Home Filosofie is makkelijker als je denkt Filosofie is makkelijker als je denkt: wat is ruimte?
Filosofie is makkelijker als je denkt

Filosofie is makkelijker als je denkt: wat is ruimte?

In ‘Filosofie is makkelijker als je denkt’ helpen we je in vijf stappen op weg in het zelf leren denken. Dit keer: wat is ruimte?

Door de redactie op 22 december 2023

filosofie is makkelijker als je denkt ruimte kubus

In ‘Filosofie is makkelijker als je denkt’ helpen we je in vijf stappen op weg in het zelf leren denken. Dit keer: wat is ruimte?

Filosofie Magazine FM 1 2024 vreemd normaal
01-2024 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

1. Inleiding: ‘Ruimte maakt de ervaring mogelijk’

Filosofie is makkelijker als je denkt. Maar wáár denken we dan? Een korte inleiding in de filosofie van de ruimte? Door Femke van Hout.

Wat is ruimte? Het is, net als ‘wat is tijd?’, een van de oudste vragen uit de filosofie. En net zo verraderlijk. Want op het eerste gezicht lijkt ruimte niet zo’n ingewikkeld concept. Ruimte is gewoon de plek waar we ons bewegen: het maakt dat er een ‘hier’ en een ‘daar’ is, zoals deze tekst voor je op een andere plek is dan je ogen die zich al lezend heen en weer bewegen.

Maar sta je er even bij stil dan blijkt ruimte best raadselachtig. Zijn alle dingen ín de ruimte, of zijn de dingen de ruimte? En is de ruimte tussen de dingen ook een ding? De Griekse wijsgeer Parmenides, die leefde omstreeks de vijfde eeuw voor Christus, probeerde zich voor te stellen dat alle dingen uit het universum zouden verdwijnen. Blijft er dan een lege ruimte over, of helemaal niets meer? Volgens Parmenides kan lege ruimte onmogelijk bestaan. Er bestaan, stelde hij, alleen maar zijnden, en geen niet-zijnden. Een lege ruimte is een niet-zijnde, en bestaat dus niet.

Is de ruimte tussen de dingen ook een ding?

Net als veel andere filosofen zag Parmenides ruimte als een verschijnsel dat buiten de mens ligt: wij bevinden ons in een ruimtelijke wereld. Maar de verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1924-1804) kwam met een radicaal ander idee. Ruimte en tijd zitten volgens hem niet in de wereld, maar in ons. ‘Ruimte en tijd maken de ervaring mogelijk’, schreef Kant: het zijn vermogens die ons in staat stellen de wereld waar te nemen. Maar die ruimtelijke, driedimensionale wereld die we ervaren is niet de wereld zoals die in werkelijkheid is.

De Franse fenomenoloog Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) wilde onze ruimtelijke ervaring nader onderzoeken. Als we aan ruimte denken, zijn we geneigd onszelf en de dingen om ons heen te zien als punten op een driedimensionale kaart. Maar dat is niet zoals we het ervaren. Ruimte, dacht Merleau-Ponty, is een doorleefde, lichamelijke ervaring. Het lichaam maakt de gewaarwording van ruimte mogelijk: het is het ‘nulpunt van onze oriëntatie’, het ‘hier’ waar vanuit andere dingen hun plaats en betekenis krijgen. Een tijdschrift verschijnt aan je als iets om in te lezen, een stoel als iets om op te zitten, een trap als iets om op en af te lopen. Alleen zo krijgt ruimte betekenis voor ons.

Maar hoe zit het met publieke ruimte? Is dat niet feitelijk dezelfde ruimte als de privéruimte? Volgens de Duits-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt (1906-1975) bestaat er een cruciaal onderscheid tussen de privéruimte, oftewel de huiselijke sfeer, en de publieke ruimte, waarin we politiek bedrijven. Arendt benadrukte dat we ons alleen in de publieke ruimte kunnen ontpoppen tot vrije individuen. Die publieke ruimte bestaat niet zomaar, maar is iets waar we een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor dragen: vrijheid kan alleen bestaan als we elkaar de ruimte geven.

