Home Politiek Hoe overleven we de globalisering?
Politiek

Hoe overleven we de globalisering?

Door Rutger Claassen op 26 maart 2013

07-2004 Filosofie magazine Lees het magazine

De hoop op wereldvrede is verdwenen achter een dreigende horizon van terrorisme en vergelding. Tegelijkertijd moeten we leren omgaan met andere culturen; de globalisering is immers door technologische en economische ontwikkelingen niet te stuiten. Is een mondiale ethiek mogelijk? Alleen als we het conflict in onszelf – en in de wereld – erkennen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Globalisering heeft zich definitief in ons bewustzijn genesteld. Op het eerste gezicht klinkt deze simpele constatering vreemd. Globalisering is als modewoord immers opgekomen in een tijd die alweer zover achter ons lijkt te liggen: de jaren negentig, het begin van het elektronische tijdperk waarin elke plaats in de wereld met elke andere werd verbonden (of zo leek het) en de verschrikkingen van de Koude Oorlog definitief waren verdwenen (of zo leek het, voor even). Maar ook al zijn de omstandigheden sindsdien radicaal gewijzigd, globalisering bleef. Net als alle succesvolle begrippen kan globalisering zich razendsnel aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Maar het is nog weinig opgemerkt dat de nieuwste ontwikkelingen de basisgedachte van globalisering werkelijk onder grote druk zetten. Daarom is de vraag of het project van globalisering vandaag de dag nog wel houdbaar is. Overleeft globalisering haar eerste fase?

Wat is globalisering? In eerste instantie was globalisering niet meer dan de beschrijving van een feit. Globalisering gebeurt, of we dat nu leuk vinden of niet. Het ‘feit’ is dat economische stromen tussen landen intensiever zijn geworden, milieurampen in toenemende mate gevolgen hebben die over landsgrenzen heen reiken, ziektes zich door het moderne vervoer razendsnel over de globe kunnen verspreiden, et cetera. Maar globalisering heeft een Januskop, kent twee gezichten. Vanaf het begin is er naast globalisering als feit globalisering als ideaal geweest. Een politiek ideaal: de droom dat na het verdwijnen van de machtsstrijd tussen de VS en de Sovjet-Unie er een tijdperk van eeuwige vrede – of toch tenminste zonder grote oorlogen – zou intreden. Maar ook, een economisch ideaal: dat alle landen zich zouden voegen in het kapitalistisch systeem en zouden worden opgestoten in de welvaart der volkeren. Sommigen droomden zelfs van een cultureel ideaal; dat er een wereldwijde cultuur of beschaving zou ontstaan.

Het zijn deze idealen van globalisering die nu, na de eerste euforische fase, in het slop zijn geraakt. Met de opkomst van het terrorisme zijn de spanningen in de wereld steeds verder toegenomen en verdween de wereldvrede onbereikbaar achter de horizon. De neoliberale economische filosofie van de jaren negentig stuitte op de protesten van de anders-globaliseringsbeweging, maar ook op haar eigen grenzen: zo gaven IMF en Wereldbank toe dat zij wat al te voortvarend zijn geweest in de, vaak sociaal desastreuze,  aanpassingen die ze van arme landen eisten. Na de internethausse kwamen bovendien de bedrijfsschandalen en de recessie. Met het behalen van de Millenniumdoelstellingen die in 2000 plechtig door de VN werden afgekondigd (onder andere halvering van de wereldwijde armoede in 2015) gaat het ook niet al te best. Wat is er mis gegaan?
Aan globalisering, zowel de feitelijke als de gedroomde globalisering, ligt één basisgedachte ten grondslag: dat globalisering het bestaan van landsgrenzen, deze zo ‘verfoeilijke’ afbakeningen tussen mensen, tenietdoet. In die zin is globalisering eigenlijk een negatief project. Zij definieert zich door haar tegenpool: een wereld van grenzen. Een ‘inter-nationale’ wereld moest worden vervangen door een mondiale wereld; burgers zouden wereldburgers worden, in plaats van inwoners van een nationale staat. Deze harde kern van de globalisering is niet politiek of economisch, maar ethisch en filosofisch: zij veronderstelt dat wij bij onze beslissingen en ons handelen in staat zijn om een mondiale houding in te nemen; een mondiaal bewustzijn. De concrete problemen waar de globalisering nu op stuit hebben alles te maken met het utopische karakter van dat project. De grenzen in ons hoofd zijn hardnekkiger dan gedacht, ons bewustzijn is volstrekt niet geglobaliseerd.

