Home Filosofie en literatuur Kanker is geen existentieel falen, ontdekte een doodzieke Susan Sontag
Filosofie en literatuur

Kanker is geen existentieel falen, ontdekte een doodzieke Susan Sontag

Door Wolfram Eilenberger op 12 oktober 2026

Susan Sontag gefotografeerd door Peter Hujar
beeld Peter Hujar/Wikimedia Commons

Zelfs in de uitzichtloosheid van haar ziekte deed Susan Sontag nieuwe inzichten op, schrijft Wolfram Eilenberger. ‘Sontags zelfbewustzijn was ongebroken.’

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

Bij een routineonderzoek (het eerste in haar leven) wordt bij Susan Sontag in 1975 een tumor in de linkerborst ontdekt. Geclassificeerd als niveau 4 is die al uitgezaaid naar vitale organen. Waarmee, Sontag heeft er speciaal naar gevraagd, haar kansen om te overleven voor de komende twee jaar op 10 procent worden geschat.

Stoïcijnse acceptatie slaat om in pure doodsangst, in een onvoorwaardelijke wil om te overleven (‘Iemand moet tot die 10 procent behoren’). Tegen het advies van haar aanvankelijk behandelende arts in kiest Sontag voor de radicale oplossing van een volledige amputatie van haar linkerborst.

Wolfram Eilenberger (1972) is een Duitse filosoof, schrijver en journalist. Hij was hoofdredacteur van het Duitse Philosophie Magazin en verschijnt regelmatig op de Duitse televisie. Van zijn hand verschenen eerder Het tijdperk van de tovenaars. Het grote decennium van de filosofie, 1919-1929 (2018) en Het vuur van de vrijheid (2022). Zijn nieuwste boek Geesten van het heden (2026) bestrijkt de periode van 1948 tot 1984 en behandelt het denken van Theodor Adorno, Susan Sontag, Michel Foucault en Paul Feyerabend.

Foto’s

Als ze op 28 oktober 1975 in een kamer van het Memorial Sloane Ketterin Hospital in New York wacht om gehaald te worden voor de operatie, vraagt ze om pen en papier. Ze is de bevriende fotograaf Peter Hujar nog een voorwoord verschuldigd voor zijn fotoboek Portraits in life and death. De zinnen stromen moeiteloos op papier (‘Fotografie verandert de hele wereld in een kerkhof’). Als ze in die jaren al een onderwerp betrouwbaar voor het voetlicht heeft gebracht, dan is het de fotografie. Een eerste essay daarover was eind oktober 1973 – na een lange onderbreking – al onder de titel ‘On Photography’ [‘Over fotografie’] in The New York Review of Books verschenen. ‘Foto’s’, heet het in de inleiding ervan, die leest als een beginselprogramma,

zijn misschien wel de geheimzinnigste van alle objecten, die onze omgeving vormen en die wij als ‘modern’ opvatten. Foto’s zijn in wezen vastgelegde ervaringen, en de camera is het ideale hulpmiddel als ons bewustzijn zich iets wil toe-eigenen.

Behorend tot een duidelijk moderne opvatting van de werkelijkheid zijn foto’s volgens Sontag het mastermedium van dialectische verdraaiing en versluiering geworden, die daarom een verhelderende kritiek behoeven. Vooral omdat foto’s als geen andere beeldsoort de schijn van een zuivere afbeelding wekken. Met de in 1972 op de markt gebrachte Polaroid-technologie hoefden de beelden niet eens meer ontwikkeld te worden. Als door geheimzinnige krachten bewogen deden ze het nu zelf.

Spookachtig positivisme

In hun culturele alomtegenwoordigheid leken foto’s agenten van een spookachtig positivisme dat zijn verblindende dagtaak verrichtte in de schaduw van de aanname dat ze gewoon registreerden wat er op een bepaald tijdstip feitelijk aanwezig was. Voor criticus en fotogek Sontag weer een beslissende stap binnen de grote verblindingssamenhang, die op het punt stond de hele aardbol onder het beeld van een vrolijk genoten onmondigheid één te maken en in te palmen.

De fotografie impliceert dat we weten hoe de wereld in elkaar steekt, als we haar accepteren zoals de camera haar toont. Maar dat is het tegendeel van begrijpen, want dat begint ermee dat de wereld niet geaccepteerd wordt zoals ze zich aan de beschouwer presenteert. Elke mogelijke vorm van begrijpen is geworteld in het vermogen nee te zeggen.

Het ware zelf denken begint als kritiek: met een nee. Van daaruit legt het de verborgen of ook welbewust verheelde tegenstrijdigheden van elke vorm van kennis bloot, die zelf de indruk wekt van directheid of natuurlijkheid zonder enig alternatief. Zoals: foto’s.

