In zijn nieuwe boek buigt Carlo Rovelli zich over de structuur van de werkelijkheid. Zijn argumenten klinken alleen weinig overtuigend.
De Italiaanse natuurkundige Carlo Rovelli (1956) is wereldwijd bekend geworden door zijn pionierswerk in de kwantummechanica en door een serie uiterst toegankelijke boeken over hedendaagse natuurkunde. Maar in Over de gelijkheid van alle dingen richt hij zich op een meer filosofisch thema: niets minder dan de structuur van de werkelijkheid staat hier centraal.
Rovelli opent met een voorbeeld: Galilei’s relativiteitsprincipe (niet te verwarren met Einsteins relativiteitstheorie). Volgens dit principe kunnen we alleen relatief aan een referentiepunt zeggen of een ding stilstaat of beweegt. De vraag of iets op zichzelf of ‘echt’ stilstaat, is dus betekenisloos. Filosofen daarentegen, vervolgt Rovelli, concluderen op grond van conceptuele analyses dat in het begrip ‘beweging’ zelf al besloten ligt dat er zoiets als absolute beweging bestaat. Ze denken dat de wereld zich aan onze begrippen moet aanpassen, niet omgekeerd.
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie en wetenschap? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Pre-order speciale editie: Leven als filosoof
- Leer leven als een filosoof
- Ontdek de lessen van grote denkers
- Filosofie voor het dagelijkse leven
Filosofie Magazine tijdelijk al vanaf 6,99 per maand
- Elke maand heldere analyses van scherpe denkers
- Lees & luister onbeperkt op filosofie.nl
- Op papier én digitaal, incl. archief in de app
Dat is natuurlijk een variant op Kants ‘copernicaanse revolutie’, die verkondigt dat de structuur van de waarneembare werkelijkheid de structuur van de rede volgt, in plaats van omgekeerd. Maar Rovelli bespeurt in Kants hedendaagse volgelingen een onwil om naar wetenschap te kijken. Hij beklaagt zich erover dat ‘een deel van de moderne filosofen zich verre houdt van de huidige wetenschap’ en tegelijk zet hij zich af tegen de oppervlakkige lezing die natuurkundigen dan weer hebben van filosofen als Karl Popper en Thomas Kuhn. Nieuwe wetenschappelijke hypotheses zijn geen arbitraire ‘gewaagde gissingen’ en nieuwe theorieën zijn niet simpelweg ‘incommensurabel’ met bestaande paradigma’s, betoogt Rovelli: hypotheses bouwen in veel belangrijker mate voort op eerder werk dan zulke slecht begrepen wetenschapsfilosofie suggereert.
Desondanks ziet Rovelli wel degelijk een wetenschappelijke revolutie in Kuhns zin. De ‘relationele interpretatie’ van de kwantummechanica die Rovelli ontwikkelt, generaliseert namelijk zijn punt over beweging: niet alleen de beweging en snelheid van een ding, betoogt hij, maar ook andere eigenschappen zijn relatief ten opzichte van andere objecten of gebeurtenissen.
Sinds Democritus hebben atomisten betoogd dat de wereld bestaat uit ondeelbare deeltjes (atomoi) met vastliggende, zelfstandige eigenschappen, maar de relationele interpretatie verwerpt dit idee van objectief bestaande bouwstenen van de werkelijkheid. Ook kwantumtoestanden zijn geen zelfstandig bestaande entiteiten. Dat geldt eveneens voor het beroemde gedachte-experiment van Schrödingers kat: volgens Rovelli zijn er niet – zoals eerdere natuurkundigen beargumenteerden – meerdere werelden of toestanden waarin de kat levend dan wel dood is, maar wordt een toestand pas gerealiseerd door de context van de meting. Daaruit concludeert hij dat kennis altijd perspectivistisch en relationeel is en daarom ook onvolledig.
Stromannen
Voor de niet-specialistische lezer biedt dit boek stevige maar fascinerende kost. Vakfilosofen zullen meer kritische kanttekeningen hebben. Om te beginnen argumenteert Rovelli vooral tegen filosofische stromannen, met sweeping statements over ‘de moderne filosofie’ in het algemeen, doorgaans zonder man en paard te noemen. Als je hem leest, zou je haast denken dat geen filosoof ooit over Einstein of de kwantummechanica heeft nagedacht – wat zeker niet het geval is. Pas in zijn voorlaatste hoofdstuk richt Rovelli zich specifieker op een stel Princeton-filosofen die volgens hem een ‘star absoluut realisme’ ten aanzien van de fysieke en morele werkelijkheid verkondigen, maar die positie wordt door weinig academische filosofen aangehangen.
In de tweede plaats is Rovelli’s filosofische argumentatie wel erg kort door de bocht. Op een enkele bladzijde vergelijkt hij zijn eigen relationele denken niet alleen met Nietzsche, Kant, Leibniz, Peirce en Whitehead, maar ook met Plato’s Sofist, met de antiek-Indiase Oepanisjaden en met Nagarjuna’s leer van de leegte. Je wil als filosoof dan natuurlijk weten wat die overeenkomsten precies inhouden en of ze meer dan oppervlakteverschijnselen zijn, maar Rovelli komt aan dergelijke details (ook wel argumenten genoemd) niet toe. Ook de vergelijking met oosterse denktradities speelt, anders dan de taoïstische titel suggereert, een ondergeschikte rol. Pas in het laatste hoofdstuk komen denkers als Zhuang Zi en Nagarjuna ter sprake, en dan nog slechts terloops – zodat het lijkt of Rovelli de lezer eerder wil imponeren dan overtuigen. Ook Rovelli’s gescherm met de late Wittgenstein bevat meer slogans dan argumentatie.
Als filosofische verhandeling overtuigt Rovelli’s boek dus niet, maar als popularisering van de kwantummechanica is het suggestief en inspirerend.
Over de gelijkheid van alle dingen. Fysica en filosofie
Carlo Rovelli
vert. Hans van den Berg
Prometheus
232 blz.
€ 22,99

