Home Arnon Grunberg in gesprek met Peter Sloterdijk

Arnon Grunberg in gesprek met Peter Sloterdijk

Door Arnon Grunberg op 24 augustus 2011

Cover van 07-2011
07-2011 Filosofie magazine Lees het magazine

 ‘Als de filosofen doorgaan met schrijven zoals ze nu doen, is er over vijftig jaar geen filosofie meer,’ antwoordde Peter Sloterdijk toen ik hem aan het begin van zijn interview vroeg naar de taak van de filosoof. Na afloop, tijdens de lunch, waarbij goede wijn werd geschonken, zei Sloterdijk over de hedendaagse filosofen: ‘Jeder lügt für sich allein.’
Tussen deze twee opmerkingen sprak hij naar aanleiding van zijn nieuwste boek, Je moet je leven veranderen, over een trainingsethiek voor het gebrek dat mens heet.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In Je moet je leven veranderen beschrijft u Carl Hermann Unthan, een man die door oefening dingen kon doen die anderen voor onmogelijk hielden.
‘Ik ben heel blij dat u Carl Hermann Unthan noemt. Dat is een van m’n helden in dit boek. Ik beschrijf zijn leven om het probleem bloot te leggen waarover ik in dit boek spreek. Het is een man geweest die ergens in Noord-Duitsland in 1848 werd geboren. Hij had een lichamelijke afwijking die in de twintigste eeuw vaak voorkwam. In de jaren zestig kwam het slaapmiddel Contergan op de markt. Contergan neutraliseerde het immuunsysteem van de moeder. Een bepaald type vervormingen, het zonder armen of benen geboren worden, zie je zo veel dat het immuunsysteem van de meeste vrouwen al op dit soort vervorming is ingesteld. Door middel van een miskraam drukt het zulke zwangerschappen de kop in. Contergan brengt niet oorzakelijk de vervorming teweeg. Het neutraliseert het afweersysteem van de moeder. Daarom werden toen honderden of zelfs duizenden kinderen zo geboren. Het is een oude misvorming die min of meer meegeëvolueerd is. Je hebt het ook bij dieren, waar een paar poten ontbreken. Dat komt vaak voor. In de oude culturen beschouwde men zo’n wezen meestal als monster. De theologische betekenis van ‘monstra’ is heilig teken. Het woord ‘monster’ komt van het Latijnse werkwoord ‘monere’, vermanen. Als de goden de mensen willen vermanen, sturen ze een monster zodat ze schrikken en over hun gedrag gaan nadenken. De moderne mens begrijpt het monsterprobleem verkeerd. Hij ziet het niet als vermaning maar als aanleiding tot vermaak. Uit de monsterperversie, de subversie van het vermaak in het monsterlijke, is het moderne circus ontstaan. Freakshows zijn het antwoord van de moderne tijd op de godsvermaning. De goden kunnen ons niets zeggen, maar de monsters zijn interessant. Denk aan verhalen als Elephant Man of die over Siamese tweelingen. Die figuren gingen allemaal door het Europese en Amerikaanse circus’
‘Bij Carl Hermann Unthan was het zo: hij werd zonder armen geboren. Verder was het een normale jongen. Hij had kennelijk zeer normale en moraal zeer stabiele ouders. Ze zeiden: dit kind is als elk ander en we houden ook evenveel van hem. En wordt ook aldus behandeld en krijgt geen monsterbonus. Hij wordt niet opgevoed als invalide, maar heel normaal. Totaal geen sentimentaliteit, niets. Een heel normaal, hard, Pruisisch kinderleven zoals het na 1850 denkbaar was. Zo ontdekte deze jongen op zijn zevende of achtste dat het hem lukte geluid uit een viool te krijgen. Hij zette hem in een kist op de grond. Met één voet bewoog hij de strijkstok. Met de tenen van zijn andere voet drukte hij de snaren in. Daar had hij plezier in. Na een jaar kon hij echte stukken spelen. Na drie jaar begon hij virtuoze stukken te spelen. Hij ging naar school en deed zelfs eindexamen. In Leipzig, dacht ik. Toen hij achttien was, werd hij, en hoe kon het ook anders, ontdekt door de directeur van een variététheater. Rond 1868 was hij als twintigjarige al in Europa op tournee geweest. Dan volgt een beroemde scène, die ik in mijn boek beschrijf. Hij gaf in Boedapest een concert, en wie zat daar op de eerste rij? Niemand anders dan dé pianovirtuoos van zijn tijd: Franz Liszt. Franz Liszt bezoekt zijn fellow freak in de kleedkamer en klopt hem vaderlijk op de schouder. Hij maakt hem een compliment. En dit herinnert de oude Unthan zich vijftig jaar later nog als hij zijn memoires schrijft. De titel is Das Pediskript omdat hij het met z’n voeten op het typemachine had getypt.
De oude man herinnert zich het trauma of die krenking die hij ervoer toen Franz Liszt hem schijnbaar vaderlijk een compliment maakte. Hij voelde dat Franz Liszt iets wist wat hij nog niet wist. Hij dacht namelijk als echte artiest carrière te kunnen maken. Franz Liszt wist als wonderkind al precies hoe het zat met het concertwereldje en met de heilige monsters. Hij wist dat hij als freak carrière zou maken. En dat had de jonge man dermate de koude rillingen gegeven dat hij vijftig jaar later in zijn ‘pediscript’ schrijft: wat was het geweest dat ik zijn compliment als zo koud ervoer?’
‘Unthan had een opmerkelijk levensverhaal. Zijn leven bestond uit discipline en oefening. Hij moest leren met zijn voet de deur te openen. In het boek zie je foto’s waar hij met zijn voet zijn hoed opzet. Dat probleem bestaat nu niet meer, omdat mannen die niet meer dragen. We hebben in Europa vrijwillig van de hoed afgezien. Unthan had destijds nog als goede, Midden-Europese kleine burgerman met zijn voet zelf zijn hoed opgezet.’
‘Hij berustte erin en begreep dat het applaus in het variété niet voor zijn kunst was maar voor iets anders en toen ging hij echte freak-nummers ontwikkelen. Achter in de zaal zette hij bijvoorbeeld een potlood rechtop en vuurde met zijn voet een geweer af. Dat potlood brak dan in tweeën. Dus door een kogel. Dit nummer voerde hij ook een keer op voor Tsaar Alexander de Tweede. ‘

