Home Driehonderd jaar Kant Ook Kant was geen moreel orakel
Driehonderd jaar Kant Rechtvaardigheid

Ook Kant was geen moreel orakel

Handel zo dat je handeling een algemene wet zou kunnen zijn, spoort Kant ons aan. Maar zelfs hij bleek een feilbaar mens.

Door Marcus Willaschek op 08 april 2024

Immanuel Kant und seine tischgenossen Kant en zijn vrienden Emil Doerstling 'Kant und seine Tischgenossen', schilderij door Emil Doerstling uit 1892/1893

Handel zo dat je handeling een algemene wet zou kunnen zijn, spoort Kant ons aan. Maar zelfs hij bleek een feilbaar mens.

FM4 waar is chaos Filosofie Magazine
04-2024 Filosofie magazine Lees het magazine

In haar wanhoop richt Maria von Herbert zich in de zomer van 1791 per brief tot Kant. De jonge vrouw uit Klagenfurt is een enthousiaste volgelinge van Kant en had de liefde van de man met wie ze wilde trouwen verloren nadat ze hem, daartoe aangespoord door Kants categorische imperatief, een onschuldig leugentje had opgebiecht. Haar aanbidder verloor het vertrouwen in haar, zijn liefde bekoelde. Maria von Herbert smeekt Kant om raad: ‘Grote Kant. Jou roep ik zoals een gelovige zijn God roept om hulp, om troost, of om te besluiten tot de dood.’ Ze denkt aan zelfmoord, die Kants ethiek echter verbiedt. ‘Stelt u zich in mijn plaats en biedt mij troost, of verdoem mij. De [Fundering voor de] metafysica van de zeden heb ik gelezen, inclusief de categorische imperatief, maar die helpt me niets (…), om een antwoord smeek ik u, of u kunt zelf niet volgens het door u opgestelde imperatief handelen.’

Marcus Willaschek (1962) is een Duitse filosoof. Hij is hoogleraar moderne filosofie aan de Goethe Universiteit in Frankfurt en Kant-expert. Als voorzitter van de Kant-commissie van de BBAW, een gerenommeerd onderzoeksinstituut, is hij medeverantwoordelijk voor de academische uitgave van Kants werk.

De categorische imperatief is Kants bekendste bijdrage aan de filosofie. In zijn bondigste vorm luidt die: ‘Handel zo dat het maxime van je handeling tot algemene wet verheven kan worden.’ Vooral in het Duitse taalgebied heeft die tot ver buiten de academische filosofie ingang gevonden in het algemene bewustzijn. Op deze imperatief hebben niet alleen de verzetsstrijders in het nationaalsocialistische rijk, zoals de muziekwetenschapper en filosoof Kurt Huber, die vanwege zijn lidmaatschap van de Weisse Rose werd geëxecuteerd, maar ook de organisator van de massamoord op de Europese Joden, Adolf Eichmann, zich beroepen. Die laatste gaf in 1960 tijdens zijn verhoor in Jeruzalem toe dat de moord op de Joden niet met de categorische imperatief te verenigen viel. Hij zou als ondergeschikte dan ook alleen op bevel en onder dwang hebben gehandeld. Eichmann had naar eigen zeggen gedurende de oorlog daadwerkelijk Kants Kritik der praktischen ­Vernunft gelezen en zich zo goed mogelijk aan de categorische imperatief gehouden.

Maandag 13 mei 2024 staat Kant centraal in de serie Bucketlist Filosofie in de Rode Hoed. Wat betekent zijn oproep om je eigen verstand te gebruiken in tijden van fake news en complottheorieën? Sprekers: Maarten Doorman, Thomas Nys, Janneke de Bijl en Daan Roovers. Kijk voor meer informatie en tickets op de website van de Rode Hoed.

Eichmann had Kant duidelijk niet al te grondig gelezen, want tot de meest indrukwekkende passages in de Kritik der praktischen Vernunft behoort het volgende gedachte-experiment, waarmee Kant zijn lezers confronteert. Een vorst verlangt van een van zijn onderdanen onder bedreiging met de dood een valse getuigenis af te leggen tegen een rechtschapen man en die daarmee in het verderf te storten. Vervolgens moeten we ons voorstellen wat de onderdaan vermoedelijk zou antwoorden als we hem zouden vragen of hij in staat was ‘zijn liefde voor het leven (…) te overwinnen’ en te weigeren die valse getuigenis af te leggen. ‘Hij zal misschien niet durven garanderen dat hij het wel of niet zou doen, maar dat het mogelijk voor hem is, moet hij zonder aarzelen toegeven. Hij oordeelt dus dat hij iets kan, omdat hij zich ervan bewust is dat hij het behoort te doen.’ Ook Eichmann, zo had Kant ongetwijfeld geantwoord, had de politieke druk van zijn superieuren kunnen weerstaan, als hij zich werkelijk aan de categorische imperatief had gehouden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maximen

Maar wat houdt de categorische imperatief precies in? Kant maakt onderscheid tussen categorische en hypothetische imperatieven. ‘Categorisch’ betekent hier dat de imperatief voor iedereen geldt en geen uitzonderingen duldt; ‘hypothetisch’ dat hij alleen geldt voor degenen die bepaalde doelen nastreven en daarom uitzonderingen toelaat. Zo is de oproep om op tijd voor het vertrek van de trein op het station te zijn een hypothetische imperatief, omdat niet ieder mens er belang bij heeft die trein te halen. En ook het advies om op jonge leeftijd geld opzij te zetten voor de oude dag geldt alleen hypothetisch, want het kan bijvoorbeeld in noodsituaties zinvol zijn je geld al eerder uit te geven. Categorische imperatieven gelden daarentegen altijd en overal, zonder uitzondering. Kants voorbeelden daarvoor zijn onder meer om nooit te liegen, om andere mensen in nood te helpen, om de eigen talenten niet te laten verkommeren en om geen geld te lenen waarvan je weet dat je het niet kunt terugbetalen.