Voyeurisme

Waar de schijn van een zuiver documentaire afbeelding prevaleerde, heerste bij nadere beschouwing een keuze die geleid werd door belangen en dus macht. In plaats van gewoon op te nemen wat feitelijk aanwezig was, waren foto’s te danken aan de wil tot toe-eigening en beschikbaarstelling van het gekozen motief in de zin van een plaatje ‘schieten’. Het zogenoemde objectief (!) geeft de wereld prijs als een koopwaar. In plaats van uiteindelijk een totale presentie van het gefixeerde te garanderen, is de daad zelf al gemotiveerd door een nostalgische houding.

Maar het wezenlijke en op te helderen schandaal was ook in Sontags kritiek van de zuivere fotografie praktisch van aard: ethisch gezien – oorlogsfoto’s maakten dat bijzonder duidelijk – betekende fotograferen een interventie in de situatie, die berustte op de keuze niet behulpzaam in die situatie op te treden. Ja, gewoonlijk gebeurde het in de beschamende hoop het gebeuren verder op te poken:

Net als seksueel voyeurisme is het een vorm van instemming, een vorm van soms zwijgende, maar vaak duidelijk geuite goedkeuring dat alles wat er op dat moment gebeurt moet blijven gebeuren.

Even tussendoor …

Meer lezen over Susan Sontag en andere grote denkers? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

Ontvang wekelijks de beste artikelen van Filosofie Magazine en af en toe een aanbieding.

Fallus

Feministisch beschouwd penetreerde de fallus van het uitgeschoven objectief het gekozen subject zonder het daadwerkelijk te hoeven aanraken. Wellicht, suggereert criticus Sontag, om zo een veel fundamentelere impotentie van het eigen handelen te verbloemen. Namelijk die om als fotografie überhaupt een autonome morele positionering mogelijk te maken. Als er volgens Sontag iets was wat foto’s – tegen elke onmondige aanname in die de huidige omgang ermee bepaalde – in werkelijkheid niet vermochten, was het dit: voor zichzelf spreken. Waarbij die leegte verwees naar een nog fundamenteler, bijkans ontologisch onvermogen van elke vorm van visualiteit: een vastgelegd gebeuren überhaupt autonoom te kunnen benoemen en bepalen.

Er kan geen – fotografisch of ander – ‘bewijsmateriaal’ voor een gebeurtenis bestaan, zolang de gebeurtenis niet als zodanig gedefinieerd en gekarakteriseerd is. En nooit kan fotografisch bewijsmateriaal gebeurtenissen construeren, nauwkeuriger geformuleerd: identificeren; de bijdrage die de fotograaf levert, volgt pas nadat een gebeurtenis als zodanig gedefinieerd is.

Als in een film

In minder dan honderdvijftig jaar hadden fotografische technieken geleid tot een veelomvattende verschuiving van de culturele verhouding tussen beeld en werkelijkheid, zelfs tot een dialectische omwenteling; als gevolg waarvan

de werkelijkheid steeds meer [lijkt] op wat de camera’s ons tonen. Het is tegenwoordig aan de orde van de dag dat mensen een catastrofe […] proberen te beschrijven met de verwijzing dat alles was ‘als in een film’.

Wat niets anders betekende dan dat de surveillerende en commerciële camerablik voor de moderne waarneming van de wereld bepalend was geworden. Met alle door Sontag blootgelegde consequenties voor de wereld als koopwaar, de wereld als beeld, de wereld als moreel vacuüm – de alledaags geworden roes van het reële, de toenemende ontwerkelijking van zelf en wereld in het kader van het wereldbeeld van de fotografie:

De mogelijkheden van de fotografie hebben ons begrip van de realiteit in laatste instantie ge-ontplatoniseerd, door het steeds minder plausibel te laten lijken om na te denken over onze ervaring van het verschil tussen beeld en ding, kopie en origineel. Het paste bij Plato’s minachting van beelden dat ze voor hem schimmen waren – vluchtige, onstoffelijke, zwakke, van een minimale informatiewaarde voorziene bijverschijnselen van de reële dingen waaraan ze hun bestaan te danken hebben. De macht van de fotografische beelden wordt afgeleid van het feit dat ze onafhankelijke materiële realiteiten zijn, hoogst informatieve bezinksels van wat ze uitgestraald heeft, middelen die zeer geschikt zijn om de rollen ten opzichte van de realiteit om te draaien – dat wil zeggen van die realiteit een schim maken. Beelden zijn reëler dan wie dan ook had kunnen denken. En juist omdat ze een onuitputtelijke bron zijn die niet kan worden uitgeput door welke onbeteugelde consumptiedrift ook, is er des te meer reden om ze te behouden. Als er voor de reële wereld een betere mogelijkheid kan bestaan de beeldenwereld in zich op te nemen, dan is er niet alleen een ecologie van reële dingen nodig, maar ook een ecologie van beelden.

