Home Psyche Philippe van Haute: ‘Ieder mens is onaangepast’
Psyche

Philippe van Haute: ‘Ieder mens is onaangepast’

Door Annette van der Elst op 03 oktober 2005

08-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

Volgens filosoof en psychoanalyticus Philippe van Haute loopt ieder mens al in zijn vroegste kindertijd een trauma op, omdat hij zich niet volledig kan aanpassen aan de wereld van volwassenen, gevuld met onbegrijpelijke seksuele boodschappen. Over Oedipus en de orthodoxie van psychoanalytici: ‘Ik ben tot persona non grata verklaard’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 ‘Ontsporing behoort tot de kern van het menszijn. Pathologisch – gestoord – gedrag is dan ook geen afwijking van wat essentieel menselijk en dus normaal zou zijn’, zegt de Belgische filosoof Philippe van Haute. ‘Om het menselijk bestaan te doorgronden, moeten we daarom van de psychopathologie uitgaan. Dat is de grote verdienste van Freud, en van de psychoanalyse die tot op de dag van vandaag actueel is.’
 
Van Haute, hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, houdt een stevig pleidooi voor een herwaardering van de theorieën van Freud en de psychoanalyse. De Freudiaanse inzichten en concepten wil hij echter herzien én herformuleren. In Voorbij Oedipus, dat volgend jaar zal uitkomen, vraagt hij zich af of het oedipuscomplex wel het universele kerncomplex van het onbewuste is, zoals Freud stelde. Ligt er aan het oedipuscomplex niet een ander fundament ten grondslag wat een mens tot mens maakt?
 
In de studeerkamer van zijn woning in Leuven staan behalve de gebruikelijke attributen van de intellectueel – boeken, een bureau en een computer – een divan met daarachter een stoel. Naast filosoof is hij praktiserend psychoanalyticus. Die combinatie heeft hem er toe gedreven om samen met de eveneens Belgische filosoof Paul Moyaert het ‘Centrum voor psychoanalyse en wijsgerige antropologie’ op te richten, een samenwerking tussen de Katholieke Universiteit van Leuven en de Nijmeegse vakgroep wijsgerige antropologie. Een gewaagde onderneming, want de psychoanalyse is een denken én een praktijk die meer en meer verguisd wordt: in Nederland hebben de vaak lange psychoanalytische kuren plaats gemaakt voor behandelingen met antidepressiva en gesprekken die ‘denkfouten’ corrigeren – en dat het liefst in twaalf sessies. ‘Wij gaan het hier in België nog beter doen’, zegt Van Haute. ‘Onze minister van Volksgezondheid wil dat we mensen in het vervolg in acht sessies van hun depressies genezen.’ 

Freuds betekenis ligt volgens Van Haute vooral in het door hem geschetste mensbeeld. ‘Dat is misschien ook wel de reden waarom het debat met psychoanalytici vaak zo passioneel gevoerd wordt. Want als men het alleen maar onwetenschappelijke onzin vindt, waarom zegt men dan niet: het gaat over niks, we laten het links liggen. Maar aan de basis van deze debatten ligt de vraag: wie zijn we en wie willen we zijn?’

Van Haute baseert zich op een van Freuds vroegere geschriften, Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit waarvan de eerste versie in 1905 verscheen. Hierin formuleert Freud de centrale rol van de seksualiteit en van het onbewuste in het menselijke bestaan. Ook al wordt meestal naar de tweede en derde verhandeling verwezen – over de kinderlijke seksualiteit en de puberteit – de eerste is minstens zo belangrijk, zegt Van Haute.

In dit opstel onderzoekt Freud het ontstaan van veel voorkomende seksuele ‘afwijkingen’ zoals homoseksualiteit, sadomasochisme, voyeurisme, exhibitionisme en fetisjisme. Freud meent dat de ‘populaire mening over seksualiteit’ die zegt dat seksualiteit een heteroseksueel instinct is dat gericht is op de voortplanting, onjuist is en komt tot de conclusie dat perversies en homoseksualiteit iets vertellen over het wezen van de seksuele drift. Deze perversies tonen op een uitvergrote wijze de samenstellende delen van die drift. Seksualiteit is een – precair – samenspel van die verschillende perverse tendensen. Zo is voyeurisme volgens Freud een overdrijving van de kijklust die in iedere seksuele verhouding aanwezig is.

