Home Wij zijn allemaal kinderen van Erasmus

Wij zijn allemaal kinderen van Erasmus

Door Ronald van Raak op 22 november 2017

Wij zijn allemaal kinderen van Erasmus
Cover van 12-2017
12-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Erasmus onderwees dat het goede uit mensen zelf moet komen, niet uit instituten. Zijn ideeën werken door in onze nationale identiteit.

Erasmus was wat je noemt een sociale stijger, als zoon van een priester die hem als bastaard verwekte bij zijn huishoudster. Over zijn verleden is Erasmus altijd vaag gebleven. We weten niet met zekerheid wanneer hij geboren is; dat kan 1466 zijn, of 1467, maar waarschijnlijk 1469. De officiële documenten ontbreken, maar hij noemde zichzelf ‘van Rotterdam’. Wel met zekerheid weten we waar en wanneer hij gestorven is: op 12 juli 1536 in Basel. Hij was toen een in Europa alom gevierd, maar ook gebroken man. Hij was een hervormer, een van de grondleggers van het humanisme. Hij was ook een groot didacticus, een leraar van vorsten, maar tevens van het volk. Zijn denken en optreden hebben bijgedragen aan wat we onze nationale identiteit zijn gaan noemen.

Filosofische werken van 500 jaar geleden zijn meestal niet erg toegankelijk, vanwege de lange tijd die ons scheidt. Maar Erasmus is nog altijd meer dan het lezen waard. Dat geldt in elk geval voor Lof der Zotheid (1511), dat nu nog steeds even vermakelijk als leerzaam is. Het is een schaamteloos boek, waarin de filosoof zich hult in de mantel van de dwaas, om iedereen met enige macht en aanzien op ongenadige wijze door de mangel te halen. Het is daarmee ook een gedurfd boek, omdat het belachelijk maken van vorsten en bisschoppen, rechters en theologen voor de schrijver niet zonder gevaar was. De dwaasheid had een filosofisch doel. Omdat de ‘dwaas’ de waarheid niet alleen uit boeken leert, maar in het echte leven de wijsheid vergaart: ‘Er zijn immers bij het verwerven van inzicht twee belangrijke hinderpalen: de schaamte, die de geest benevelt, en de vrees die, als het gevaar zichtbaar is geworden, afraadt om tot handelen over te gaan. Welnu, hiervan bevrijdt de zotheid op een schitterende manier. Er zijn niet veel mensen die begrijpen hoeveel andere voordelen dat nog met zich meebrengt, zich nooit te schamen en alles te durven.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 

Tekst gaat door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

 

Republiek der Letteren

Erasmus’ vader had zijn bastaardzoon verlaten en was naar Rome vertrokken. Zijn moeder stuurde hem naar Deventer, naar een goede kapittelschool, die verbonden was aan de kerk. Deventer was in deze tijd in de ban van wat wel de ‘Moderne Devotie’ wordt genoemd, een beweging die de katholieke kerk wilde vernieuwen. Geestelijken klaagden misstanden aan in hun eigen kerk en vormden gemeenschappen waarin ze een persoonlijke godsbeleving en ontwikkeling van het gewone volk mogelijk wilden maken. Daarbij was de school in Deventer ook een broedplaats voor allerlei humanistische ideeën, die ook de kiem vormden van de filosofie die Erasmus later zou gaan uitdragen.

Zijn moeder Margaretha stierf aan de pest toen Erasmus zo’n 14 jaar was. De voogden van Erasmus brachten de jongeman daarna onder in het klooster te Steyn bij Gouda, waar hij tot priester werd gewijd. Hij verliet echter het klooster en kwam na enkele omzwervingen terecht in Parijs, waar hij in 1495 theologie ging studeren. De studie viel hem niet mee, omdat die erg gericht was op de middeleeuwse, scholastieke filosofie. Maar het studentenleven beviel hem des te beter. Als arme student verdiende hij de kost met lesgeven aan meer gefortuneerde studenten, en hij begon met schrijven van een grote hoeveelheid brieven, aan geleerden in heel Europa, onder wie zijn vriend Thomas More. Hij werd onderdeel van de ‘Republiek der Letteren’, een gemeenschap van humanisten die in brieven ideeën uitwisselden, die ook onderling werden gedeeld – zoals nu in tijdschriften.