Van erotiek naar ecologie

Sontag had in 1966 haar essaybundel Tegen interpretatie nog kunnen afsluiten met een oproep voor een erotiek van de kunst – maar nu verlangde ze, als slotakkoord van Over fotografie, een ‘ecologie van beelden’. Beide impulsen komen voort uit de kritische diagnose van een versperde uitweg uit een zelf geproduceerde afstomping. Tegelijkertijd pakt Sontags wisseling van ‘erotiek’ naar ‘ecologie’ een centrale discursieve verandering van het kritisch-progressieve denken van de voorafgaande tien jaar op: van transformatieve directheid naar verhelderende zuivering, van een genotvol ja naar een andere cultuur van de ascetische bezorgdheid om de toekomst. Fotografiekritiek als kritiek van het heersende wereldbeeld van de moderne tijd:

Fotograferen betekent zich het gefotografeerde object eigen maken. Het betekent zichzelf in een bepaalde betrekking tot de wereld opstellen die als kennis – en daarom als macht – aanvoelt.

Wederopstanding

Als Over fotografie in de herfst van 1977 de Amerikaanse boekhandels bereikt, wordt de essaybundel als een ware gebeurtenis beschouwd, als grondvesting van een nieuwe discipline. De nagenoeg gelijktijdige publicatie van een eveneens positief ontvangen boek met – grotendeels vóór haar diagnose geschreven – korte verhalen onder de titel Ik, etcetera versterkte de indruk van een comeback, waarvan de grootsheid tegen de achtergrond van haar ziekte een wederopstanding leek.

Anders dan haar Amerikaanse artsen haar hadden aangeraden zette ze niet in op een gevestigde therapie, maar liet ze zich na diepgaand eigen onderzoek behandelen met een in Amerika op dat moment niet toegestane vorm van chemotherapie. Die werd alleen in Frankrijk aangeboden.

Chemische wapens

Als Amerikaanse zelfstandige had ook Sontag vanzelfsprekend geen ziektekostenverzekering. De kosten van haar behandeling (in die tijd 150 duizend dollar, nu ruim 800 duizend euro) werden gedekt door giften, waartoe vrienden en vriendinnen in Parijs en New York in eigen kring opriepen. Om haar krachten te sparen pendelde Sontag tijdens de behandelingscycli voortdurend met de Concorde heen en weer tussen New York en Parijs.

In die fase van maximale verzwakking en schijnbare uitzichtloosheid had ze als schrijver nieuwe stemmen gevonden, en de kracht tot nieuwe inzichten. Na twee jaar agressieve therapie (‘Ik lijk de Vietnamoorlog wel […] Ze passen chemische wapens op me toe. Ik moet hoera roepen.’) en nog vier operatieve ingrepen werd ze zelfs volledig genezen verklaard.

Ze had weer eens voorgedaan hoe je erin kon slagen met gebruikmaking van je eigen verstand nieuwe wegen te ontsluiten. En ze had als het ware terloops haar tijdgenoten uitleg gegeven over de tegenstrijdigheden die hen op de achtergrond bepaalden en de ontwikkelingen van hun tijd.

Het rijk van de zieken

Sontags zelfbewustzijn was ongebroken, maar dat gold niet voor haar zelfbeeld, niet in de laatste plaats wat haar lichaam en haar lichamelijk gevoel betrof. De ziekte had littekens en gekrenktheid achtergelaten. Het ging daarbij niet in de eerste plaats om het feit dat ze überhaupt zwaar ziek was. Hoewel natuurlijk ook zij, als modern schepsel van vlees en bloed, haar diepe kwetsbaarheid en grote gevoeligheid eerder consequent had verdrongen:

Eenieder die geboren wordt, bezit twee nationaliteiten, een in het rijk van de gezonde mensen en een in het rijk van de zieke mensen. En hoewel we er allemaal de voorkeur aan geven alleen de goede reputatie te benutten, is toch iedereen vroeg of laat gedwongen, minstens enige tijd, zich als burger van het andere oord te legitimeren.

Nee, de wezenlijke krenking die met haar ziekte verbonden was, betrof de met een kankerdiagnose als noodzakelijk gepaard gaande interpretaties en manieren van omgang: als een zeker doodvonnis, waarbij je voor die diagnose zelf de verantwoordelijkheid kreeg toegeschreven, terwijl je als patiënt tegelijkertijd door de behandelende artsen onmondig werd gemaakt. Vanuit Sontags ervaring een extreem kritiekwaardige gang van zaken, en dat temeer in een fase waarin ‘kritiek’ als academisch bedreven activiteit zich toenemend bezighield met de omstandigheden van haar eigen onmogelijkheid, in plaats van de mogelijkheden ervan met behulp van opzichzelfstaande verklaringen uit het eigen heden aan te tonen.