‘Van belang is niet alleen dat Freud seksualiteit centraal stelt, maar dat hij seksualiteit vanuit haar pathologieën bestudeert. Dat is waardevol’, benadrukt Van Haute. ‘Wat de hele psychoanalytische traditie karakteriseert, is niet alleen seks, maar pathologie. De psychopathologie laat iets zien over de fundamentele structuren van de mens. We kunnen de basisstructuren pas goed begrijpen als we die vanuit de psychopathologie bestuderen.’
‘Freud spreekt ook over het kristalprincipe. Gooi een kristal op de grond en het breekt langs lijnen die van tevoren niet zichtbaar waren, maar wel tot de basisstructuur van de kristal behoren. Elk brokstuk van het kristal zou je met een afwijking kunnen vergelijken. Die eigenschappen zijn kenmerkend voor iedereen, maar ze worden pas zichtbaar in de pathologie.’

‘Freud gaat niet uit van een hypothetisch ideaal van normaliteit of psychische gezondheid, waartegenover hij de pathologie bepaalt, zoals in de wijsgerige antropologie veelal wel gebeurd. De mens moet een soort evenwicht vinden tussen alle in potentie pathologische tendensen, en er is geen innerlijke essentie die vervolmaakt moet worden, zoals Aristoteles bijvoorbeeld beweert. Heidegger of Merleau-Ponty zien wel de mogelijke mislukking onder ogen, maar niet als iets wat het menszijn wezenlijk karakteriseert. Beiden erkennen het wijsgerig belang van psychopathologie, maar ze doen dit in een negatieve zin: de fenomenologische psychiatrie bijvoorbeeld noemt de pathologie als het negatief van psychische gezondheid.’ 
 

Oedipus

Ook al pleit Van Haute voor een herwaardering van de psychoanalytische traditie, hij wil zich niet opsluiten in het kamp van geborneerde psychoanalytici die zich tegelijk gekwetst en hooghartig afkeren van ieder ander psychotherapeutisch, metapsychologisch of antropologisch inzicht. ‘Ons project (van het centrum) beperkt zich niet uitsluitend tot de psychoanalyse. We gaan het debat aan met belendende wetenschappen en andere stromingen, zoals de evolutionaire psychiatrie, gehechtheidstheorie en gedragstherapie.’

Het is een houding die in psychoanalytische kringen niet altijd in goede aarde valt. Vooral in Lacaniaanse kringen – Van Haute staat als een kenner van het werk van de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan te boek – zijn er mensen die hem als een afvallige zien. ‘Sommigen hebben mij tot persona non grata verklaard of kijken mij met de nek aan. Het gedachtegoed van Freud en Lacan is waardevol, maar na Lacan zijn de Lacanianen gekomen die als priesters zijn werk beschermen. Het volstaat echter niet alleen naar hem te blijven verwijzen. Een discipline kan niet gered worden door mensen die al jaren dood zijn. Het stemt me ongelukkig dat psychoanalyse blijkbaar vaak tot orthodoxie leidt.’

De kritiek van deze ‘orthodoxe’ psychoanalytici heeft onder meer betrekking op Van Hautes herziening van de status van het oedipuscomplex. Freud beschouwt de libidinale liefde van het kind voor de ouder van het andere geslacht en jaloezie ten opzichte van de ouder van hetzelfde geslacht als een universeel verschijnsel. ‘Ieder mens is eenmaal in aanleg en in zijn fantasie een koning Oedipus geweest’, schrijft hij in 1897 na een grondige zelfanalyse. De naam van het nieuw ontdekte complex ontleende hij aan de hoofdpersoon van de gelijknamige tragedie van Sophokles die zijn vader doodde en zijn moeder huwde.

