Home Charles Taylor: ‘Is dit alles wat er is?’

Charles Taylor: ‘Is dit alles wat er is?’

Door Annette van der Elst op 21 september 2009

Charles Taylor: ‘Is dit alles wat er is?’
08-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

Je leven gaat goed. Maar toch, er ontbreekt iets. Een gesprek met de Canadese filosoof Charles Taylor over het diepmenselijke verlangen naar spiritualiteit.

Je hebt alles waar je de afgelopen jaren naar hebt gestreefd – een kind, een partner, een huis, een auto en een goede baan – en toch knaagt er iets. Is dit alles? Een midlifecrisis of een identiteitscrisis? Nee, zegt de Canadese filosoof Charles Taylor. Die twijfels zijn een manifestatie van een normaal menselijk verlangen naar iets wat ons alledaagse leven overstijgt.

Die zogenoemde identiteitscrisis is volgens hem niet een euvel van een enkel individu. Het is de moderne mens die in een fundamentele crisis verkeert. Volgens Taylor is dat het gevolg van ons moderne mensbeeld: we vatten mensen op als wezens die genoeg hebben aan een dak boven hun hoofd, voldoende eten, ‘goed functioneren op je werk’, en een ‘goede relatie’. We zijn volgens dat mensbeeld ‘calculerende wezens’ die er alles aan doen om op die gebieden een beter leven te leiden. Dat idee van de mens is terug te vinden in de huidige wetenschap (ook de menswetenschappen), de politiek en de zorg voor psychische gezondheid. Binnen deze visie is de mens een wezen dat door psychotherapie, door gesprekken over zichzelf, ernaar streeft beter te scoren op zaken als tevredenheid over relatie en werk. Daarom heeft Taylor het ook wel over de ‘therapeutische revolutie’.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Volgens Taylor is de mens echter niet louter een calculerend en rationeel wezen voor wie de hoogst na te streven waarden een minimum aan lijden en een maximum aan genot zijn. Het probleem van dit idee over de mens is dat er geen plaats in is voor de menselijke neiging om te zoeken en te streven naar iets hogers en de mogelijkheid om je als mens, als individu, te transformeren. ‘Streven naar het hogere is een diepmenselijk verlangen. Er zijn altijd mensen die zoeken naar God, naar het hogere, naar een waarde die het leven te boven gaat. We zien dat ook in onze seculiere tijd. De behoefte aan spiritualiteit is niet afgenomen.’

Volgens Taylor heeft die therapeutische revolutie vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw een grote invloed gehad op de manier waarop we onszelf begrijpen, hoe we door anderen behandeld worden en wat we zien als ‘een normale menselijke toestand’. Die therapeutische wending heeft voordelen, maar er is ons ook iets afgenomen: ‘Menselijke worstelingen, vragen en problemen die te maken hebben met zingeving willen we steeds meer oplossen met therapie, vooral vormen van cognitieve gedragstherapie – vaak aangevuld met medicatie – die uitgaat van een beperkt mensbeeld: iemand wordt begrepen in termen van oorzaken en gevolgen. Ook ideeën over goed en kwaad zijn naar een therapeutisch register overgebracht. Wat vroeger zonde was, zien we nu als een psychische ziekte. Dat lijkt de menselijke waardigheid te vergroten – mensen zijn nu een slachtoffer –, maar het is juist een beknotting en een beperking ervan gebleken.’

Master of the universe

Het interview met Charles Taylor vindt plaats in Nederland, waar hij is op uitnodiging van het Centre for the Humanities. De aanleiding voor de uitnodiging is de verschijning van de Nederlandse vertaling van A Secular Age (Een seculiere tijd), dat kan worden gezien als een voortzetting van het in 1989 verschenen Bronnen van het zelf. In beide werken zet hij de wordingsgeschiedenis van het moderne bewustzijn uiteen, van het moderne ik-besef: vanaf de zeventiende eeuw beschouwen we ons ‘ik’ steeds meer als een gesloten binnenruimte, een ruimte die in de loop der tijden steeds belangrijker wordt, tot de mens zichzelf in onze tijd ziet als master of the universe. Omdat het individu en zijn wensen centraal staan, is er geen ruimte voor het spirituele, voor alles wat de mens overschrijdt. Er is geen openheid meer voor het idee dat je jezelf kunt transformeren, tot een beter mens kunt maken door bijvoorbeeld niet egoïstisch te zijn, door om anderen te geven, en zelfs door dingen te doen die in lijken te gaan tegen alles wat natuurlijk is voor de mens. Bijvoorbeeld onthouding in de ascese, of zelfs het celibaat van een priester.