Ik kan niets meer ontlokken aan de literatuurkritiek als ‘autokritiek’ – de constructie van methodologieën, de deconstructie van teksten. Een kritiek die op zichzelf betrekking heeft. Ziekte als metafoor is mijn poging op een nieuwe manier literatuurkritiek te ‘bedrijven’, maar dan met een premodern doel, om de wereld te kritiseren.

Bovendien richt het zich – wederom – ‘tegen interpretatie’. Met een thema en niet met een tekst.

Mythologie van de kanker

Haar nieuwe thema was dus ‘kanker’. Niet de ziekte zelf, maar de manieren waarop over kanker gesproken werd, hoe met kankerpatiënten werd omgegaan en hoe als gevolg van een kankerdiagnose tegenwoordig gehoopt en berust werd.

Vooral in het kielzog van de psychoanalyse heerste er volgens Sontag in de westerse wereld en met name in Amerika een op zichzelf archaïsche neiging tot verklaring die ‘een verbinding legt tussen een dodelijke ziekte en het karakter van iemand die door die ziekte werd vernederd’. Hoe onduidelijker en complexer de oorzaken van de ziekte vanuit wetenschappelijk oogpunt waren, des te fanatieker werd een ziekte in dat frame opgenomen:

De ziekte onthult wensen waarvan de patiënt zich mogelijk niet bewust was. Ziekten en patiënten worden het voorwerp van decodering […]

Het feit dat ziekte niet langer beschouwd werd als een straf die overeenkomt met het objectief morele karakter en haar tot de manifestatie van het eigen wezen maakt, lijkt minder moralistisch. Maar dat standpunt blijkt net zo of nog sterker moralistisch en bestraffend.

Ooit was tuberculose (waaraan Sontags vader was gestorven) daarvoor het schoolvoorbeeld geweest, en nu tuberculose geneeslijk en de oorzaken ervan duidelijk geïdentificeerd waren, was het kanker.

Tegenwoordig denken veel mensen dat kanker een ziekte is die wijst op ontoereikende hartstocht, een ziekte die mensen aantast die seksueel onderdrukt, geremd en niet spontaan zijn, en niet in staat om woede te uiten […] Kanker [is] tegenwoordig de prijs van de onderdrukking […]

Volgens de mythologie van de kanker bestaat er in het algemeen een voortdurende onderdrukking van emoties die de ziekte veroorzaakt.

Existentieel falen

De aan de psychoanalyse toegeschreven neiging tot een symbolische verklaring van de ziekte kenmerkte niet in de laatste plaats ook de biografische terugblik op mensen die aan kanker gestorven waren. Doorgaans werd hun dood aan kanker gezien als een gevolg van existentieel mislukken, van falen en verdringen. Zowel bij mensen van de daad als van de geest:

Napoleon, Ulysses S. Grant, Robert A. Taft en Hubert Humphrey hebben allemaal bevestigd gekregen dat hun kanker moest worden beschouwd als reactie op politieke mislukking en gefrustreerde ambitie. De kanker bij mensen die minder makkelijk zijn te kwalificeren als verliezers, zoals Freud en Wittgenstein, zijn gediagnosticeerd als een gruwelijke straf die zij vanwege een levenslange driftverzaking kregen opgelegd.

Zou zij, Susan Sontag, de vroegere geniale belofte van een hele generatie, als een in 1975 overleden vrouw niet onvermijdelijk ook zijn opgenomen in die rij van voorvaderen die hun mogelijkheden niet hebben gerealiseerd? Als een auteur zonder blijvend werk, een vrouw die van vrouwen hield zonder dat ooit in het openbaar gezegd te hebben, een mislukte regisseuse, misschien zelfs een mislukte academica – en moeder?

Strijdlustig

In de late herfst van 1978 verschijnt Sontags essay onder de titel Ziekte als metafoor. Het sorteert effect als een krachtige deconstructie van het heersende discours over kanker en van de al te dagelijkse effecten ervan op de geneeskunde, de zorg en niet in de laatste plaats de politiek. En opnieuw een openlijke bevestiging van haar zelfbeeld als een kritische, strijdlustige vrouw wier wil tot een heldere blik door niets en niemand gebroken kon worden. Niemand was gestorven. Vooral niet het oeroude zelf van haar kinderjaren.

Dit is een bewerkte voorpublicatie van het boek Geesten van het heden van Wolfram Eilenberger, dat op 15 oktober 2026 verschijnt bij De Bezige Bij.

Loginmenu afsluiten