Home Schoonheid Het sublieme: waarom we blijven kijken naar wat we niet willen zien
Kunst Schoonheid

Het sublieme: waarom we blijven kijken naar wat we niet willen zien

Waarom zijn we gefascineerd door rampen? Volgens de Ierse filosoof Edmund Burke ‘wekt angst genot op zolang het gevaar niet te dichtbij komt’.

Door Johan Olsthoorn op 26 oktober 2009

Sublieme Kant Burke Lyotard Beeld Janneke Huijnk

Waarom zijn we gefascineerd door rampen? Volgens de Ierse filosoof Edmund Burke ‘wekt angst genot op zolang het gevaar niet te dichtbij komt’.

09-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

Zodra het tweede vliegtuig de zuidelijke toren van het World Trade Center in vliegt, begint het beeld te schokken. Maar dan verschijnt opeens de getroffen toren weer stevig in beeld. De passant die met zijn mobiele telefoon opnamen heeft gemaakt, moet eerst in paniek zijn weggerend en zich daarna hebben omgedraaid, om gefascineerd de ramp die zich voor zijn ogen voltrok te blijven filmen.

Vrijwel iedereen reageert op deze manier op schokkende gebeurtenissen, zoals die van 11 september. Wij kunnen onze ogen niet afwenden; we moeten blijven kijken naar wat ons verbijstert. ‘Waarom voelde ik mij, en zoveel televisiekijkers met mij, gedwongen om steeds opnieuw die afgrijselijke beelden van de crash in het World Trade Center te zien, om steeds opnieuw dat afschuwelijke moment te beleven?’ Dat vraagt de Amerikaanse media-onderzoekster Margaret Weigel zich af in haar essay Terrorism and the Sublime, or Why We Keep Watching (2001). Deze fascinatie doet onkies aan, alsof we er genot aan beleven. Hoe afschuwelijk ook, we voelen ons als ramptoeristen tot de aanslagen aangetrokken. Waar komt dit dubbele gevoel – aantrekking en afstoting – vandaan? Hoe kan het dat de meest huiveringwekkende rampen ons betoveren?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een antwoord op die vraag vindt Weigel opmerkelijk genoeg in de filosofie van de kunst en de schoonheid, en wel bij de achttiende-eeuwse Ierse denker Edmund Burke (1729-1797). In Een filosofisch onderzoek naar de oorsprong van onze denkbeelden over het sublieme en het schone (1757) schrijft de filosoof over verwoestende natuurkrachten: een vulkaanuitbarsting, de onstuimige zee, een hevige storm, plotselinge blikseminslagen.
Volgens Burke werkt de aanblik van zulk overdonderend natuurschoon betoverend: ‘De geest wordt zo volledig in beslag genomen door het object dat hij niets anders kan overwegen, en bijgevolg ook niet kan nadenken over het object dat hem bezighoudt.’ Precies dit gevoel ervoer menig televisiekijker, enigszins beschaamd, op 11 september.
De term die Burke hiervoor reserveert, is ‘het sublieme’. Het woord ‘subliem’ wordt vaak gebruikt als overtreffende trap van ‘mooi’, maar Burke bedoelt er iets heel anders mee. Het werkelijk sublieme is volgens Burke angstaanjagend. De pracht van een sublieme storm ligt in de levensbedreigende kracht daarvan, in het overdonderend geweld dat ons klein en kwetsbaar doet voelen. Het sublieme is beangstigend machtig en groots. De passie die het veroorzaakt noemt Burke ‘verbazing’ (astonishment): ‘Die toestand waarin alle bewegingen van de ziel zijn opgeschort door een zekere mate van ontzetting.’Ondanks al het geweld van het sublieme, bedreigt het nooit echt een leven. Werkelijk subliem is iets dreigends pas als we er op een afstand naar kunnen kijken, als je veilig beschut de grootsheid van een woeste storm kunt waarderen. Of, zoals Burke schrijft: ‘Angst is een hartstocht die altijd genot opwekt zolang het gevaar niet te dichtbij komt.’ Dan ervaren we het gevoel van opluchting dat zo kenmerkend is voor een sublieme ervaring. ‘Alles wat deze opluchting opwekt’, stelt Burke, ‘noem ik subliem.’

Monsterlijk

Burke denkt bij het sublieme allereerst aan de gevaarlijke grootsheid van de natuur. Maar het is ook te vinden in de politiek. Over de Franse Revolutie, die hij scherp veroordeelt, schrijft de conservatieve Burke: ‘Deze monsterlijke en lachwekkende gebeurtenissen aanschouwend, voel ik beurtelings minachting en verontwaardiging, verachting en afschuw.’ Hij vergelijkt de revolutie van 1789 met een aardbeving, en vreest dat die ook in Engeland verwoesting zal brengen. Revolutionairen zien de omwenteling eveneens als een niet te stuiten, sublieme natuurkracht. ‘De revolutie is een storm’, stelt de jakobijn Jean-Marie Collot d’Herbois. ‘Wij kunnen en mogen haar beweging niet beteugelen.’ De beeldspraak van het sublieme krijgt zo een politieke functie: verzet tegen deze grootse gebeurtenissen is zinloos.

