaam is, waartegenover de rede tamelijk machteloos staat. De wereld van orde, redelijkheid en gematigdheid noemt Bataille ‘het homogene’. Daartegenover (of daaronder) ligt een wereld van drift, geweld en mateloosheid die hij als ‘het heterogene’ aanduidt. Met een beetje goede wil kun je het vergelijken met wat de romantici ‘het sublieme‘ noemden.
Het is die wereld van het heterogene die Bataille ontdekt in het stierengevecht. Vanwege de ceremoniële manier waarop het woeste dier wordt gedood, heeft het gevecht volgens hem iets weg van een offer. De torero is, met zijn slimheid en technische superioriteit, de vertegenwoordiger van het menselijk vernuft, die zich in zijn strijd met de stier op het terrein van het mateloos geweld waagt. De stierenvechter is een soort priester of sjamaan die de confrontatie aangaat met het heterogene. Was het daarbij gebleven, dan was Bataille hoogstens in stierenvechterskringen een bekende naam geworden. Maar wat hij in de arena ziet, wordt voor hem het model voor wat je gerust een wereldbeeld mag noemen. Op alle mogelijke vlakken ziet hij diezelfde verhouding tussen rede en onredelijkheid, zin en waanzin, nuchterheid en dronkenschap, orde en geweld, homogeen en heterogeen terugkeren.
In het bijzonder gebeurt dat in de erotiek, waarin we ons overgeven aan handelingen die in de keurige alledaagsheid van het leven als onwelvoeglijk en misschien zelfs als ‘vies’ worden uitgebannen. In het orgasme van de liefdesdrift verliezen we zelfs voor een kort moment ons eigen ‘ik’, aldus Bataille. Het is alsof we opgaan in een wilde stroom waarin er geen duidelijke contouren meer zijn, alleen nog machten en krachten die ons op sleeptouw nemen.
Bataille zelf lijkt in die jaren de verpersoonlijking van die dubbele werkelijkheid te zijn. Overdag werkt hij als bibliothecaris in de Bibliothèque nationale, sinds 1924 in het muntenkabinet, waarschijnlijk de stoffigste afdeling van de hele instelling. Maar ’s nachts geeft hij zich over aan de uitspattingen waarin hij de ervaring van het heterogene zoekt. Sartre zal er in zijn recensie van De innerlijke ervaring een beetje de spot mee drijven. ‘Want dhr. Bataille schrijft, hij heeft een baan in de Bibliothèque nationale, hij leest, hij bedrijft de liefde, hij eet,’ aldus Sartre. Vanwaar dan al die gezwollen taal waar het boek vol mee staat, met opmerkingen als ‘Van tijd tot tijd kruisig ik mijzelf’?
Helemaal ongelijk heeft Sartre niet. De innerlijke ervaring is met zijn hakkelende opbouw een bijna onleesbaar boek. Steeds weer opnieuw begint Bataille zijn overpeinzingen, na geconstateerd te hebben dat de taal hem in de steek gelaten heeft. Proza wisselt hij af met poëzie. Hier en daar wordt de tekst aforistisch. Elders moet een rij puntjes duidelijk maken dat woorden tekortschieten om zijn ‘innerlijke ervaring’ weer te geven.
Tekst loopt door onder afbeelding

Huiver
Na een lange omweg is Bataille zo weer terug bij de religie, of liever bij het sacrale. Want wat ooit God voor hem was, is nu niet alleen een lege plek geworden, maar ook een plek die huiver oproept in plaats van zielenrust. Het ‘heilige’, zo had de godsdiensthistoricus Rudolf Otto in 1917 al geschreven, is niet iets zoetelijks, zoals de christelijke traditie maar al te graag denkt. Het wordt belichaamd door een ‘verschrikkelijke God’, zoals het Oude Testament hem noemt, die vrees en beklemming inboezemt. Het heilige is niet het goede, maar staat buiten en boven alle wet en moraal. Het valt, zo ontdekt Bataille, in belangrijke mate samen met wat hij zelf het ‘heterogene’ is gaan noemen.
In zijn mystiek zoekt Bataille de ontmoeting met deze schrikwekkende werkelijkheid, waarin alle woorden en zelfs het bewustzijn van het eigen ‘ik’ teloorgaan. Zonder risico is deze grensoverschrijding niet. Wie zich afgeeft met de woeste realiteit waartegen het alledaagse, redelijke bestaan zich zorgvuldig afgebakend heeft, loopt het risico daaruit nooit meer terug te keren en zich in waanzin te verliezen. ‘Ik ben geen filosoof maar een heilige, misschien een gek,’ schrijft hij in Meditatiemethode, het boek dat in 1947 op De innerlijke ervaring volgt.
De mens kan niet zonder verspilling leven
De godsdiensten hebben deze mystieke confrontatie met het heilige altijd gekend, zo constateert Bataille. Maar ze hebben die steeds ingebed in een ritueel, waarin de extase verbonden bleef met de wereld van rede en orde en een veilige terugkeer daarnaar gewaarborgd werd. Die ervaring tracht Bataille een nieuwe vorm te geven in geheime genootschappen die in het verborgene transgressie-rituelen uitvoeren; wat in de normale wereld als verboden, afstotelijk en zelfs walgelijk geldt, wordt daarin bewust opgezocht.
Tekst loopt door onder afbeelding