– Iets na deze passage over Unthan schrijft u: waar de mens ook opduikt, zijn gebrekkigheid is hem vóór. Denkt u dat wij, oefenende mensen, ons als invalide moeten beschouwen? U beweert in uw boek, hoewel ironisch bedoeld: wie niet succesvol genoeg is, is niet gebrekkig genoeg.
‘Succes houdt altijd in dat men iets compenseert. Dat heeft te maken met de wet van het overcompenseren. Dat werd in de negentiende eeuw ontdekt en in de twintigste eeuw beschreven, vooral door een auteur uit de vroege Duitse invalidenpedagogiek. Tegenwoordig noemt men dat de “andersbegaafden-pedagogiek”. Vroeger gebruikten we heel makkelijk het woord “invalide”. Toen kreeg je in Duitsland “Aktion Sorgenkind”. Toen zei men: het zijn ‘verhinderden’. Daarna vond men dat woord ook hinderlijk, het was onbehoorlijk en men begon hen gewoon ‘mensen’ te noemen, zonder distinctieve factor. Vervolgens de “anders-begaafden”.’
‘In Amerika heten mensen met dwerggroei vertically challenged. Ik zeg in mijn boek dat het een van de beste begrippen is, die om een verkeerde reden, maar met authentiek resultaat ooit is geformuleerd. Want de mens in het algemeen is vertically challenged. En ook al van oudsher, nietwaar?’
‘Ooit waren we gelukkige boomapen. Of half liggende, half zwemmende waterapen. Antropologen zijn op dat punt niet helemaal eenduidig. Ze hebben hoe dan ook de overgang van het bos of van het water naar de savanne gerealiseerd, lang geleden. Niet als moderne mensen, als mensen vóór de moderne evolutie. In de savanne zijn we gaan staan. Men weet tot op heden niet waarom. Ineens werden we verticale dieren: vertically challenged. En deze verticaliteit heeft zich in het bestaan van de Homo Sapiens fysiek en psychosomatisch vormgegeven. Ik bedoel maar, mensen zijn al existentialisten sinds de savanne. Zoals Heidegger juist zegt: bestaan is bungelen in het niets. Dat is exact de menselijke toestand. Waren we slangen of wormen geweest of reptielen in het algemeen dan was dat niet het geval en waren we horizontaal georiënteerd. We zouden we altijd alleen zien wat direct voor ons ligt. Dan waren we veeleer met de reukzin en via het chemische kanaal en met de tastzin op pad in de wereld. Door de verticalisering zijn we schepsels geworden die vooral op het dubbele, audiovisuele kanaal ontvangen. Voor zover we weten, zenden ook de goden meer audiovisueel uit dan via de tastzin of chemisch.’