Desiderius Erasmus leefde in een tijd waarin wat wij nu het ‘publieke debat’ noemen ontstond: burgers die gingen discussiëren over de samenleving en hun eigen rol daarin. In het begin van de zestiende eeuw gebeurde dat in het Latijn, de taal van de intellectuele elite. Door de uitvinding van de boekdrukkunst werden steeds meer boeken en pamfletten gedrukt, die ook konden worden verkocht. Erasmus behoorde tot een nieuwe generatie filosofen die probeerde van de eigen pen te leven. Hij publiceerde onder meer een verzameling Adagia: spreekwoorden en gezegden die hij van een aantrekkelijk commentaar voorzag. Maar nog belangrijker is dat Desiderius Erasmus ging schrijven in de volkstaal, waardoor ook mensen die geen Latijn konden lezen met zijn werk in aanraking kwamen.

Tekst gaat door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

 

Vaticaan

Een goede moraal komt niet tot stand door regels en instituten, zo moet Erasmus al vroeg hebben geleerd. Niet in de laatste plaats door het voorbeeld van zijn vader, de priester die hem verwekte, maar vervolgens naar het Vaticaan vertrok. De kerk gaf het slechte voorbeeld, en voor geld was veel te koop. De bisschopszetels en kardinaalshoeden werden verkocht aan de hoogste bieders. Zonden kon je afkopen via giften en aflaten. De Heilige Stoel werd in deze periode bezet door de meest scandaleuze pausen, die hun positie volop misbruikten voor corruptie en nepotisme – en voor seksuele escapades. Onder paus Leo X – uit het geslacht van de koopmansfamilie De Medici – liep dat vreselijk uit de hand; deze paus paradeerde trots met zijn moslimschandknaap.

Het goede moet uit de mensen zélf komen, zo leert Erasmus. Het zou verkeerd zijn om zijn humanisme te zien als een antigodsdienstige leer, en al helemaal als een vorm van atheïsme. Wat Erasmus leert is een christelijk humanisme (philosophia Christi), waarbij het leven en lijden van Christus een voorbeeld vormen op de morele zoektocht van de mens. Enchiridion militis christiani (1503), zijn eerste filosofische boek, lijkt in niets op de scholastieke verhandelingen zoals die in die tijd gebruikelijk waren, maar is een leer voor het dagelijks leven – enchiridion betekent ook ‘dolk’, een wapen voor de mensen in de strijd tegen zichzelf. Novum Instrumentum (1516), een nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament, brengt Erasmus in conflict met de meer behoudende verdedigers van de kerkleer.

Het humanisme van Erasmus bestaat eruit dat hij het morele voorbeeld van Christus verbindt met de kennis van de klassieke Oudheid, van de grote denkers van de Griekse en Romeinse tijd. Voor hem was de kern van de filosofie het filosoferen zelf, zoals Socrates leerde. Het gaat niet alleen om de waarheid, maar vooral om de wijsheid, het leren hoe we moeten handelen. In geduld en nederigheid, liefde en vrede ligt voor Erasmus het ware geluk. Zijn levensleer laat zich nog het best verklaren als de volgende drie-eenheid: een geestelijke houding van pietas, het met zorg omringen van de medemens, die de basis zou moeten zijn van de studie van de artes liberales, kennis van de klassieken, die moet leiden tot een besef van de officia vitae, van de eigen plichten die men heeft in dit leven.
 

Moraal

Erasmus klaagde in zijn tijd de misstanden aan in de kerk, die hij confronteerde met een geïdealiseerd beeld van het verleden, van het ‘zuivere christendom’ van de eerste christenen, die dichter bij de klassieke ouden stonden en verder af van het verderfelijke heden. Dat was niet nieuw. Al vele eeuwen lang hadden ‘ketterse’ bewegingen de macht van het Vaticaan uitgedaagd, waarbij ze een beroep deden op de armoede van Christus en zijn boodschap dat ieder mens gelijk is. Soms werden deze bewegingen op bloedige wijze bestreden, zoals die van de katharen, soms werden critici opgenomen in de kerk, zoals de franciscanen – bij wie ook veel Moderne Devoten zich aansloten. Maar in de tijd van Erasmus kwam ook een beweging op die niet te vernietigen of te incorporeren bleek.