Oppotten
Of dergelijke rituelen ooit werkelijk zijn uitgevoerd is een goed bewaard geheim. Een blijvertje zijn ze in elk geval niet geworden. Langzamerhand komt Batailles leven in kalmer vaarwater, waaraan zijn zwakke gezondheid mede debet is. Hij gaat buiten Parijs wonen en zijn schrijfstijl raakt geleidelijk aan getemd. In de jaren vijftig maakt de uitbarsting plaats voor argumentatie en redelijke gedachtegang, terwijl hij zijn inzichten een steeds bredere reikwijdte geeft.
Ook de economie, zo ontdekt Bataille vanaf de late jaren veertig, wordt in het verborgene gedreven door het heterogene, dat ze tegelijk zoveel mogelijk uit zicht tracht te houden. Besparing, schaarste, nut: dat zijn de begrippen waarmee zij werkt. In werkelijkheid heeft al dat oppotten van rijkdom volgens Bataille maar één doel: het moet ooit worden geconsumeerd. Maar in een ethiek van spaarzaamheid, die typerend is voor de moderne burgerlijke maatschappij, geldt het als not done om geld over de balk te gooien en is verspilling een doodzonde.
Toch kan geen enkele economische orde het stellen zonder overtredingen van de zuinigsheidsmoraal, aldus Bataille. Wie alleen maar oppot, ziet zijn rijkdom uiteindelijk ontploffen: het geld moet érgens heen. In sommige autochtone culturen in Noord-Amerika kwamen stammen van tijd tot tijd samen om tegen elkaar op te bieden met het vernietingen van hun eigen bezittingen, zo heeft hij gelezen in het invloedrijke Essay over de gift van de antropoloog Marcel Mauss. Deze ‘potlatch’ wordt voor Bataille het voorbeeld dat hij tegen de bestaande economische modellen inbrengt. Elke samenleving moet haar homogene orde laten aantasten door het ordeloze, vernietigende heterogene. Verspilt ze niet op vreedzame wijze wat ze heeft opgespaard, dan zal dat uiteindelijk gebeuren in de vorm van oorlog: de ultieme potlatch, de grootste verspilling die denkbaar is.
Precies daarom, preciseert Bataille, is het belangrijk dat een cultuur haar buitenkant, haar heterogene tegendeel, niet uit het oog verliest. Daarom zoeken religies in mystieke ervaringen de confrontatie met het heilige; daarom dorst ieder mens ernaar zich van tijd tot tijd te verliezen in de teugelloosheid van erotiek, geweld of dronkenschap. Alleen op die manier zijn de spanningen te ontladen die zich ophopen wanneer het leven zich alleen maar richt op orde, rede, ingetogenheid en discipline.
Tekst loopt door onder afbeelding

Kathedralen
Wanneer Georges Bataille in 1962 in Vézelay overlijdt, is hij een grotendeels vergeten schrijver. Maar hij blijft dat niet lang. Een nieuwe generatie denkers ontdekt zijn werk en laat zich erdoor inspireren. In het midden van de jaren zestig schrijft Jacques Derrida een beroemd geworden essay dat Batailles denken vruchtbaar maakt voor wat later het ‘poststructuralisme’ zal heten. Michel Foucault neemt het initiatief tot de uitgave van Batailles verzamelde werken, die tussen 1970 en 1988 in twaalf delen zullen verschijnen. Zelfs in het werk van de beroemde historicus Georges Duby kom je de invloed van Bataille tegen. Wanneer Duby in zijn boek De kathedralenbouwers de middeleeuwse ridderstand beschrijft, tekent hij hen niet alleen als mensen die zich pas in het geweld van de strijd echt mens voelden, maar ook als hartstochtelijke verspillers. Anders dan voor de spaarzame burgerij in opkomst was geld voor hen iets om uit te geven aan feesten en banketten. Sommige ridders weigerden zelfs het fysiek aan te raken.
Het is alsof Batailles economie van het heterogene bij Duby gestalte krijgt in deze ridders. Of was het andersom en ontleende Bataille zijn idee mede aan de mores van de middeleeuwse vechterskaste? Je zou het bijna geloven: de scriptie waarvoor hij indertijd met zijn reis naar Spanje was beloond, ging over het dertiende-eeuwse epos De orde van de ridderstand.
Boeken

De geschiedenis van het oog
Georges Bataille
vert. Paul Claes
Uitgeverij Vleugels
64 blz.
Inner experience
Georges Bataille
vert. Stuart Kendall
State University of New York Press
293 blz.
€ 32,18
The accursed share (deel 1)
Georges Bataille
vert. Robert Hurley
Zone Books
200 blz.
€ 26,35