Identiteit

Dit doet de vraag rijzen of het wel mogelijk is om de gedroomde geglobaliseerde wereld te bereiken. Zijn wij mensen er eigenlijk wel toe in staat? Veronderstelt het niet een onmogelijke tour de force? De belangrijkste reden om te twijfelen aan zoiets als een mondiaal bewustzijn is dat mensen behoefte hebben aan een identiteit en dat identiteit bestaat bij gratie van het verschil. Een Ajax-fan kan alleen zijn zelfrespect aan zijn identiteit van Ajax-fan ontlenen bij gratie van het feit dat er ook Feyenoord-fans zijn. Hetzelfde geldt voor filosofen en niet-filosofen, moeders en happy singles, en ook voor Nederlanders, Amerikanen en Irakezen. Identiteit is afhankelijk van kenmerken die je met sommigen deelt, maar niet met allen.

De grootste poging die ooit in de filosofie is gedaan om dit te veranderen is die van Immanuel Kant. Hij heeft geprobeerd om ons menszijn zelf als zo’n identiteitskenmerk te laten gelden: bij al je handelen moet je je volgens hem laten leiden door de vraag wat dat handelen voor anderen betekent, en mag je die anderen niet als middel (of in ieder geval niet alléén als middel) gebruiken maar moet je hen respecteren als ‘doel in zichzelf’. Elke mens bezit namelijk een inherente waardigheid, die gerespecteerd moet worden. Deze leer was revolutionair, en is de basis geworden voor de idee van mensenrechten. In een bepaald opzicht is dat een succes geworden: iemand die mensenrechten schendt zal dat meestal proberen verborgen te houden of te ontkennen, en erkent daarmee in ieder geval de macht van het idee. Maar hoewel de juridische procedures toenemen en de politiek er de mond vol van heeft, betekenen de mensenrechten niet de doorbraak van een mondiaal bewustzijn. Daarvoor is de naleving te beperkt. Maar zelfs als de mensenrechten universeel zouden worden nageleefd, is er nog geen mondiaal bewustzijn: daarvoor zijn die rechten zelf te beperkt: het gaat slechts om minimumstandaarden van fatsoen. Voor een mondiale ethiek is meer nodig.

Dat brengt ons terug bij de vraag of zo’n ethiek mogelijk is. Die vraag verschijnt nu als de vraag of onze verschillende identiteiten kunnen worden verzoend: onze identiteit als Ajax-fan, ouder of Nederlander tegenover onze identiteit als mens. Het mondiale conflict speelt zich dus in feite in onszelf af, als een botsing tussen onze ‘lokale’ identiteiten en een gewenste mondiale identiteit. Zulke botsingen treden voortdurend op. Zo betoogde de utilistisch filosoof Peter Singer onlangs in zijn boek Eén Wereld. Ethiek in een tijd van globalisering dat het een ethisch minimumvereiste is voor mensen in rijke landen om één procent van het jaarinkomen weg te geven aan mondiale armoedebestrijding. Een dergelijke eis stuit in de praktijk al snel op andere ‘eisen’: de wens een duurder huis of een auto te kopen, de extra vakantie of de avondjes uit. Stuk voor stuk uitgaven waarmee we een bepaalde levensstijl financieren; een persoonlijke identiteit dus. Dan verdwijnt de Derde Wereld al gauw uit ons bewustzijn. Op nationaal niveau gaat het met betrekking tot de overheidsbegroting niet veel anders: er zijn immers zoveel andere prioriteiten…l

List van de rede

Betekent dit nu dat de mondiale identiteit – de mensheid in ons – deze strijd nooit kan winnen? Dat is te sterk: kleine eilanden van mondiale verantwoordelijkheid in ons bewustzijn tonen aan dat de zaak niet bij voorbaat verloren is. Maar er is één beperking waar we niet onderuit komen: we kunnen niet verwachten dat de mondiale identiteit ooit het alléénrecht zal hebben in onze harten en hoofden. Er zullen daarnaast ook altijd individuele en groepsidentiteiten blijven bestaan. De mensheid zal dus niet opgaan in één wereldwijde cultuur – want hoe formuleer je dan wie je bent? Er blijft altijd de behoefte aan de Ander, die niet is zoals ‘wij’. Het is dus niet onlogisch dat als culturen te dicht bij elkaar komen – zoals door de feitelijke globalisering – het verschil belangrijker wordt. Dat te erkennen is al een hele opgave voor veel westerlingen. Maar als dat lukt, opent het de weg naar een meer constructieve omgang met die ander: niet als iemand die het mis heeft (omdat hij bijvoorbeeld moslim is in plaats van atheïst), maar als iemand die het ‘op zijn manier’ doet. De grens schept afstand, maar ook een thuis. Zonder thuis is er geen reis mogelijk, zonder grens geen verrassende ontmoetingen met mensen die anders zijn dan thuis.

