Home Vrouwelijke denkers Ook vrouwen hebben rechten
Vrouwelijke denkers

Ook vrouwen hebben rechten

Door Marije de Vries op 19 maart 2013

04-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
Mary Wollstonecraft (1759-1797) zag in het liberalisme een kans voor vrouwen. Maar tegelijkertijd bekritiseerde ze fel allerlei liberale paradoxen: vrijheid voor allen blijkt niet voor iedereen te gelden, en leidt tot grote sociale ongelijkheid.
 
Ze wisten het zeker, de Verlichte mensen  in de zeventiende en achttiende eeuw. Het verstand zou voortaan de boventoon moeten voeren en de staat moest de mens zijn vrijheid en andere ‘natuurrechten’ teruggeven. De adel zou van de nieuwe ideeën niet profiteren, de koning en geestelijkheid ook niet. Zij hadden eeuwenlang hun macht verkregen via ‘God’, maar de nieuwe ‘Verlichte God’ liet de mensen voortaan zelf beslissen wie zij als hun leiders zagen. Of, zoals een van de grondleggers van het liberalisme, John Locke (1632-1704), schreef: ‘All men are equal, they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness’. Degene die door de rede bevrijd zou moeten worden, was dan ook ‘het individu’ – volgens de filosofen moest deze loskomen van de drukkende invloed van de ouderwetse staat.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maar als de Verlichtingsfilosofen een individu voor zich zagen, dan zagen ze meestal een man –geen vrouw. In al hun vooruitstrevendheid vonden velen van hen dat vrouwen anders behandeld moesten worden. Zo schreef Locke bijvoorbeeld dat de overheid zich niet moest bemoeien met het huwelijk, maar was hij ook van mening dat bij onenigheid binnen het huwelijk de man het laatste woord moest hebben. Volgens Locke was de man ‘van nature’ nu eenmaal ‘bekwamer en sterker’. Bovendien waren getrouwde vrouwen – de grote meerderheid van de vrouwen – op veel gebieden financieel en anderszins afhankelijk van hun man en konden volgens hem daarom geen zelfstandig oordeel vormen. Immers, voor een zelfstandig oordeel was onafhankelijkheid noodzakelijk, vond Locke.
 
Ook Franse filosofen vonden in meer of mindere mate dat alle macht bij mannen zou moeten liggen. Zo schreef Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) dat vrouwen van nature zwak, passief en verzorgend van aard waren en stelde dit tegenover de man – die sterk en actief zou zijn. Rousseau dacht dat als beide geslachten zich hielden aan hun ‘ware aard’, er dan een perfecte harmonie tussen de geslachten zou ontstaan – en daarmee een stabiele maatschappij. Kortom: hoewel de liberale en andere Verlichte denkers protesteerden tegen het van bovenaf opgelegde juk van traditionele autoriteiten, wilden ze dat juk veelal alleen voor henzelf afwerpen – en niet voor de andere helft van de mensheid.
 
De fundamentele kritiek op deze traditionele wereldbeelden kwam van de Engelse Mary Wollstonecraft (1759-1797). Na een moeilijke jeugd, getekend door een agressieve vader en een zwakke moeder, was zij in Londen gaan wonen. Daar kwam zij terecht in een kring radicale denkers en kunstenaars: onder meer William Godwin, Thomas Paine en William Blake gingen tot haar kennissen- en vriendenkring behoren. In combinatie met haar autodidacte achtergrondkennis op het gebied van politiek en filosofie – een echtpaar waar ze in haar pubertijd vaak op bezoek kwam gaf haar Franse revolutionaire werken om te bestuderen mee naar huis – en de levenservaring die ze had opgedaan in haar jeugd, gaven deze ontmoetingen haar voldoende basis om ‘de Grote Denkers’ met haar pen van stevige repliek te kunnen dienen.
 
Wollstonecraft schreef  in een kritiek op het beroemde boek Reflections on the French Revolution van de conservatieve filosoof Edmund Burke dat ze niet snapte dat hij de adel verdedigde, terwijl ‘gewone’ mensen, en dan vooral vrouwen, zo weinig kansen kregen in de oude standenmaatschappij. Niet alleen de conservatieven kregen er van langs. In haar volgende boek, genaamd A Vindication of the Rights of Woman (1791), veegde ze definitief de vloer aan met liberale en andere Verlichte filosofen die volgens haar in hun ideeën niet consequent genoeg waren. Zij wees hen er fijntjes op dat ze in hun poging ‘het individu’ te redden de helft van de bevolking ‘vergaten’.
 
