Home IJzeren Lijst IJzeren Lijst 2. Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant
IJzeren Lijst

IJzeren Lijst 2. Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant

Door Alexandra van Ditmars op 09 januari 2015

‘Wat kan ik weten?’, vraagt de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zich eind achttiende eeuw af. Hij besluit op zoek te gaan naar de betrouwbaarheid en de grenzen van onze kennis. Zijn bevindingen zetten de wereld op haar kop: het gaat er niet langer om hoe zij is, maar om hoe wij haar zien. Op nummer twee van de IJzeren Lijst: Kants Kritik der reinen Vernunft (1781).

De Kritik der reinen Vernunft – vertaald als Kritiek van de zuivere rede – maakt van Kant de meest invloedrijke filosoof van de moderne tijd. Toch gooit de moeilijkheidsgraad van het werk bijna roet in het eten: het krijgt eerst weinig weerklank, omdat bijna niemand begrijpt waar Kant het precies over heeft. Daarom geeft hij twee jaar na verschijning Prolegomena uit, een ‘vooroefening’ voor de lezer voordat deze aan de Kritiek begint. Ook herschrijft Kant voor de tweede uitgave van de Kritiek de meest ontoegankelijke gedeelten. Het blijft een omvangrijk en moeilijk werk, maar gelukkig maken de verhelderingen het toch een stuk begrijpelijker – met een filosofische aardverschuiving als gevolg.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Die aardverschuiving noemt Kant zelf ‘een tweede Copernicaanse wending’. Zoals Copernicus aantoonde dat de zon niet om de aarde draait, zo laat Kant zien dat zijn voorgangers er onterecht van uitgaan dat kennis om het object draait. De verhoudingen liggen precies andersom: wij zien de wereld niet zoals zij werkelijk is, maar zoals zij zich aan ons voordoet. Een uitspraak over de wereld, bijvoorbeeld: een steen valt altijd naar beneden – zegt niet per se iets over die steen en beweging, maar alleen over hoe wij het tafereeltje waarnemen en interpreteren.

Ruimte en tijd

Neem onze zintuiglijke waarneming. Alles wat wij waarnemen, plaatsen wij in ruimte en tijd. Niet dat we daarin een keuze hebben: we kunnen ons niet voorstellen dat iets zich niet in de dimensies van ruimte en tijd bevindt. Onze waarnemingen worden altijd in ruimte en tijd geplaatst, omdat ons verstand deze structuur oplegt aan de werkelijkheid buiten ons. Tegenwoordig zouden we zeggen: dit is hoe ons brein werkt.

Kant had nog niet hedendaagse begrippen als neuronen en synapsen ter beschikking. Hij spreekt van zogeheten categorieën van het verstand die orde aanbrengen in onze waarnemingen en vormen deze om tot begrippen. Daarmee zijn de verstandsbegrippen het onzichtbare geraamte van onze kennis. Er bestaan twaalf categorieën, verdeeld over vier verschillende types: kwantiteit, kwaliteit, relatie en modaliteit. Je kunt het vergelijken met een poffertjespan: het deeg is de waarneming, en de kuiltjes in de pan de categorieën. De categorieën ordenen de waarneming tot iets wat we begrijpen, net zoals de kuiltjes in de pan het deeg vormen tot een poffertje.

Een voorbeeld van zo’n categorie is ‘causaliteit’, onderdeel van het type ‘relatie’. Dankzij deze categorie kunnen wij zwaartekracht zien als de oorzaak dat een steen valt. Of concluderen dat wanneer twee biljartballen tegen elkaar rollen, de ene bal de beweging van de andere veroorzaakt. Maar of dat ‘echt’ zo gebeurt, kunnen we niet weten. Het is hoe het verstand de waarneming ordent. De vaststelling zegt, kortom, meer iets over ons dan over de wereld. Het is voor ons niet mogelijk de dingen te zien zoals ze op zichzelf zijn, buiten ons verstand. In Kants bewoordingen: de Dinge an sich liggen buiten ons kenvermogen.

Met de stelling dat ruimte, tijd en de categorieën van het verstand onze waarneming vormen, beslecht Kant een oude twits tussen de zogeheten empiristen en de rationalisten. De empiristen, voornamelijk Angelsaksische filosofen als John Locke, stellen dat kennis begint bij waarneming. De mens is een onbeschreven blad – een tabula rasa – en pas bij waarneming begint bewustwording van de wereld. Onwaar, zegt Kant, want als het verstand geen enkele structuur aan die waarneming toevoegt, snappen we niks van wat we zien. En die structuur – zeg, de poffertjespan – gaat noodzakelijk vooraf, ‘a priori’, aan de waarneming. Eerst de kuiltjes, dan het deeg. De rationalisten, zoals Descartes, hebben juist weinig vertrouwen in de zintuigen – die kunnen ons immers bedriegen. We hebben de zintuigen ook niet nodig om ware kennis over de wereld te verwerven. Neem bijvoorbeeld ‘ik denk, dus ik ben’ van Descartes. Een onbetwijfelbare uitspraak, want ook als je hem betwijfelt, is er altijd iets dat wikt en weegt – dus denkt. Een redenering waar je geen zintuigen voor nodig hebt. Maar volgens Kant klopt dit ook niet; zonder zintuiglijke waarneming valt er voor het verstand geen enkele structuur aan te brengen. De poffertjespan blijft leeg. Verstand en waarneming vallen niet los van elkaar te zien. Vandaar de bekende vaststelling van Kant: ‘Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrippen zijn blind’.

Speculatie

Een uitspraak geldt dus alleen als kennis als die bevestigd of weerlegd kan worden door zintuiglijke ervaring. De filosofen in zijn tijd hielden hier geen rekening mee, en hadden daardoor geen vooruitgang geboekt. Zij meenden iets te kunnen zeggen over zaken die zich niet in onze waarneembare wereld bevinden, zoals ‘God’ en ‘de vrije wil’, maar met Kant in het achterhoofd moeten we vaststellen dat hier de pure speculatie begint. Daar ligt de grens, oftewel de kritiek, van de zuivere rede.
Kant heeft met zijn Kritiek een stempel gedrukt op onze moderne cultuur. Zijn gedachtegoed is bepalend geworden voor de manier waarop wij nadenken over de mens en menselijke kennis. Er is dan ook geen enkele filosoof na Kant  die het zich kan permitteren zich niet tot hem te verhouden. Na Kritiek van de zuivere rede schrijft Kant Kritiek van de praktische rede en Kritiek van het oordeelsvermogen. In deze werken beantwoordt hij respectievelijk de drie – door hem zelf opgestelde – basisvragen van de filosofie: ‘Wat kan ik weten?’; ‘Wat moet ik doen?’; ‘Wat mag ik hopen?’ Deze drie antwoorden tezamen geven volgens Kant antwoord op de vraag: ‘Wat is de mens?’ Na deze trilogie publiceert Kant nog enkele werken, maar geen daarvan worden zo beroemd als zijn Kritieken.