In 1517 – dit jaar 500 jaar geleden en dus uitgebreid herdacht – spijkerde Maarten Luther zijn stellingen tegen de aflaathandel op de deur van de kerk van Wittenberg. Die daad vormde het begin van de Reformatie, de tweede grote scheuring binnen de christelijke kerken, na het schisma van 1054, tussen de rooms-katholieke en de oosters-orthodoxe kerken. Aanvankelijk wilde Luther een theologische discussie beginnen, maar die liep al snel uit de hand. De paus dreigde Maarten Luther met excommunicatie en verbranding van zijn boeken. Deze monnik noemde de paus de Antichrist en verbrandde op zijn beurt de decreten uit het Vaticaan. Tegen de achtergrond van deze religieuze twisten speelde ook een politieke strijd: Duitse vorsten konden hun macht uitbreiden, ten koste van de rooms-katholieke keizer.

Deze keizer, Karel V, wilde na de vroege dood van paus Leo X in 1521 schoon schip maken en deed een wel heel bijzondere zet. In plaats van een paus uit een invloedrijke Italiaanse familie, zoals gebruikelijk was, wilde hij een buitenstaander op de Heilige Stoel. Dat werd Adrianus van Utrecht, paus Adrianus VI. Deze ‘Nederlandse’ paus was net als Erasmus opgegroeid met de Moderne Devotie en riep ook de hulp in van zijn landgenoot, tegen de opstand van de protestanten. Het antwoord van Erasmus op Luther kwam pas in 1524, in De libero arbitrio (Over de vrije wil). Daarin raakt hij de kern van de leer van Luther, die het bestaan van de vrije wil ontkent. Daarmee ondermijnt deze volgens Erasmus de grondslag onder de moraal. Paus Adrianus maakte het niet meer mee; die was toen al overleden, mogelijk door vergiftiging.
 

Spot

‘Wanneer God zo aan ons werkt als de pottenbakker aan de klei, wat kan ons dan nog, ten goede of ten kwade, worden toegerekend?’ Is de mens geneigd tot het kwade en mogen wij slechts hopen op de genade van God? Als dat zo is, zoals Luther leerde, waarom zou de mens zich dan inspannen voor het goede, wanneer hij met al die inzet toch niets kan bereiken? Niet alleen de pausen, maar ook de protestanten zagen in Erasmus in eerste instantie een medestander, een positie die voor hem bijzonder ongemakkelijk was. Want de humanist wilde zich niet lenen voor de verdediging van de oude dogmatiek – en de perverse praktijken in de kerk. Maar hij wilde al helemaal geen woordvoerder zijn van een nieuwe dogmatiek, die niet minder ver van zijn humanistische idealen af stond.

Tekst gaat door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Erasmus wilde zich niet neerleggen bij het kwade in de mens; hij wilde dat mensen zich ontwikkelen. Hij reisde door heel Europa en gaf onderwijs aan jonge mannen uit vooraanstaande families. In 1516 schreef hij De opvoeding van de christenvorst, waarin hij Karel V voorhield dat zijn positie niet alleen was gebaseerd op macht, maar vooral op gezag. In deze vorstenspiegel leerde hij de vorst te luisteren naar zijn onderdanen en te vertrouwen op zijn geweten. In 1517 – het jaar dat Luther zijn stellingen openbaarde – publiceerde Erasmus zijn Vredes Weeklacht (1517), waarin hij een moreel beroep deed op de leiders van Oostenrijk, Frankrijk en Engeland, die toen juist vredesbesprekingen hielden: ‘Een groot deel van de vrede bestaat hierin dat men van harte de vrede wil.’

Erasmus was geen wereldvreemde idealist, daarvoor had hij te veel van de wereld gezien. In Lof der Zotheid laat hij op nietsontziende wijze de dwaas over de vorst verklaren: ‘Denkt u zich hen nu eens in zoals ze dikwijls zijn: een man die de wetten niet kent, van het algemeen belang haast de vijand is, op persoonlijk voordeel uit, aan genietingen verslaafd; hij haat kennis en ontwikkeling, hij haat vrijheid en waarheid, denkt aan niets minder dan aan het heil van de staat, maar meet alles af naar zijn eigen lusten en zijn eigen belangen. (…) Indien de vorst deze tooi zou vergelijken met zijn levenswandel, dan zou het dunkt me weleens kunnen gebeuren dat hij zich doodschaamt voor zijn ornaat en vreest dat een spottende uitlegger heel deze tragische dracht belachelijk en bespottelijk maakt.’
 