Ongeveer twintig jaar later maakt Freud het oedipuscomplex tot het kernconflict waaromheen de persoonlijkheid van ieder mens zich opbouwt: anders dan bij Sophokles raakt de kleine oedipus al snel gefrustreerd in zijn verlangen. Het jonge kind moet zijn libidinale liefde voor de ouder van het andere geslacht wel opgeven; het is niet met de werkelijkheid in overeenstemming te brengen, én de seksuele ontwikkeling van het kind is nog niet ver genoeg gevorderd. De bij het oedipuscomplex behorende rivaliserende verhouding met de ouder van hetzelfde geslacht vindt een uitkomst in de identificatie met die ouder. Het kleine jongetje bijvoorbeeld kan denken: als ik net zo word als mijn vader, kan ik later ook krijgen wat hij nu heeft.

De bij het oedipuscomplex behorende libidineuze strevingen worden zo gesublimeerd: ze worden gedeseksualiseerd en omgevormd voor sociaal meer aangepaste doeleinden. Van Haute: ‘Het oedipuscomplex heeft een humaniserende functie en regelt – via een ingewikkeld spel van identificaties – de toegang tot de cultuur. Pas met het oedipuscomplex worden we volgens Freud mens. Psychopathologie heeft te maken met de manier waarop we dit complex doorlopen.’ 
 

Ontgoocheling

Het oedipuscomplex is, aldus Freud, universeel, omdat het geworteld is in de menselijke biologie. Lacan verwerpt de biologische fundering en vervangt die door de wetten van de taal. Hij legt de nadruk op het castratiecomplex: de intrede in de symbolische orde van de taal en het accepteren van de wet (van de vader) gaan gepaard met een (symbolische) castratie. Maar ook bij hem blijft het een verschijnsel van alle tijden en culturen, dat noodzakelijk is om van een mens een mens te maken.

Van Haute vraagt zich af of dat wel zo is. Is het niet eerder een cultureel en historisch bepaald antwoord op een onderliggend, universeel conflict? De seksuele ontwikkeling van het kleine meisje laat namelijk iets anders zien, meent hij. Het werk van Freud, met name het latere geschrift Over de vrouwelijke seksualiteit geeft daartoe al een aanzet, zegt van Haute. Freud onderstreept in deze teksten de eerste, pre-oedipale moederbinding. Hij vraagt zich vervolgens af waarom het meisje zich in de oedipale fase niet meer op de moeder, maar op de vader richt. Freuds antwoord is dat ze haar moeder er de schuld van geeft dat ze geen penis heeft. Hij sluit daarmee aan bij de door hem waargenomen kinderlijke fantasie en de daaruit voortkomende angsten en fantasieën dat meisjes oorspronkelijk een penis hadden, maar deze hebben verloren. Van Haute: ‘Freuds theorie is wellicht ingebed in de cultuur van zijn tijd, waar allerlei misverstanden over de vrouwelijke seksualiteit de ronde deden. Tegelijk zegt hij ook iets wat ik nu nog heel belangrijk vind, namelijk dat de oorspronkelijke pre-oedipale relatie met de moeder onvermijdelijk gepaard gaat met ontgoochelingen, want de kinderlijke liefde is grenzeloos en vraagt om een exclusief bezit van de ander waarin zij nooit zal slagen. Ook moet het kinderlijk verlangen volgens Freud wel onbevredigd blijven, omdat het geen orgastische ontlading kent.’

‘Deze overwegingen van Freud dwingen ons anders over het oedipuscomplex te denken. Anders dan hij leg ik niet de nadruk op het oedipuscomplex als hét conflict dat bepalend is voor de vorming van het onbewuste, maar op de periode die eraan vooraf gaat, de pre-oedipale fase. Die periode is zo belangrijk, omdat dan de vraag opkomt waar het kind in de oedipale fase een antwoord op tracht te geven: het kleine meisje kan bijvoorbeeld denken dat het door de moeder in de steek wordt gelaten, omdat haar moeder niet alleen van haar, maar ook van haar vader houdt. Het verwijt aan de moeder dat die haar penis heeft afgenomen, is een rationalisatie, een redelijke verklaring voor haar gevoel van woede, waarvan de werkelijke emotionele motieven niet kunnen worden waargenomen.’