2. Vragen stellen: zit ruimte in de dingen of zit ruimte in mijn hoofd?

De filosoof stelt vragen. Maar welke vragen stelt de filosoof dan? Oefen hier de vragende houding van de filosofie.

Volgens Socrates, Cicero en Montaigne is filosoferen niet alleen de kunst van het vragen, maar is filosoferen ook leren sterven. En daarmee is meteen veel gezegd over het soort vragen dat de filosoof stelt: wat komt er na de dood? Wat is leven? Vragen die vragen om een antwoord, terwijl je weet dat dat er niet is. De vraag van de filosoof laat zien dat we het leven nooit van buitenaf kunnen verklaren en dat we dus telkens onze wereld van binnenuit moeten bestuderen. Probeer nu eens met die houding deze vraag te stellen: zit ruimte in de dingen of zit ruimte in mijn hoofd? (En welke vragen zijn er nog meer te bedenken?)

Neemt ruimte plaats in?

Bestaat lege ruimte?

Is ruimte tastbaar?

Is ruimte denkbaar zonder beweging?

Is ruimte denkbaar zonder tijd?

Bestaat individuele vrijheid zonder publieke ruimte?

3. Paradox: ‘Wat bedoel je met om-de-eekhoorn-heenlopen?’

Kun je denken dat je denkt zonder dat je denkt? Filosofie is moeilijker als je denkt in paradoxen. Door Barteld Kooi.

Als ik door het bos wandel zie ik zelden een eekhoorn. Het zijn schuwe beestjes die zich goed kunnen verschuilen. Een anekdote van de Amerikaanse pragmatist William James bevestigt dat dit niet alleen geldt voor Nederlandse eekhoorns in Nederlandse bossen in de eenentwintigste eeuw, maar ook voor Amerikaanse eekhoorns in Amerikaanse bossen in de negentiende eeuw. James vertelt van een groepje wandelaars dat in ‘een fel metafysisch debat’ is verwikkeld over het lokaliseren van een eekhoorn. Als een eekhoorn wegdraait terwijl jij om de boom rent om het beestje te zien, heb je dan om de eekhoorn heen gedraaid of niet? Er is een goed argument om te zeggen dat je inderdaad om de eekhoorn draaide: je bent om de boom heen gedraaid en de eekhoorn zit in die boom, dus zult ook om de eekhoorn heen moeten zijn gedraaid. Of niet? Om ergens omheen te draaien moet je er eerst vóór zijn, dan via de ene zijkant erachter, om ten slotte langs de andere zijkant aan de voorkant uit te komen. Maar dat heb je nooit gedaan met die eekhoorn. De rug van de eekhoorn was altijd van je afgekeerd. Dus ben je niet om de eekhoorn heen gedraaid.

Even tussendoor… Elke week zelf leren denken met Filosofie Magazine? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Meld u aan voor onze nieuwsbrief

Ontvang elke woensdag het laatste filosofie nieuws, de beste artikelen van de week en af en toe een aanbieding.
Ontvang wekelijks het laatste filosofienieuws, de beste artikelen en af en toe een aanbieding.

Volgens James werd het metafysische twistpunt over de eekhoorn alleen maar veroorzaakt worden door de dubbelzinnigheid van ‘ergens omheen draaien’. Wat bedoel je met ‘om-de-eekhoorn-heenlopen’? Door een ‘onderscheid’ te maken en een van de mogelijke interpretaties te kiezen, lost het hele probleem op. Dat klinkt haast te mooi om waar te zijn. Toch zijn er filosofen die vinden dat veel problemen – inclusief paradoxen – verdwijnen als je maar heel precies bent met taal. Desondanks zit het niet lekker met bijvoorbeeld de belangrijke vraag of de aarde om de zon draait of andersom. Draait dan die hele copernicaanse wending alleen maar om taal?

Het is wel verstandig om af en toe een stapje terug te doen en pragmatisch te zijn. Waar dient taal eigenlijk voor? Bij een mooi verhaal over een eekhoorn kunnen we dubbelzinnigheden beter vermijden in plaats van ons blind te staren op louter semantische kwesties. Maar bij de beschrijving van de bewegingen van hemellichamen door de ruimte moeten we wel heel precies zijn in onze taal. Daar draait het dan om!