Gelukkig is er één methode om het conflict tussen beide vormen van identiteit te verzachten zonder een beroep op een mondiaal bewustzijn. We kunnen proberen in te zien dat sommige zaken gunstig zijn voor onszelf (onze groep, ons land) én voor de ander of zelfs de hele wereld. Zo is het niet alleen goed voor de arme landen als het broeikaseffect een halt wordt toegeroepen, zodat hun kustgebieden niet overstromen,  maar ook voor ons omdat we zo geen tropische ziektes in Europa krijgen. Zo is het niet alleen gunstig voor arme landen als zij rijk worden maar ook voor ons omdat zo nieuwe afzetmarkten ontstaan voor onze producten en er geen grote hoeveelheden illegale immigranten binnenkomen. Rekening houden met de belangen van anderen is in een wereld van onderlinge afhankelijkheden in veel gevallen een vorm van verlicht eigenbelang. Natuurlijk kunnen we ook door middel van power play proberen de anderen onder de duim te houden, maar dat leidt op de lange duur vaak tot onaangename verrassingen.

Deze laatste methode is eigenlijk een list van de rede, die weinig met ethiek te maken heeft: we gaan allereerst uit van onze eigen belangen en benutten vervolgens de ‘overlap’ met belangen van anderen. Dat is op zich niet slecht maar het heeft ook niet veel morele kwaliteit. Belangrijker is de vraag of dit voldoende is in de feitelijk geglobaliseerde wereld. Kunnen we het ons veroorloven dat ons bewustzijn achter onze handelsstromen en milieuproblemen aan hobbelt? Moet zij die niet op zijn minst kunnen bijhouden of zelfs vooruit zijn? Wie de vraag naar de ethiek van de globalisering stelt, stelt eigenlijk de grondvraag van de ethiek op scherp: wat zijn wij verschuldigd aan iemand die zich ver van ons af bevindt en met wie we geen enkele affectieve band hebben? Kunnen we het opbrengen rekening te houden met deze onbekende par excellence, louter omwille van de theoretische gedachte dat zijn bestaan op dezelfde planeet ons dwingt een houding ten opzichte van hem in te nemen? Geen houding innemen, onverschilligheid dus, is tenslotte ook een morele houding…

Ethische training   

We zitten in een lastig parket. De feitelijke globalisering, aangedreven door technologische en economische ontwikkelingen, heeft ons bewust gemaakt van de afhankelijkheden op onze planeet. De aanwezigheid van de ander kan niet genegeerd worden. Net als in Sartres toneelstuk Huis Clos zitten we plotseling opgesloten in één kamer en kunnen we de aanwezigheid van de anderen niet meer ontkennen. De mensen in Sartres stuk worden voor elkaar een hel: ‘L’Enfer, ce sont les autres.’ Wat doen wij?

Het project van de globalisering dat wij nastreven staat niet in de sterren geschreven. Het is ambigu, we kunnen er meerdere kanten mee op en bepalen zelf de uitkomst. Het eerdergenoemde idealistische project – de gedroomde eenwording van politiek, economie en cultuur – lijkt echter op dit moment onhaalbaar: we bezitten niet over het bewustzijn dat daarvoor nodig is; het vraagt ethisch teveel van ons. De tweede optie, een terugtrekking in onszelf (onze groep, land of cultuur), is wel haalbaar maar onaantrekkelijk; dan ontkennen we ons vermogen de mensheid in onszelf te weerspiegelen en geven onze lokale identiteiten een permanente voorrang; we gooien het kind met het badwater weg. De beste mogelijkheid is een derde: we erkennen het conflict in onszelf – en daarmee in de wereld – maar proberen ons verder te oefenen in de ethiek van de mensheid. Eén onverwacht gevolg van de nieuwe technologische mogelijkheden helpt ons daarbij: door het toegenomen contact blijkt dat de ander aan de andere kant van de wereld wel eens meer op onszelf lijkt dan we aanvankelijk dachten. De moeder in Indonesië heeft dezelfde moederzorgen, en ook in andere landen blijken Ajax-fans te wonen. Anders gezegd: in een geglobaliseerde wereld zijn persoonlijke en lokale identiteit dus niet meer per definitie identiek. Het is mogelijk geworden om netwerken van vrienden en gelijkgestemden over de hele wereld te bouwen: zoals bijvoorbeeld de wereldwijde business community en haar tegenhanger, de anders-globaliseringsbeweging. Zulke wereldwijde netwerken zijn een oefening in gedeelde en tóch mondiale identiteit. Pas als het effect van deze ethische training voldoende in de menselijke geest zal zijn ingesleten, is de tijd rijp voor het bijbehorende politieke project, ook al door Kant geformuleerd in zijn Zum ewigen Frieden, waarin een mondiale rechtsorde het recht van de sterkste vervangt.