Mary Wollstonecraft was er van overtuigd dat mensen in oorsprong aan elkaar gelijk zijn. Tradities, opvoeding, geloof en gewoonten hadden van sommige vrouwen weliswaar minder (tegenover mannen) rationele wezens gemaakt en er waren weinig slimme en beroemde vrouwen in de maatschappij waar men tegen op kon kijken. Maar dat betekende niet dat de twee seksen ieder op hun eigen manier behandeld moesten worden -dat was inconsequent en weinig vooruitstrevend. De liberale en andere Verlichte filosofen lieten zich volgens Wollstonecraft op het gebied van vrouwen leiden door argumenten die tirannieke koningen en ministers eeuwenlang gebruikt hebben: dat ongelijkheid een natuurlijke situatie is omdat het altijd zo geweest is.
 
Wollstonecraft raakte met haar kritiek een zwakke plek in liberale (en andere) filosofieën: hoe ziet een natuurtoestand er eigenlijk uit? Het liberale standpunt luidde immers dat alle mensen van nature gelijke rechten hebben, maar in de praktijk bleken er toch allerlei uitzonderingen op deze regel te bestaan. Het grote probleem is namelijk hoe je een abstract idee als natuurrecht in kan zetten in concrete situaties. Want zelfs als je stelt dat er zoiets bestaat als een universele, boven tijd en plaats verheven, ‘natuurlijk’ recht, dan blijft nog steeds de vraag wie dit recht toekomt.

Volgens veel (liberale) filosofen zouden sommige mensen (bijvoorbeeld mannen) meer macht en mogelijkheden moeten hebben dan anderen (in dit geval: vrouwen), ondanks het bejubelde credo ‘All men are equal’. Kortom: het begrip ‘natuurtoestand’ werd inhoudelijk aangepast naar gelang de situatie of theorie daar om vroeg.
 
Mary Wollstonecraft had niet alleen kritiek op de grote denkers. Uit ‘A Vindication of the Rights of Woman’ blijkt dat ze ook een ambivalente houding had ten opzichte van vrouwen uit haar tijd. Aan de ene kant ergerde ze zich aan hun onzelfstandigheid en gebrek aan intellectualisme. Ze zag vrouwen als een stel kleverige klimplanten, die list en charme gebruikten om een beetje erkenning van hun omgeving te krijgen. Maar ze merkte ook op dat vrouwen niet altijd bij machte waren om hun situatie te veranderen. Het was moeilijk en vaak niet sociaal gewenst economisch zelfstandig te worden. Van kinds af aan werd hen ingepeperd dat ze niet zonder een man konden. ‘She was created to be the toy of the man, his rattle, and it must jingle in his ears whenever, dismissing reason, he chooses to be amused’, aldus Wollstonecraft.
 

In ‘A Vindication of the Rights of Woman’ stelde Wollstonecraft dat vrouwen, net als soldaten, geen deugden maar slechts gewoontes leerden waardoor ze zich voegden naar autoriteit en enkel lieten leiden door vooroordelen. Ze vond het zonde dat vrouwen hun talenten zo verspilden: ‘It is your own conduct, O ye foolish women, which throws an odium on your sex!’ Beter zou het zijn als vrouwen hun gevoelsleven leerden te beteugelen met behulp van de Rede: ‘The steadiness of the head gives a healthy temperature to the heart’, schreef Wollstonecraft. Om dat te leren was (goed) onderwijs voor vrouwen noodzakelijk, vond ze.
 
Wollstonecraft vond onderwijs een natuurrecht voor alle individuen, dus ook voor vrouwen. Ieder kind moest daarom naar school en Wollstonecraft vond dat de staat een actieve rol moest spelen om dat te bewerkstelligen. De staat moest ervoor zorgen dat meisjes en jongens (samen! – dat was bijzonder in die tijd) les kregen in een school dichtbij hun huis zodat ze de rede actief konden leren gebruiken. Daarmee werd de staat door Wollstonecraft verantwoordelijk gesteld voor het rechttrekken van de achterstand die vrouwen, een groep individuen die allen in hetzelfde schuitje zaten, hadden opgelopen ten opzichte van een andere groep: mannen. 
 