Hollands

Bij mij hangt thuis een prachtig portret van Erasmus, het klassieke beeld van de vrome geleerde. Het is een beeld van wat we graag zouden willen zijn. Een man die zich heeft opgewerkt uit armoede en achterstand tot een van de morele ankers van Europa. Een filosoof die geen kamergeleerde was, maar zich mengde in de grote politieke debatten van zijn tijd. Maar die vooral zijn tijdgenoten liet kennismaken met de klassieke denkers, met als doel een deugdzaam leven te leiden. Ten tijde van zijn conflict met Luther leefde Erasmus in Basel, waar hij de rust had gevonden om te werken. De man die altijd de wereld had opgezocht trok zich steeds verder terug, zeker nadat Basel in 1529 had gekozen voor de Hervorming. In 1536 stierf de grote humanist eenzaam en verbitterd in deze protestantse stad.

Tekst gaat door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Nadat Desiderius Erasmus zijn geboorteland had verlaten, heeft hij de Lage Landen niet vaak meer bezocht. Toch heeft zijn filosofie onmiskenbaar hier haar wortels, in de Moderne Devotie – in Deventer heeft hij nog les gehad van de humanist Rudolf Agricola. Erasmus heeft ook bijgedragen aan de bloei van wat we wel een ‘Hollands humanisme’ kunnen noemen, van de levensfilosofie van Dirck Volkertsz. Coornhert tot de rechtsleer van Hugo de Groot. Een voorkeur voor praktisch denken boven vasthouden aan strenge dogmatiek, een geloof in de ontwikkeling en verheffing van ieder mens. Het is een ideaal dat ik ook nu nog bij veel Nederlanders tegenkom, hoe groot de onderlinge verschillen soms ook zijn. In die zin zijn we allemaal kinderen van Erasmus.
 

Meer Erasmus:

 

Desiderius Erasmus

Desiderius Erasmus, geboren rond 1466, was filosoof, theoloog en humanist. Hij zat op school in Deventer, werd als augustijner kanunnik tot priester gewijd in een klooster te Breda en studeerde kort theologie in Parijs. Hij was een van de eerste filosofen die probeerde te leven van de eigen pen en die daarin slaagde. Dat heeft een omvangrijk oeuvre opgeleverd. Zijn bekendste werk is ‘Lof der zotheid’, waarin hij de draak steekt met vorsten, kooplieden, wetenschappers en de kerkelijke heersers van zijn tijd. Op 12 juli 1536 stierf Erasmus in Basel. Hij wordt gezien als een van de grootste filosofen die Nederland heeft voortgebracht.
 

Christelijk humanisme

Het gedachtegoed van Erasmus is christelijk humanistisch. Erasmus onderschreef de humanistische overtuiging dat een mens in staat is zichzelf te verbeteren en geloofde dat onderwijs daar een belangrijke rol in kon spelen. Bij deze zoektocht naar morele verbetering kan het leven en lijden van Christus als voorbeeld dienen. Erasmus koppelt dit aan de kennis van de Klassieke Oudheid. De levensleer van Erasmus is, simpel gezegd, een drie-eenheid, waarbij een houding van vroomheid de basis is voor een studie van de klassieken waaruit een mens zijn plichten in het leven moet afleiden.
 

Vrije wil

Erasmus was een criticus van de in zijn tijd dominante katholieke kerk. Hij sloot zich echter evenmin aan bij de toentertijd opkomende beweging van Maarten Luther, wiens theologie Erasmus evenmin kon bekoren. Hij had met name kritiek op Luthers ontkenning van de vrije wil. Volgens Luther was de mens een slaaf van de zonde tot God ons redt. In het in 1524 verschenen De libero arbitrio (Over de vrije wil) schrijft Erasmus dat deze ontkenning de grondslag van de moraal ondermijnt. De mens is volgens hem wel degelijk in staat een eigen keuze te maken voor het goede.
 

Overal Erasmus

Bij leven kreeg Erasmus zowel uit lutherse als rooms-katholieke hoek veel kritiek te verduren. Hij liet zich nu eenmaal in geen van beide kampen scharen. Inmiddels is zijn status onomstreden. Zijn naam is aan tal van plaatsen, instituties en prijzen verbonden: de Erasmusuniversiteit en de Erasmusbrug in Rotterdam, het Erasmusprogramma voor de uitwisseling van studenten binnen de Europese Unie, het Erasmusziekenhuis in Anderlecht. Sinds 1958 wordt jaarlijks de prestigieuze Erasmusprijs toegekend aan een denker, doener of instelling die een voor Europa belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel of (sociaal)wetenschappelijk vlak.