Filosofen over globalisering

Wat is ‘globalisering’? En is het nu goed of slecht? Wie op de eerste vraag een hedendaags antwoord wil, moet de kloeke driedelige studie Sferen van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk ter hand te nemen. Volgens Sloterdijk valt globalisering uiteindelijk samen met het project van de menselijke beschaving. Voor Sloterdijk is niet de klassieke vraag wat is de mens beslissend voor de filosofie, maar waar is de mens. Het antwoord luidt: de mens is daar waar hij zich veilig voelt, en hoe meer de mens zich zal ontwikkelen, hoe groter het domein waarin hij zich geborgen. Sloterdijk schetst een beschavingsgeschiedenis van steeds groter wordende verbanden: van de baarmoeder via de familie en de clan naar de stad en de natie, totdat de mens zich uiteindelijk veilig waant in de wereld, gedragen door Gods hand.

Maar precies daar gaat het ‘mis’, want het allesomvattende beeld van God (of, in de moderne variant, de utopie) is door datzelfde beschavingsproces tenietgedaan. Immers: hoe groter de wereld, hoe meer interpretaties en  religieuze of culturele verschillen. Je zou kunnen zeggen dat de bel of ‘sfeer’ van de éénduidige beschaving uiteen is gespat, en als ‘schuim’ de aarde heeft bedekt.

Maar is dit nu goed of slecht? Rüdiger Safranski  is in ieder geval niet positief. In het boek Hoeveel globalisering kan een mens verdragen? schetst hij hoe globalisering ons benauwt. De ‘verschuimde’ wereld is bij hem een ‘woud’ van tekens, van informatie, van interpretaties, waardoor we worden overbelast. Safranski’s tegengif is er één die in de verte doet denken aan Arthur Schopenhauer: onthouding en onthaasting.

Maar cultuurpessimisme is niet het enige antwoord op globalisering. De Catalaanse filosoof Manuel Castells schetst in The Informatian Age een nieuwe, dynamische eenheid op wereldschaal die hij kortweg het Net noemt. Een dergelijke mondiale gemeenschap – die vorm krijgt via onder andere internetcommunities – weet af te rekenen met oude religieuze of culturele tegenstellingen, zonder al te dogmatische nieuwe te omarmen. In dergelijke ontwikkelingen zien een aantal denkers een nieuwe mondiale ethiek gloren. Jacques Derrida sprak in Filosofie Magazine van mei dit jaar over een ‘komende’ gerechtigheid die mede vorm zou krijgen via kriskras over de aarde verspreide gemeenschappen die de mondiale hegemonie van multinationals en staatspolitiek bestrijden, zonder expliciet een nieuwe ideologie te omarmen. Hij refereert hierbij expliciet aan altermondialisten.

Sloterdijk tenslotte is ambivalent. Uitgesproken pessimistisch is hij  in de tekst Luftbeben, waarin hij beschrijft hoe moderne, gemondialiseerde machtsuitoefening zich niet direct tegen de persoon richt, maar tegen zijn ‘sfeer’ – letterlijk, de lucht die hij inademt. Sloterdijk doelt hiermee op de dreiging van gasaanvallen en terroristische aanslagen, maar ook van luchtbombardementen.

Maar uiteindelijk tekent Sloterdijk de blauwdrukken uit van de toekomststad Nieuw Babylon, die alle voordelen van de globalisering vreugdevol omarmt. Te lang heeft de mensheid al geleefd onder het dictaat van de schaarste. Het wordt tijd dat de mens onbekommerd en vrij van schuldbesef zijn luxe omarmt, in een soort materieel Dyonisme. Hoewel een bevrijdende gedachte, is dit ook het punt waarop critici het boek aanvielen. Zo lang globalisering allesbehalve heeft geleid tot een rechtvaardige verdeling van de mondiale welvaart, valt er volgens die critici vooralsnog weinig te vieren.