– Wat bedoelt u precies?
‘Vrouwen hebben daar nog iets van. Zij gebruiken bij het communiceren nog het tactiele kanaal om goddelijke indrukken teweeg te brengen. Ook via de reukzin proberen ze de geur, het chemische aura van godinnen, na te bootsen. In het algemeen zijn mensen op het audiovisuele kanaal actief. Dat was altijd al zo. Sinds de savanne is het existentialisme met het menselijk bestaan verbonden. Want existeren betekent deze onwaarschijnlijke houding aannemen. Een zoogdier dat op twee benen loopt, dat is toch totaal absurd?’
‘De mens is vanaf dan deze reëel existerende onwaarschijnlijkheid. Hij vertoont een verticale lijn. Sinds dan is hij ook voortdurend vergezeld van een probleem. Deze onwaarschijnlijke positie geeft een bijzondere kwetsbaarheid. Als een hond gewond raakt aan een van zijn poten, dan loop hij met de drie andere poten net zo goed als met vier. Hij trekt de poot in tot die beter is en gaat weer op vier poten verder. Wij niet. Als wij een voet breken, dan is de hele mens een tijdlang immobiel. Voeten zijn een aangrijpingspunt voor de voortdurende vraag inzake onze verticale intactheid. Sigmund Freud had dat begin 20e eeuw het best begrepen. Ik denk dat het enige onderdeel van zijn Oedipusinterpretatie die ook op de lange termijn zal standhouden is dat hij Oedipus zag als gehandicapt aan zijn voeten [Zijn vader snijdt de pezen van Oedipus’ voeten door en laat hem achter in het bos nadat het orakel hem voorspeld heeft dat Oedipus later zijn vader zal doden, red]. En hij zette alle mannen in de Oedipus-categorie.’

– Zijn alle mannen voetgehandicapt?
‘Ja, allemaal. ‘Om redenen van symmetrie zijn ook alle vrouwen invalide bij Freud. Ze zijn namelijk zonder penis geboren. Dat is een fysiologische ramp die de schone sekse niet te boven komt. Als man en vrouw elkaar ontmoeten, dan is direct een concert tussen gehandicapten begonnen. Die handicap is er vanaf het begin. Overigens heeft ook Aristophanes in zijn beroemde “kogelmensensprookje” gesteld dat de liefde begint met belemmering. Als het op het Symposium Aristophanes’ beurt is te spreken – hij is de vierde spreker op rij – vertelt hij het verhaal van de kogelmensen. Ooit waren ze compleet, maar ze werden gehalveerd. Toen waren ze dus nog maar halve mensen. Sindsdien lijden mensen onder ‘lateralisering’. De oorspronkelijke mens was rond. Aan alle kanten was hij symmetrisch. Hij bewoog zich voort als een auto die uitsluitend uit een wiel bestond. Een kogel dus, een zichzelf voortbewegende kogel. ‘Autokinon’, zei Plato, is het kenmerk van de ziel. De ziel is als een auto, iets wat uit zichzelf rolt. Bij Aristophanes wordt het wiel stukgesneden en rolt het niet meer. Het beweegt zich nu moeizaam voort. Ook de normale gang lijkt gehinkel.’
‘Seksueel zijn we eveneens verhinderd. De genitaliën zaten van oudsher aan de verkeerde kant. De goden verplaatsten ze naar voren, waar ze helemaal niet horen, en de mensen gebruikten dan als ze elkaar naderen de genitaliën in zekere zin ter verlichting. De liefde heeft daar niets mee van doen bij Plato en Aristophanes. De liefde is natuurlijk de heimwee van de helften naar de andere helft. Ze willen weer heel zijn. Dat is de liefde. De genitale interactie is slechts een supplement waarmee men iets minder belemmerd is.’
‘Dom genoeg is men bij de gerepareerde liefde belemmerd terwijl men de ander omhelst. Dan is men door de ander belemmerd, totaal belemmerd. Men kan niets anders doen. Plato had een verklaring: opdat men na de omhelzing weer loslaat. Anders verhongeren we en sterven we een gezamenlijke dood. De ware liefde bestaat daarin dat men gezamenlijk sterft. De goden hebben ons de ware liefde gelukkig ontnomen. Ze bedachten de secundaire liefde: de seksualiteit. Die maakt het ons mogelijk de omhelzing weer prijs te geven. Uit empirische waarnemingen blijkt dat men na de omhelzing, vooral na de seksuele omhelzing, weer op de rug valt. En men kan zich weer scheiden.’