Anderen willen zich niet eens verzetten. Immanuel Kant (1724-1804) staat, in tegenstelling tot Burke, wél positief tegenover de ‘sublieme’ Franse Revolutie. De Duitse filosoof ziet in de omwenteling een teken dat de mensheid op moreel gebied vooruitgang boekt: de bestorming van de Bastille symboliseert het idee ‘vrijheid’.

Kant zelf zorgt voor een revolutie in het denken over het sublieme. Burkes Filosofisch onderzoek bevat nog een lange lijst met eigenschappen die dingen subliem kunnen maken: uitgestrektheid, complexiteit, pracht, macht, donkerte, het onverwachte en plotselinge enzovoort. Een dergelijke lijst is niet te vinden in Kants Kritiek van het oordeelsvermogen (1790). Volgens de Duitse filosoof is het sublieme geen eigenschap van de natuur, maar vindt het zijn oorsprong in de mens. De zee zelf is niet oneindig, maar door haar weidsheid schijnt ze óns oneindig (en dus subliem) toe. Net als Burke stelt Kant dat het sublieme een ‘dubbel’ gevoel geeft: de Alpen zijn huiveringwekkend én prachtig. Maar Kant geeft hier een andere verklaring voor dan Burke: het sublieme is geen eigenschap van de natuur of van kunstwerken, maar een subjectieve ervaring die ontstaat in de botsing tussen rede en verbeelding. ‘Vulkanen met hun allesverwoestend geweld, orkanen die een spoor van vernieling achterlaten, de oneindige oceaan die in woede is ontstoken… Wij noemen deze verschijnselen graag verheven, aangezien zij onze geesteskracht uittillen boven haar gewone middelmaat.’

Tegenover overweldigende natuurkrachten voelen we ons in eerste instantie hulpeloos. Op de natuur staat geen maat: onze verbeeldingskracht kan niet alle indrukken verwerken. ‘Wat de verbeelding als buitensporig voorkomt, vormt als het ware een afgrond waarin zij vreest te verdwijnen.’ Maar dan schiet de rede de verbeelding te hulp. We kunnen de onvoorstelbare kracht van een orkaan een naam geven en zo hanteerbaar maken. Al blijven we in lichamelijke zin onderworpen aan de natuur, via de rede kunnen we haar in zekere zin beheersen, meent Kant. Datzelfde geldt voor de sterrenhemel, die ons schier oneindig toeschijnt. Al kunnen we ons niet voorstellen hoe groot een lichtjaar is, toch hebben we door daarmee te rekenen een idee van het heelal. In Kants woorden: ‘Vormeloze dingen kunnen in hun totaliteit gevat worden als rationeel idee.’ Het sublieme gaat ons verbeeldingsvermogen te boven, maar laat zich overwinnen door de rede, die de materie en de zintuiglijke waarneming overstijgt. Het sublieme voelt onbehaaglijk doordat het ons voorstellingsvermogen te boven gaat, maar ook plezierig doordat de rede er vervolgens grip op kan krijgen. Dit bewijst volgens Kant dat wijzelf, via de rede, het sublieme doen ontstaan. Deze subjectieve ervaring toont de kracht van de menselijke geest over de materie.

Terreur

Twee eeuwen en twee wereldoorlogen later is het ontzag voor de menselijke rede behoorlijk afgenomen, in elk geval bij de Jean-François Lyotard (1924-1998). Volgens de postmoderne Franse filosoof heeft het sublieme dan ook niets te maken met de menselijke rede; het is onuitdrukbaar en niet te verbeelden. Hoewel hij zijn begrip van het sublieme verduidelijkt aan de hand van moderne abstracte schilderijen, gaat het hem bij het sublieme niet alleen om kunst. Alles wat niet uit te drukken valt, noemt de Fransman ‘subliem’. De rede kan de verbeelding niet meer helpen: het sublieme gaat zelfs de kracht van de rede te boven. Zoals gezegd symboliseert voor Kant de bestorming van de Bastille nog het idee ‘vrijheid’. Lyotard legt echter al ver voor de aanslagen van september 2001 een verband tussen het sublieme en terreur.

Zo blijven de aanslagen van 11 september ons terroriseren. Dit sublieme schokt ons, laat ons sprakeloos achter. In feite houdt het daarmee op subliem in de kantiaanse zin te zijn: hoe vaak we er ook naar kijken, hoeveel we er ook over nadenken, praten, lezen – we kunnen het geen plaats geven, er geen redelijk verhaal van maken. Lyotards begrip van het sublieme past hier nog wel: we laten ons betoveren door de spanning tussen het besef dat iets gebeurt en de onwetendheid over wat gebeurt. We proberen woorden te vinden voor iets wat zich niet in woorden laat vatten. En terwijl we daarmee bezig zijn, moeten we dat sublieme moment herbeleven, opnieuw en opnieuw.