4. Gedachte-experiment: als ruimte helemaal leeg is

Wetenschap toetst met experimenten de feiten, filosofie toetst met experimenten het denken.

Stel je voor!
Is lege ruimte mogelijk? Stel dat je een ruimte in je huis helemaal leeg zou halen, bijvoorbeeld je slaapkamer. Je haalt je bed eruit, je kast en je stoel met kleren. De gordijnen gaan eraf, de vloerplanken worden losgehaald en de verf wordt van de muren geschraapt. Nu is de kamer kaal, maar nog niet echt leeg: er zitten nog lucht, stof en een heleboel atomen in. Zou je nog verder kunnen gaan, bijvoorbeeld door alle deeltjes uit de kamer te zuigen met een ultra-stofzuiger? Kan ruimte helemaal leeg zijn?

Over die vraag discussieerden de Duitse filosoof Gottfried Leibniz (1646-1716) en de Engelse filosoof Samuel Clarke (1675-1729) in een briefwisseling. Clarke verdedigde de opvatting van Isaac Newton dat ruimte net als tijd voorafgaat aan fysieke objecten. Een voetbal kan niet bestaan zonder de ruimte die het inneemt, maar als je de voetbal wegschopt of als er überhaupt geen fysieke objecten meer zouden zijn, zou de ruimte blijven voortbestaan. Ruimte moet je zien als een doos die gevuld kan zijn met allerlei dingen maar ook leeg kan blijven.

Daar was Leibniz het niet mee eens. Ruimte bestaat volgens hem uit de relaties tussen verschillende fysieke objecten. Zonder objecten geen ruimte. Bovendien maakt God lege ruimte onmogelijk, zo beargumenteert hij. God heeft de beste van alle mogelijke werelden gecreëerd. Dat betekent dat God alle goede zaken heeft geschapen die geen afbreuk doen aan andere goede zaken. De wereld is geoptimaliseerd, en daar past lege ruimte niet bij. Ruimte die leeg is, is immers niet ten volle benut: God had er iets goeds in kunnen plaatsen zonder dat het ten koste gaat van iets anders. De beste van alle mogelijke werelden is tot de rand toe gevuld. Maar ook als je niet gelooft, is een lege ruimte moeilijk voorstelbaar. Want waarom zou de grens van die ‘lege’ ruimte dan niet ook bij die ruimte horen?

Echt?!
De moderne natuurkunde heeft de kant van Clarke gekozen. De ruimte en tijd uit het wereldbeeld van Newton zijn door Einstein samengevoegd tot een entiteit: de ruimtetijd. Maar nog altijd wordt vastgehouden aan het idee dat de ruimtetijd ook bestaat als er geen objecten of gebeurtenissen zijn om die op te vullen. Lege ruimte zou dan mogelijk zijn. Sterker nog: er wordt steeds meer leegte ontdekt, hoe verder we inzoomen en hoe verder we uitzoomen. Atomen bestaan grotendeels uit niets en de uithoeken van het heelal zijn zo goed als leeg. Waarom is er iets en niet veeleer niets, is de klassieke vraag van Leibniz. Maar misschien moeten we die ondertussen herformuleren: waarom is er zoveel niets en niet vooral iets?

5. Close reading: Immanuel Kant over ruimte

Filosofie is ook makkelijker als je leest. Goed leest. Filosofische bronteksten zijn niet altijd even makkelijk te begrijpen. Daarom helpen we je in een close reading op weg met extra context en commentaar bij deze tekst van Immanuel Kant over ruimte.