– U schrijft uitvoerig over Kafka’s verhaal ‘De hongerkunstenaar’. Wat Kafka’s verhaalexperiment veelzeggend maakt, is z’n consequent werken onder de zwijgend heersende ‘God-is-dood-premisse’.
‘Als God dood is, resteert de verticaliteit. Zolang God er is of zolang het denkbeeld van God onder een bevolking intensief wordt belichaamd of veelvuldig besproken kunnen de mensen, om het prozaïsch uit te drukken, met God trainen. Er zijn culturen waar bijna iedereen met God traint. In India bijvoorbeeld. God of de goden zijn de beste trainers. Ze zijn veelsoortig, met hen kan men bijna alle sporten, zielesporten en lichamelijke sporten trainen.’

– En wat overblijft, zijn de artistieke oefeningen. Is dat was overblijft?
‘Oefenen is een techniek van mensen om het onmogelijke te bereiken. Maar niet alleen bereiken, maar om het er makkelijk te laten uitzien. Dat is doorslaggevend. Thomas van Aquino bracht het in zijn Beschouwingen over de deugd zo: deugdzaam zijn is zwaar, omdat het quasi contra naturam schijnt te zijn. Altijd het goede doen, de naaste liefhebben, dat is toch wel echt een moeilijke Olympische discipline. Erger dan de tienkamp volgens mij. Weinigen zijn er echt goed in. Het is sowieso het moeilijkst. Gods wil doen en al dat soort krankzinnige disciplines. Die spelen bij de Olympische Spelen ook niet mee. Te moeilijk. Maar de theologen in de middeleeuwen zeiden: de kern van deugden is dat ze beoefend moeten worden. Ze moeten in de menselijke ‘habitus’ integreren. Alles hangt af van de habitus. Het is het basisniveau van waaruit de deugdzame handelwijze als vanzelf, als iets heel lichts, vanuit de ziel naar boven komt. Dat kan echter alleen wanneer een leven lang aan de habitus is gewerkt. Dat is de eerste, mooiste, tot nu toe ongeëvenaarde trainingstheorie.
Het wordt hoog tijd te begrijpen dat de goede filosofen geen gespreksethiek maken. De enige ethiek die echt iets betekent, is trainingsethiek.’

Vertaling: Marianne Knijff

Voorbij Goed & Kwaad
In het voorjaar van 2011 ging Arnon Grunberg in gesprek met zeven hedendaagse filosofen, waaronder Peter Sloterdijk, Avishai Margalit, Joop Goudsblom, Stine Jensen e.a.. Onder de titel Voorbij Goed en Kwaad onderzocht Grunberg hoe de moraal van de hedendaagse filosofie eruit ziet. Een dvd met deze gesprekken verschijnt dit najaar en is vanaf volgende maand met korting te bestellen via Filosofie Magazine.
Volgende maand ook de 2e aflevering van de serie Voorbij goed & kwaad: Avishai Margalit.