Hiermee stipt Wollstonecraft een tweede gevoelig punt in de liberale filosofie aan: in hoeverre kan iemand vrij zijn als hij of zij niet gelijk is aan anderen? Is een vrouw vrij als zij amper ontplooiingsmogelijkheden heeft (-en een ander wel)? Mary Wollstonecraft vond van niet: zij dacht dat de maatschappij na het opheffen van de standen aan sommige mensen nog steeds niet veel kansen bood. Liberale en andere verlichte denkers verlangden veelal niet veel meer van de staat dan het waarborgen van natuurrechten voor het individu, zodat ze argumenten in hand hadden om de oude standenmaatschappij grotendeels op te doeken. Immers: als de staatsbemoeienis kleiner zou worden, zou de standenmaatschappij vanzelf ook uiteenvallen. Wollstonecraft vond echter dat er ook mogelijkheden gecreëerd moesten worden om alle groepen in de maatschappij de nieuwe vrijheid te gunnen: iedereen moest gelijke kansen krijgen.
 
Pas decennia later zou dit idee, dat de staat ook positieve, actieve plichten heeft ten opzichte van bepaalde groepen in de maatschappij, op grotere schaal gaan leven. Naar aanleiding van onder meer de slechte omstandigheden waarin arbeiders moesten leven, kwamen toen allerlei sociale en politieke stromingen op, met wellicht als meest bekende exponenten Karl Marx en John Stuart Mill. Ook nu haalt de ongelijkheid tussen individuen het paradijselijke ideaal van de liberale vrijheid nog regelmatig onderuit. Hoewel een land als Nederland relatief veel vrijheid biedt, vieren ongelijke levensstandaarden en kansen hoogtij.
 
Wollstonecraft raakte met haar kritiek twee zwakke doch essentiële punten uit de liberale filosofie. Toch had haar denken ook overeenkomsten met het liberale gedachtegoed. Zo benadrukte ze dat niet alleen de overheid verantwoordelijk was voor het lot van mensen. In de privé-sfeer zouden mannen en vrouwen hun steentje moeten bijdragen door ‘de ketens van het ouderwetse huwelijk los te knippen’, zo schreef Wollstonecraft, en te streven naar een rationele, gelijkwaardige vriendschap tussen man en vrouw. Opdat de goedbedoelde vrijheid niet opnieuw tot ongelijkheid tussen individuen zou leiden.
 
Dit is het eerste deel uit een serie over critici van het liberalisme.
 

Mary Wollstonecraft Shelley

Mary Wollstonecraft, schrijfster van ondermeer De verdediging van de rechten van de mens (1790) en De verdediging van de rechten van de vrouw (1792), wordt op 27 april 1759 geboren in Londen. Zoals gebruikelijk in die tijd geniet ze als meisje een povere educatie. Later zal ze in haar geschriften pleiten voor betere scholing voor meisjes. In 1785 opent ze haar eigen school in Stoke Newington waar ze bevriend raakt met Thomas Paine en William Godwin. Eind 1792 gaat ze naar het revolutionaire Parijs.  Net na de revolutie was er hoop op meer rechten voor de vrouw, maar met het bewind van Robespierre komt hieraan een einde. Mary vlucht samen met haar grote liefde Gilbert Imlay, een Amerikaanse zakenman, naar Neuilly terwijl vele andere feministen onder de guillotine eindigen. Na de geboorte van hun dochter Fanny laat Imlay haar in de steek. In 1797 trouwt Wollstonecraft met William Godwin. Tien dagen na de geboorte van haar tweede dochter Mary Shelley, de latere schrijfster van Frankenstein, sterft ze aan een infectie. Godwin publiceert postuum al haar geschriften. Dit resulteert in bergen negatieve kritiek op haar ‘ongewone’ leven van zondige seksuele relaties en zelfmoordpogingen.
 
Meer over Mary Wollstonecraft op www.rosadoc.be/site/mainnl/vaste_items/spot3.htm en www.library.utoronto.ca/utel/authors/wollstonecraftm.html.