Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 2/2021

Spoedcursus: Volk

Wilfred van de Poll

Bestaat het volk wel? En kan het iets willen? Stefan Rummens, hoogleraar politieke filosofie in Leuven, legt het uit aan het volk.

Is het volk iets politieks of cultureels?

Beeld Berend Vonk

Stefan Rummens: ‘Het begrip “volk” zoals we het vandaag gebruiken, is nauw verbonden met de opkomst van de moderne staat in de zeventiende en achttiende eeuw. Voor het eerst ontstond er echt gecentraliseerd gezag. In de Middeleeuwen was er een lappendeken van machtsstructuren; mensen identificeerden zich met allerlei machtscentra en instanties, religieus en lokaal. Dat veranderde met Lodewijk XIV, de “Zonnekoning” (1638-1715), bekend van de uitspraak “L’État, c’est moi” (De staat, dat ben ik). Hij trok de macht van de adel naar zich toe. Op het paleis dat hij in Versailles liet bouwen liep de lagere adel nog wel rond, maar die hield zich voortaan bezig met feesten in de tuin.

Er ontstond zo een volk in politieke zin: de onderdanen van de nieuwe staat, onder een centrale machthebber. Het volk is dus een gevolg van schaalvergroting. Maar de staat is veel groter en anoniemer dan een dorp of een stad. Dat leidde onvermijdelijk tot de vraag: wat bindt die onderdanen dan vervolgens, wat hebben ze gemeenschappelijk?

Om de staat te laten overleven, was ook culturele eenmaking nodig. In Frankrijk gebeurde dat top-down: er kwam een actief beleid van culturele homogenisatie, voornamelijk door middel van het Frans als eenheidstaal. “Nationale talen” zijn een moderne uitvinding. In de vroegmoderne tijd was er een ratjetoe aan dialecten.

In Duitsland en Italië ging het juist bottom-up: er was eerst een proces van culturele eenwording, en daarna pas de politieke uitdrukking ervan, de eenheidsstaat. Hoe dan ook bestaat er dus een innerlijke samenhang en tegelijk spanning tussen het politieke en het culturele volk, tussen staat en natie. Hoe zij zich tot elkaar verhouden is nog steeds een van de grote debatten in de politieke filosofie.

Aan de ene kant zijn er nationalisten, met als basisgedachte: er moet een een-op-eenrelatie bestaan tussen staat en natie. En ook dat elke “natie”, elk cultureel volk, recht heeft op een eigen staat. Dus: de Schotten, Vlamingen en Catalanen moeten een eigen staat krijgen. Dit nationalisme bestaat ook in een liberale variant, vertolkt door hedendaagse theoretici als David Miller en Will Kymlicka.

Daartegenover staan denkers als de Duitse filosoof Jürgen Habermas, die stellen dat zo’n innige relatie tussen staat en natie niet meer houdbaar is. We leven in “postnationale” tijden, stelt hij, door het toenemend multiculturele karakter van samenlevingen en door de globalisering. Hij noemt nationalisme nostalgisch: het verlangen naar een “dikke” culturele identiteit als “Nederlander” of “Duitser” doet geen recht meer aan de nieuwe sociologische realiteit. Die dwingt ons juist te zoeken naar nieuwe vormen van politieke integratie, zonder onderliggende culturele eenheid.’

Bestaat er zoiets als een volkswil?

Stefan Rummens: ‘Tijdens de Verlichting ontstond het idee dat de centrale, soevereine macht niet meer aan de koning, maar aan het volk toekwam. Maar als het volk moet beslissen, moet het ook iets willen. De Franse denker Jean-Jacques Rousseau (1712-1788) komt in zijn beroemde verhandeling Over het maatschappelijk verdrag daarom met het idee van de “volonté générale”, een collectieve wil van het volk. Je ontdekt die door stemming, stelde Rousseau. We mogen volgens hem de minderheid dwingen zich aan de volkswil te houden. Daarmee dwing je die om “vrij” te zijn. De enige manier om in een democratie vrij te blijven, is door je te identificeren met de volkswil – door je tegelijkertijd onderdaan én wetgever te voelen.