Het zal altijd wel een opmerkelijk fenomeen in de geschiedenis van de filosofie blijven dat er een tijd is geweest*1 waarin zelfs wiskundigen die ook filosoof waren, niet twijfelden aan de juistheid van hun meetkundige uitspraken voor zover die alleen de ruimte betroffen, maar wel gingen twijfelen aan de objectieve geldigheid en de toepassing van dit begrip zelf en van alle meetkundige bepalingen ervan op de natuur. Ze vreesden namelijk dat een lijn in de natuur wel eens uit fysische punten zou kunnen bestaan en de reële ruimte in het object dus uit enkelvoudige delen, hoewel de ruimte die de meetkundige in gedachten heeft daar helemaal niet uit kan bestaan. Ze zagen niet dat deze gedachte ruimte de fysische ruimte, d.w.z. de uitgebreidheid van de materie zelf, mogelijk maakt; dat die gedachte ruimte helemaal geen hoedanigheid is van de dingen op zichzelf, maar alleen een vorm van ons zintuiglijk*2 voorstellingsvermogen; en dat alle voorwerpen in de ruimte*3 louter verschijningen zijn, dus geen dingen op zichzelf, maar voorstellingen van onze zintuiglijke aanschouwing. Omdat verder de ruimte zoals de meetkundige die denkt precies de vorm van de zintuiglijke aanschouwing is, die we a priori in onszelf vinden*4 en die de mogelijkheidsgrond van alle uiterlijke verschijningen (naar hun vorm) bevat*5, moeten deze verschijningen noodzakelijk en met volmaakte nauwkeurigheid overeenstemmen met de uitspraken van de meetkundige, die hij niet*6 uit verzonnen begrippen afleidt, maar uit de subjectieve basis van alle uiterlijke verschijningen, namelijk uit de zintuiglijkheid zelf.

Prolegomena

Uit: Immanuel Kant, Prolegomena, vert. Jabik Veenbaas en Willem Visser, Boom, 2020

  1. De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) verwijst hier in de Prolegomena (1783), een boek dat hij heeft geschreven ter inleiding van zijn hoofdwerk Kritiek van de zuivere rede (1781), naar een discussie in de filosofie van de wiskunde. De kwestie was of het begrip ‘ruimte’ uit de meetkunde onderdeel van de werkelijkheid is of enkel in theorie bestaat. Bestaat ruimte echt of hebben we die verzonnen? Dat is misschien een gekke vraag, maar hoe wijzen we de ruimte aan? Je kunt dingen aanwijzen, die in de ruimte zijn. Maar kun je ook ruimte zelf aanwijzen?
  2. Kant stelt dat de ‘gedachte ruimte’, dus: de ruimte zoals de meetkundige die in gedachten heeft, geen aspect is van de dingen op zichzelf. De hoogte, de lengte en de diepte van een huis zijn geen eigenschappen die dat huis ook los van onze ervaring heeft.
  3. Kant lijkt misschien te stellen dat de ruimte een verzinsel is, iets wat niet echt bestaat. Maar dat is niet wat hij bedoelt. Hij spreekt over ruimte als ‘vorm van ons zintuiglijk voorstellingsvermogen’. Daarmee wil hij zeggen dat ruimte hoort bij de manier waarop we de werkelijkheid waarnemen. We zien de wereld altijd door een bril die onze ervaring op een bepaalde manier vervormt. Een van die vervormingen is dat alles wat we zien in de drie dimensies van de ruimte geplaatst is. Je kunt geen huis – of welk object dan ook – bekijken zonder dat het hoogte, lengte en diepte heeft.
  4. A priori = voorafgaand aan de waarneming. Van een cirkel kun je bijvoorbeeld zonder waarneming weten dat deze rond is. Van bijvoorbeeld een huis kun je alleen na waarneming (a posteriori) zeggen welke vorm het heeft. Kant laat hiermee zien dat we ook kennis kunnen hebben zonder deze eerst af te leiden uit de waarneming.
  5. Ruimte is niet het enige begrip dat de vorm van onze ervaring bepaalt. Het huis dat we zien heeft niet alleen hoogte, lengte en diepte, maar is ook geplaatst in de tijd (het kan langzaam vervallen raken) en onderhevig aan oorzaak en gevolg (een storm kan het omblazen). Ruimte, tijd en causaliteit zijn volgens Kant ‘mogelijkheidsgronden’ van de dingen die aan ons verschijnen.
  6. Kant concludeert dat hij op deze manier een onderbouwing heeft gevonden van de meetkundige claims in de wiskunde. Als ruimte een noodzakelijk onderdeel is van de manier waarop we waarnemen, dan komt de meetkundige theorie altijd overeen met de praktijk. De wiskunde onderzoekt niet de realiteit achter de verschijnselen, maar de universele vorm van die verschijnselen. Daarom zijn wiskundige uitspraken algemeen geldig.