Het oedipus- en bijbehorend castratiecomplex geven zo, zegt Van Haute, betekenis aan een oorspronkelijke problematiek die tot het menszijn zelf behoort. Die oorspronkelijke problematiek is volgens hem de structurele ongelijkheid tussen de wereld van het kind en de wereld van de volwassenen. Hij baseert zich daarbij onder andere op de opvattingen van de Franse psychoanalyticus Jean Laplanche (een leerling van Lacan en ‘geëxcommuniceerd’ door de Lacanianen): het kind komt bij zijn geboorte in een volwassen wereld terecht en wordt in zijn eerste relaties waarin het zich hecht blootgesteld aan enigmatische seksuele boodschappen van de volwassenen. Het kind weet hier geen raad mee, omdat het niet over de adequate middelen beschikt om deze te vertalen en in zijn eigen leefwereld te integreren. Een zwangere moeder of volwassenen die elkaar innig omhelzen bijvoorbeeld confronteren het kind met een seksuele boodschap die het niet ten volle kan begrijpen. Hoe is die zwangerschap tot stand gekomen? Is die omhelzing agressief of liefdevol? Maar ook de schuldbeladen seksuele gevoelens die de moeder kan hebben bij het voeden van haar kind is zo’n boodschap, de manier waarop ouders hun kind wiegen, verschonen en strelen; het kind moet deze enigmatische boodschappen een plaats geven.

‘Deze boodschappen verstoren de fundamentele vooronderstelling waarop het kind de verhouding tot de moeder baseert’, voegt Van Haute toe, ‘namelijk dat de moeder er uitsluitend voor het kind is. De enigmatische boodschappen zijn als een permanente herinnering aan het feit dat de moeder belangen en interesses heeft die het kind ver overstijgen.’ 
 

Falen

‘Elk kind moet een antwoord formuleren op het fundamentele gebrek aan afstemming tussen zijn wereld en de wereld van de volwassenen. Dit gebrek aan afstemming moet beschouwd worden als een antropologisch a priori waaraan geen mensenkind ontsnapt, en dat bepalend is voor de menselijke subjectiviteit.’

Maar juist vanwege het essentiële verschil tussen zijn wereld en die van de volwassenen is deze poging tot falen gedoemd. Het kind kan immers de passionele volwassen boodschappen, waarin ook altijd seksuele elementen zitten, niet plaatsen, omdat hij deze passies zelf (nog) niet kent. De constructie van de psyche en de scheiding tussen het onbewuste en het bewuste (ik) is hiervan het gevolg. Dat wat het kleine kind in de seksuele boodschappen van de ander kan vertalen integreert het in het ‘ik’. Dat wat overblijft en wat niet vertaald kan worden, vormt het onbewuste en wordt zo een poel van wat niet ‘gebonden’ of betekend is. Van Haute: ‘Het onbewuste bestaat uit tijdloze representaties die geen psychische betekenis hebben. De enigma’s zijn als oorspronkelijke trauma’s die blijven doorwerken, als een structureel onvermogen, en ons blijven achtervolgen.’ Deze enigmatische boodschappen kunnen vervolgens ook onszelf treffen. Van Haute: ‘Een paar weken geleden werd ik buiten proporties kwaad op mijn oudste zoon. Waarom, was mij ook niet duidelijk. Hij werd geconfronteerd met mijn gepassioneerdheid, het viel voor hem niet in te kaderen, maar voor mij ook niet.’ De volwassene zal met de enigmatische boodschappen waarmee hij wordt geconfronteerd – van hemzelf of van anderen – omgaan, zoals hij daar initieel mee heeft leren omgaan. Er is geen juiste of enige ‘gezonde’ manier om dat de te doen en de trauma’s van de gebrekkige afstemming tussen de wereld van het kind en die van de volwassenen zijn onvermijdelijk. Toch, ook al is de notie van gezondheid afwezig, we moeten, zegt Van Haute, ‘niet vervallen in de nacht waarin alle koeien zwart zijn’ en dat alle neurotici hetzelfde zijn. De mens is wezenlijk onaangepast, maar er zijn wel kwalitatieve verschillen. De processen die er aan ten grondslag liggen, kennen echter slechts graduele verschillen.’

Philippe van Haute is hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Samen met Paul Moyaert heeft hij het Centrum voor psychoanalyse en wijsgerige antropologie opgericht, dat wetenschappelijk onderzoek naar de wijsgerige wortels van de psychoanalyse en naar de implicaties ervan stimuleert en coördineert.