De nu 78-jarige filosoof, zoals altijd voorzichtig, besluit Bronnen van het zelf met het uitspreken van de hoop op een terugkeer naar bepaalde christelijke opvattingen die onze cultuur voor een groot deel verworpen heeft. Daarin schuilt volgens hem een oplossing voor de crisis waarin de moderne mens verkeert: voor zijn eenzaamheid, egoïsme en gevoelens van depressie, innerlijke leegte en zinloosheid. Christelijke inzichten zouden – de politiek links georiënteerde Taylor maakt er geen geheim van rooms-katholiek te zijn – een goed tegenwicht vormen. In Een seculiere tijd werkt hij deze opvatting verder uit. Van belang is volgens hem dat we het spirituele en transcendente weer serieus nemen, de gedachte dat er iets hogers bestaat om naar te streven. Ondanks zijn eigen geloof benadrukt Taylor dat deze inzichten ook buiten het christendom te vinden zijn. Bijvoorbeeld bij de Griekse filosoof Plato, en ook in het boeddhisme.
 

Goed en kwaad

Ook ideeën over goed en kwaad moeten volgens hem een grond hebben in een hogere werkelijkheid en niet alleen zijn gebaseerd op wat ‘natuurlijk’ zou zijn. ‘Wanneer we het goede alleen omschrijven als een beperking van lijden en een vergroting van genot, dan capituleer je voor de lagere natuur. Er is dan geen plaats voor morele zelfbepaling: de mogelijkheid om afstand te nemen van je veronderstelde natuur en je op iets hogers en beters te richten. En die morele zelfbepaling is nu juist bepalend voor een persoonlijke identiteit en uiteindelijk een zinvol leven. Onze identiteit krijgt uiteindelijk vorm door wat we goed en kwaad vinden, datgene waar we ons handelen naar richten. Dat zijn zaken die in een psychotherapie niet aan bod komen.’

Maar hebben mensen die van het juiste pad af zijn geraakt niet meer baat bij een therapeut dan bij iemand die hun moreel de les leest? ‘Zeker, het is goed om bijvoorbeeld te beseffen dat sommige jongeren in de criminaliteit belanden als gevolg van hun achtergrond en opvoeding. Maar daartoe moet je je niet beperken. Als je ze alleen maar ziet als producten van omstandigheden, dan zie je ze niet als volledige personen die kunnen kiezen tussen goed en kwaad.’

Een jongen die opgroeit in een slechte wijk, met ouders die hem niet echt begeleiden, valt sneller voor de verleiding om tasjes te roven, legt hij uit. Dat heeft inderdaad veel met omstandigheden en opvoeding te maken. Maar zijn handelen berust ook op een keuze. Dat kan een bewuste kwaadwillige keuze zijn, of een keuze voor wat hij denkt dat goed is maar het niet is – een dwaling dus. Maar in beide gevallen berust zijn handelwijze uiteindelijk op een keuze waar hij zich als persoon mee verbindt. Taylor: ‘Hoezeer een verkeerde opvoeding ook te maken kan hebben met een eventuele keuze voor het kwade, dat kwade wordt uiteindelijk iets waarin iemand zijn visie, verlangen en hele persoon investeert. Een goede opvoeding is daarom geen toereikende voorwaarde voor een goed karakter. Zoals Aristoteles al zei, wordt een goed karakter óók gevormd door ethische bespiegeling. Dit houdt ook in dat iemand kan transformeren, zich ethisch kan bekeren, door een gerichtheid op het goede. Dat ontbreekt in een therapie.’

Onze tijd is doordrongen van de gedachte dat we als natuurlijke wezens in principe goed zijn zoals we zijn, aldus Taylor. Het idee dat we in de grond onvolmaakt zijn en van daaruit verlangen en streven naar iets hogers verwerpen veel mensen principieel. Een van de belangrijkste motieven om dat te doen kwam voort uit de wens om het lichaam, sensualiteit en seksualiteit te redden. Dat was – en is nog steeds, zegt Taylor – de inzet van ‘atheïstische’ humanisten die zich tegen religie keren. Zij stellen dat het menselijke goede in de diepste kern sensueel is, aards is. Het streven naar transcendentie zou onze aard verraden, zou ons zelfs beschadigen, ons vermogen om menselijke vervulling te vinden ondermijnen. Dat doet het door haat jegens en afkeer van onze gewone menselijke verlangens en behoeften op te wekken. ‘De gedachte daarachter was dat religie en metafysica en een morele houding ons van een concrete zorg om menselijke verlangens, menselijk lijden en geluk afhouden. God en Plato moesten we daarom afdanken. Dat is een Verlichtingsideaal. Het afdanken van religie was bedoeld om ons te bevrijden en de bevoogding van kerk, religie, en geestelijken van ons af te schudden.’

Dat lichamelijkheid en seksualiteit niet langer worden beschouwd als ‘zondig’ is zeker een verworvenheid, meent Taylor. ‘Dat seksualiteit en het menselijke lichaam zijn ontdaan van allerlei schuldgevoelens heeft veel goeds gebracht. Die trend werd in onze moderne tijd ingezet in de jaren twintig, toen sensualiteit weer langzaam “mocht” en het verlangen van vrouwen en hun recht om genot te zoeken aarzelend werden bevestigd, iets wat ongehoord was in de victoriaanse tijd. In de jaren zestig werden deze ideeën geradicaliseerd. En ik denk dat de breuk met religie daar in zekere zin noodzakelijk voor was.’

