Home ‘Overal zie ik sporen van Rousseau’

‘Overal zie ik sporen van Rousseau’

Door Elma Drayer op 07 februari 2012

Cover van 02-2012
02-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Hoe wij onze kinderen opvoeden, de moordende behoefte aan menselijke politici, Boer zoekt vrouw – allemaal het werk van Jean-Jacques Rousseau, betoogt cultuurfilosoof Maarten Doorman.

Waar zijn fascinatie voor het thema vandaan komt? Hoogleraar en cultuurfilosoof Maarten Doorman (1957) valt even stil. ‘Het moet een vroege gevoeligheid zijn geweest voor hoe je je gedraagt,’ zegt hij, ‘en wat daar echt of onecht aan is. Daar was ik als puber al in geïnteresseerd. Vervolgens is er veel filosofie overheen gegaan. Nu vind ik dat alles met authenticiteit te maken heeft.’
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Volgens Doorman hebben wij onze opvattingen hieromtrent eerst en vooral te danken aan de Franse denker Jean-Jacques Rousseau, wiens driehonderdste geboortejaar in 2012 breed wordt herdacht. Binnenkort verschijnt het boek Rousseau en ik, waarin Doorman de draagwijdte van zijn erfenis in kaart tracht te brengen.

Geen misverstand: voor de man zelf heeft hij weinig bewondering. ‘Behalve misschien voor zijn moed. Hij moet ongelooflijk charmant zijn geweest, maar ik vind hem zo humorloos. Rousseau kon zichzelf, anders dan Voltaire, volstrekt niet relativeren. Ik denk dat ik hem onuitstaanbaar had gevonden. De manier waarop hij de goede, rechtschapen Hume heeft behandeld – echt dramatisch. Dat hij zijn vijf kinderen bij het vuilnis heeft gezet – onvoorstelbaar. En hoe hij zijn vrouw Thérèse bejegende! Enerzijds weidde hij lyrisch uit over hoe geweldig eenvoudig ze was, anderzijds hield hij een lijstje bij van alle stompzinnige uitspraken die ze had gedaan. Daarover maakte hij zich dan later vrolijk met zijn vrienden. Zulk gedrag vind ik nogal moeilijk te rijmen met de oprechtheid waarvoor hij pleitte.’

Utopisch ideaal

Maar hoe ambivalent Doorman ook staat tegenover het personage Rousseau, de doorwerking van diens gedachtegoed valt volgens hem moeilijk te onderschatten. ‘Immanuel Kant had op zijn kamer één portret hangen: dat van Rousseau. En neem Karl Marx. Die werd via Hegel sterk door hem beïnvloed. Bij Marx draait het uiteraard om de verhouding tussen arbeid en kapitaal, maar daarachter schemert het utopisch ideaal van Rousseau: terug naar het authentieke, natuurlijke leven.’ Of neem existentialisten als Jean-Paul Sartre, die zich druk maakten over de vervreemding van de moderne mens. ‘Bij Sartre gaat het erom dat je trouw moet zijn aan wie je werkelijk bent. Je verraadt je diepste zelf als je doet wat anderen van je verwachten. Ook dat is Rousseau.’

In Doormans ogen strekt zijn invloed zelfs veel verder dan wij doorgaans beseffen. ‘Authenticiteit is een heel groot onderwerp. Misschien wel te groot. Maar ik vind het een zegen dat ik ertegenaan ben gelopen. Het is toch veel interessanter om je met zo’n enorm thema bezig te houden dan met de zoveelste interpretatie van Heidegger? Daar is op zichzelf niet zoveel op tegen, maar ik wilde iets avontuurlijkers. Ik vind dat je als cultuurfilosoof een verband moet leggen tussen de ideeëngeschiedenis en de manier waarop wij nu leven en denken, de debatten die nu spelen.’
Het kostte Doorman naar eigen zeggen ‘weinig moeite’ om alledaagse voorbeelden te vinden van de rousseauaanse hang naar authenticiteit. De manier waarop wij onze kinderen opvoeden, onze opvattingen over originaliteit in de kunst, de moordende behoefte aan menselijke politici, een televisieprogramma als Boer zoekt vrouw, de honger naar authentieke ervaringen als we met vakantie zijn – Rousseaus sporen ziet hij overal terug. Natuurlijk kan het best zijn, zegt hij, dat hij de filosoof belangrijker maakt dan hij eigenlijk is. ‘Je loopt, vrees ik, altijd het gevaar dat je alles projecteert op je thema. Net zoals je ineens overal kinderwagens tegenkomt als je zelf net een baby hebt. Toch denk ik niet dat ik overdrijf. Ik zie althans zijn invloed nog niet tanen, hoezeer de wereld ook verandert.’

Bovenal is Doorman geïntrigeerd door de ‘wonderlijke’ paradox die dit verlangen naar echtheid genereert, een paradox waaraan trouwens ook Rousseau zelf niet ontkwam. ‘Juist de hang naar echtheid produceert kunstmatigheid. Zodra je de vraag stelt of je wel echt bent wie je bent, ben je al niet meer echt. Dan is het onnatuurlijke daar. Kijk naar al die politici die eerlijk en spontaan willen overkomen op televisie. Om dat te bereiken hebben ze wel uitgebreide mediatraining nodig. In mijn boek noem ik het voorbeeld van de open haard. We hebben allemaal centrale verwarming in huis en toch verlangen we op gezette tijden naar echt vuur van echt hout. We hebben een kunstgreep nodig om ons natuurlijk te voelen.’

Een uitweg

Opmerkelijk genoeg probeert Doorman aan het slot van Rousseau en ik een uitweg te bieden, door twee nieuwe criteria te introduceren: ‘kwaliteit’ en ‘traditie’. ‘Ik vind het heel onbevredigend,’ zegt hij, ‘om een boek te schrijven dat alleen deconstrueert. Dat hebben de postmodernisten in de afgelopen decennia al genoeg gedaan. Ik vind dat armoedig, je moet op z’n minst proberen een alternatief te formuleren. Want je kunt best constateren dat het streven naar authenticiteit nergens op slaat, en dat het wijst op een gemis aan rationaliteit. Maar daarmee hoef je die open haard nog niet uit je interieur te bannen. Want hoe je ook redeneert, dat verlangen naar echtheid blijft.’

Het interessante van zijn thema, zegt Doorman, is dat niemand kan ontsnappen aan een klimaat waarin authenticiteit geldt als het hoogste goed – ook hijzelf niet. ‘Het is onmogelijk om over de schaduw van je eigen tijd heen te stappen.’ Dus wil ook hij, om maar wat te noemen, dat zijn kinderen uiteindelijk samenvallen met zichzelf? ‘Natuurlijk. Ik ben sowieso niet ongevoelig voor Rousseaus ideeën in Émile, zijn boek over de opvoeding. Dat kinderen bijvoorbeeld op school wél leren waar Peking ligt, maar dat ze de weg in de tuin van hun vader niet weten – dat vind ik een mooie observatie. Op dit moment lees ik mijn jongste zoontje ’s avonds voor uit Robinson Crusoe, het enige boek dat Rousseau goedkeurde voor de opvoeding van Émile. Als ik bij het bed van mijn zoontje zit, moet ik altijd even aan hem denken.’