Dit denken over de volkswil kan ontaarden in een “tirannie van de meerderheid” of een dictatuur. De Franse Revolutie, uitmondend in de terreur van Robespierre, illustreert dat. Omdat de volkswil als iets singuliers wordt opgevat, open je de mogelijkheid dat iemand een dictatuur in naam van het volk oplegt, zoals Robespierre deed, zich beroepend op Rousseau. Rousseau zelf wilde dat niet, maar zijn denken laat het wel toe. In Engeland ontstond een heel andere traditie, de liberale. Grote naam hier is John Locke (1632-1704). Hier gaat het om de afbakening van een private sfeer. We hebben als individu een aantal rechten en vrijheden, en de machthebber mag daar niet aankomen. Doet hij dat wel, dan mag je hem afzetten. Deze traditie vindt via de glorious revolution van 1688 en de bill of rights zijn politieke vorm in de constitutionele monarchie.

In de twintigste eeuw trekt Carl Schmitt, de rechtsfilosoof die lid was van de nazipartij, Rousseaus denken over de volkswil door. Een democratie is een volk dat identiek is met zichzelf; de volkswil wordt belichaamd door een leider die het volk dient. Dat is de fascistische logica: één volk, één wil, één leider. Zo’n dictator vond hij democratisch.

Hedendaagse populisten, of ze nu links of rechts zijn, zitten op diezelfde lijn. Ze zeggen eigenlijk: de wil van het volk is singulier en ik als leider weet wat het volk wil. Mensen die zich verzetten zijn “volksvreemd” en “verraders”.

De Franse denker Claude Lefort (1924-2010) waarschuwde daartegen. Hij zei: door de Franse Revolutie heeft de macht zijn “be­lichaming” verloren. Wat overblijft is een lege troon, en het gaat er in een democratie om dat die ook leeg blíjft. Op het politieke toneel verschijnen meer acteurs die allen claimen namens het volk te spreken, en dat is goed: het volk spreekt altijd met meerdere stemmen. Wanneer iemand toch beweert “de” volkswil te vertegenwoordigen, ontkent hij de democratie. Een democratie is altíjd liberaal en pluralistisch, zegt Lefort.’

Heeft het volk vertegenwoordigers nodig?

Stefan Rummens: ‘Politieke partijen maken de verschillende stemmen van het volk zichtbaar, zodat burgers zich ermee kunnen identificeren. De politieke bühne, waarop meningen worden uitgebeeld, is daarom een wezenlijk onderdeel van een democratie. Maar er is veel onvrede over, vanwege de evidente nadelen. Zoals kortetermijndenken, politici die alleen maar bezig zijn met hun herverkiezing, loze debatten puur voor de bühne, beroepspolitici die te ver afstaan van hun electoraat. En ga zo maar door.

Sommige denkers stellen daarom dat de representatieve politiek heeft afgedaan, zoals Simon Tormey, die in 2015 het boek The End of Representative Politics schreef. Ook David van Reybrouck ziet het systeem kraken en piepen, en pleit daarom in zijn pamflet Tegen verkiezingen uit 2013 voor gelote burgerjury’s of een gelote Kamer. Die wil hij ook wetgevende macht geven. Hij grijpt terug op het oude Athene, waar inderdaad ook werd geloot en er een mengvorm was. Een probleem met zijn voorstel is wel dat het weinig rekening houdt met de impact van schaalvergroting. Athene was klein. Je kende elkaar. Dat is bij de 11 miljoen Belgen van vandaag de dag niet het geval.

Macht mag in een democratie nooit anoniem zijn, stellen denkers als de Belgische politiek filosofe Chantal Mouffe. Afschaffing van volksvertegenwoordigers noemt zij daarom een vergissing. Het volk moet zichtbaar worden voor zichzelf, stelt ze, en daar zijn vertegenwoordigers en partijen voor nodig. Een politiek “toneel”. Alleen dat maakt zichtbaar hoe de machtsverhoudingen liggen. Hoe links of rechts zijn we in dit land? Welke meningen heersen er, en wie hangen die precies aan? Ook als wij onszelf in de minderheid bevinden, moeten we dat nog wel eerst ontdekken. En we moeten kunnen zien dat we desondanks gerespecteerd worden en toch ook op het podium mogen staan. Bij gelote jury’s of burgerberaden verdwijnt dat allemaal.