Maar moralisme met een nadruk op seksuele zuiverheid en een daarmee samenhangende opvatting van zonde is niet de kern van het christendom, haast Taylor zich te zeggen. ‘Mensen beginnen daar altijd over als je over religie praat.’ Ontsteld reageert hij op de analyse van de Franse filosoof Michel Onfray, die de christelijke religie in de kern lichaamsvijandig noemt. ‘Heeft hij de Bijbel wel gelezen? Het verbaast me dat iemand spreekt over vierduizend jaar traditie, en zich vooral baseert op zijn eigen ervaring in zijn eigen tijd. Het is breathtaking.’

Religie heeft, stelt Taylor, meer te bieden dan een strenge seksuele moraal, en bovendien hebben de kerken daar in onze tijd weer voor een groot deel afstand van genomen – onder andere tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie in jaren zestig van de twintigste eeuw, waar onder andere de opvatting werd losgelaten dat seksualiteit louter en alleen de voortplanting mag dienen –, waarna erotiek weer een eigen plaats kreeg. Taylor: ‘Het is zeker niet terecht om de hele traditie van het christendom met een strenge seksuele moraal te vereenzelvigen. Aanvankelijk werden agressie, geweld en onrechtvaardigheid als de belangrijkste zonden beschouwd. Maar vanaf de katholieke Hervorming in Frankrijk (dertiende eeuw) en later de protestante Hervorming kwam de nadruk steeds meer te liggen op lichamelijke “zuiverheid”.’
 

Melancholie

Los van zijn waardering voor de ‘bevrijding’ van seksualiteit is Taylor sceptisch over de humanistische pogingen om de waardigheid van het alledaagse, onvolmaakte te herstellen. ‘De therapeutische visie verzet zich tegen het uitgangspunt dat we als mensen onvolmaakt zijn. Daarmee moet de menselijke waardigheid worden hersteld. Gevoelens van machteloosheid, onvermogen, innerlijke verdeeldheid en morele ontoereikendheid zouden het gevolg zijn van onmenselijke eisen, van een religieuze visie op de inherente onvolmaaktheid van de menselijke aard. Maar nu blijkt dat deze verschijnselen helemaal niet verdwenen zijn. Alleen worden ze nu gezien als het resultaat van ziekte, te wijten aan vermijdbare trauma’s, een verkeerde opvoeding, gebrek aan de juiste steun en dergelijke.’

Dus ook in onze tijd voelen mensen zich onvolmaakt of ontoereikend, en lijden daaronder. Alleen is dat volgens de therapeutische visie pathologisch, afwijkend van de ‘normale’ menselijke toestand. Wat vroeger zonde was, zegt Taylor, is in onze seculiere tijd ziekte waartegen je iets kunt – of zelfs moet – ondernemen wil je normaal zijn.
Je kunt volgens hem ook anders tegen zonde aankijken, op een manier die je juist ontlast van het voortdurende gevoel tekort te schieten of te falen in de ogen van een transcendent ideaal. Dat mensen zondig zijn, werd door de meeste belangrijke christelijke stromingen gezien als de aard van de mens. Dan behoren bepaalde aandoeningen, zoals melancholie en verwarring, bij de aard van de mens en worstelen vrijwel alle mensen met die aanvechtingen. Alleen voor een heel beperkte groep – de heiligen, bijvoorbeeld – geldt dat ze hun menselijke vermogens ten volle tot ontplooiing kunnen brengen. Wat normaal is voor de meeste mensen is een toestand tussen zonde en het goede in. Eigenlijk zijn we allemaal onvolmaakt, weet de mens binnen een geloof, terwijl we dit menselijk tekort nu als een ziekte zien.

Het afdanken van religie was bedoeld om ons te bevrijden, ons onze volledige waardigheid van handelende personen terug te geven door de bevoogding van religie en de kerk van ons af te schudden, concludeert Taylor. ‘Maar nu gaan we naar zogenaamde objectieve deskundigen – therapeuten, artsen – die een vorm van controle uitoefenen die bij blinde en dwangmatige mechanismen hoort en die ons misschien medicijnen voorschrijven. Gevoelens van ontreddering, eenzaamheid en leegte worden nu therapeutisch behandeld. Dat leidt tot een verstikking van de laatste spiritualiteit die we nog hebben en geeft ons nog sterker een gevoel van onvermogen. Iemand die zich radeloos voelt zien we bijna als gehandicapt. Daarmee heeft hij minder waardigheid dan de zondaar.’

Een seculiere tijd, door Charles Taylor, vert. Marjolijn Stoltenkamp, inleiding Ger Groot, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2009, blz., € 59,95

Bronnen van het zelf. De ontstaansgeschiedenis van de moderne identiteit, door Charles Taylor, vert. Marjolijn Stoltenkamp, inleiding Joep Dohmen, uitg. Lemniscaat, Rotterdam 2007, 773 blz., € 59,95