Niccolò Machiavelli (1469-1527) stelde dat de legitimiteit van een machthebber te maken heeft met beeldvorming. In een democratie al helemaal, lijkt me – ook ik verdedig in mijn boek Wat een theater uit 2016 het politieke theater. Dat heeft tegenwoordig een slechte naam. Begrijpelijk – het is vaak slecht theater. Ik vind: we moeten de kwaliteit verbeteren, maar we mogen het niet afschaffen.

Het volk moet aan zichzelf kunnen verschijnen. Als we niet meer weten wie wat beslist heeft namens “ons”, dan smelt het vertrouwen in de politieke besluitvorming als sneeuw voor de zon weg. Terwijl die nieuwe vormen juist worden bedacht om dat vertrouwen te herstellen. De rol van zulke burgerjury’s moet wat mij betreft adviserend blijven. Want stel dat ze iets beslissen waar ik het mee oneens ben, waar moet ik dan heen met mijn onvrede? “Directe” of “participatieve” democratie klinkt mooi, maar wie kun je weg­stemmen als de “volkswil” volledig anoniem wordt gevormd?’

Hoe groot kan het volk zijn?


Stefan Rummens: ‘Het volk ontstond door schaalvergroting. Kan het nog verder worden opgeschaald? Hoe groot kan het worden? De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) pleitte in zijn traktaat Zum ewigen Frieden voor een soort “wereldvolk” om wereldvrede te bereiken. De afgelopen decennia is dat idee afgestoft, bijvoorbeeld door de Britse denker David Held. Hij stelt de vraag: hebben we een kosmopolitische democratie nodig? Held ziet een asymmetrie tussen diegenen die beslissingen nemen en diegenen die de gevolgen ondervinden. Als de VS zich terugtrekken uit het klimaatakkoord van Parijs draagt de rest van de wereld er de gevolgen van. Die verwevenheid betekent dat we de democratie moeten opschalen, omdat er anders een democratisch tekort ontstaat. Er is behoefte aan coördinatie op wereldniveau, bijvoorbeeld bij ons financiële systeem en bestrijding van klimaatverandering, en dat gaat om beslissingen die vragen om democratische legitimiteit.

Ook Jürgen Habermas pleit voor een opschaling van het “volk”. Het model van de ene soevereine staat naast de andere – het zijn er nu iets van 200 – zou vervangen moeten worden door een gelaagd model, waarbij machtscompetenties zijn verdeeld over verschillende niveaus. De vraag is natuurlijk of dat haalbaar is. Daar is veel scepsis over. Een wereldparlement, daarvoor pleit niemand, zelfs niet de grootste utopisten.

Dus wordt er gezocht naar dunnere definities van wat een volk op grote schaal kan inhouden. Habermas noemt democratie een “constitutioneel project”, een gemeenschap die gevormd wordt doordat die samen ervaringen opdoet vanuit enkele gedeelde basisgedachten – hij vat “constitutioneel” ruim op. Op wereldniveau zou het minimum een “morele gevoeligheid” voor de schending van de mensenrechten moeten zijn om gezamenlijk te kunnen handelen. Maar heb je het dan over een “volk’ of eerder over een soort wereldwijde publieke opinie?

Zijn critici vinden het allemaal te idealistisch en abstract, en benadrukken de historische wortels van een politieke gemeenschap. Will Kymlicka schreef in 2001 in zijn boek Politics in the Vernacalur dat politiek alleen kan werken als die wordt gedragen door een volk dat een “taal” deelt, letterlijk en figuurlijk – een set aan gedeelde waarden. Hij en andere (liberale) nationalisten zijn erg kritisch op pogingen om de natiestaat te ontstijgen. De Europese Unie kan volgens hen nooit meer zijn dan intergouvernementele samenwerking.

Habermas denkt dat dat wel kan. Hij spreekt van een Europees “constitutioneel patriottisme” en ziet de EU als een uniek experiment, een opmaat naar een democratische wereldorde. Habermas is voluntaristisch: politieke identificatie ontstaat doordat mensen ervoor kiezen gemeenschappelijke ervaringen op te doen, samen problemen op te lossen, vrijheid en gelijkheid gestalte te geven. Op Europees niveau zou je in de vele crises van de laatste jaren dus ook positiefs kunnen zien. Die hebben het besef versterkt dat we in hetzelfde schuitje zitten.’