Kant kent dus niet alleen ‘de’ categorische imperatief, die eist om alleen volgens veralgemeniseerbare maximes te handelen, maar ook categorische imperatieven in het meervoud, die echter uit die eerste kunnen worden afgeleid of daardoor gefundeerd kunnen worden. Hoe functioneert die afleiding? Daarvoor moeten we allereerst weten wat een ‘maxime’ is. Deze uitdrukking stamt uit de Franse zedenleer van de zeventiende eeuw en is oorspronkelijk de benaming voor de majorpremisse in een praktisch syllogisme, de propositio maxima. In Kants tijd duidt het woord op algemene leefregels. De Franse schrijver François de La Rochefoucauld publiceerde in 1664 een beroemde verzameling van zulke meer of minder puntige maximes, waaronder bijvoorbeeld: ‘Er is meer geestkracht nodig om voorspoed dan om tegenspoed te verdragen.’ Maar terwijl La Rochefoucauld zijn maximes neutraal uitdrukt, in de derde persoon, verstaat Kant daaronder individuele regels hoe te handelen en formuleert ze daarom in de ik-vorm: ik wil geen geld lenen dat ik niet kan terugbetalen. Ik wil rijk worden, koste wat het kost. Of: als ik iets heb beloofd, wil ik me daar ook aan houden. Daarbij vat Kant maximen niet op als goede voornemens, maar als regels waar een mens zich, bewust of onbewust, ook daadwerkelijke naar richt.

Dit veronderstelt dat menselijk handelen, voor zover het redelijk is, altijd ook regel-geleid is. ‘Redelijk’ betekent hier niet per se het goede en juiste doen en betekent ook niet kil, berekenend en tegen je gevoel en intuïtie in handelen. Het betekent vooral consequent zijn en jezelf niet tegenspreken. Laten we aannemen dat ik besluit om geld te lenen, hoewel ik het niet kan terugbetalen, omdat ik me in een noodsituatie bevind. Dan kan ik me er niet achter verschuilen dat dit een eenmalige uitzondering is. Ik heb me er daarmee namelijk op vastgelegd dat het op zijn minst in een noodsituatie als die waarin ik me bevind juist is geld te lenen, zonder het terug te kunnen betalen. Anders gezegd: de bijzondere omstandigheden rechtvaardigen in mijn ogen mijn gedrag in deze bijzondere situatie. Maar dan rechtvaardigen ze het ook in elke andere situatie, als die maar voldoende overeenkomst vertoont met de huidige noodsituatie. Voor zover ik redelijk ben en mezelf niet tegenspreek, neem ik dus geen beslissing voor dit individuele geval, maar voor alle soortgelijke gevallen. En dat is precies wat een maxime is: een regel die inhoudt dat ik me onder die en die omstandigheden altijd zus of zo zal gedragen.

Een mens richt zich naar regels die hem vertellen hoe te leven

In veel gevallen zijn we ons niet bewust van onze maximen, maar voor zover we consequent zijn en onszelf niet tegenspreken, handelen we er wel naar. Het geheel van die regels vormt wat Kant het ‘karakter’ of de ‘gezindheid’ van een mens noemt. Zo’n karakter heb je echter niet eenvoudigweg, maar moet je je volgens Kant zelf ‘verschaffen’. Dat doe je door je bewust te worden van de maximen waarnaar je handelt, ze te toetsen en alleen aan die maximen vast te houden die de toets van de kritiek doorstaan.

Maar wat is het criterium dat je bij een dergelijke toets hanteert? Maatschappelijke verwachtingen zullen hier evenzeer een rol spelen als eigen voorliefdes en vermogens. Zulke criteria zijn ons echter in zekere zin op voorhand van buitenaf opgelegd en kunnen veranderen. Uiteindelijk hebben we een onafhankelijk en betrouwbaar criterium nodig, en dat kan, aldus Kant, alleen de categorische imperatief zijn: handel alleen naar ma­ximen die algemene wetten kunnen zijn. Want alleen op die manier is gegarandeerd dat onze maximen niet alleen op korte termijn een harmonisch karakter uitmaken, maar ook nog bij elkaar passen als maatschappelijke verwachtingen en eigen voorliefdes zouden veranderen.

Welke maximen beantwoorden aan dit criterium? Wat betekent het dat een maxime een algemene wet zou kunnen zijn? Kant verduidelijkt dat doorgaans aan de hand van negatieve voorbeelden, bijvoorbeeld het maxime van kredietfraude. Als dit maxime een algemene wet zou zijn, zou het inhouden dat ieder mens geld zou mogen lenen zonder het terug te betalen. Maar dan, aldus Kant, zou niemand meer iemand geld lenen, zodat dit maxime, tot algemene wet verheven, zichzelf zou opheffen: je zou volgens dit maxime, als het een algemene wet zou zijn, niet meer succesvol kunnen handelen.

Verborgen vriend

Tegen deze argumentatie zijn veel bezwaren geuit. Is het echt zo dat niemand meer iemand geld zou lenen als de schuldenaar het niet terug zou hoeven betalen? Misschien zou men alleen meer garanties verlangen. En zelfs als niemand meer iemand geld zou lenen, hoe erg zou dat dan zijn? De christelijke kerken hadden het lenen van geld tegen rente hoe dan ook lang verboden. En zou iemand het niet eenvoudig op de koop toe kunnen nemen dat niemand hem meer geld zou lenen, zolang hij er zelf deze ene keer met zijn bedrieglijke oogmerk nog goed vanaf komt?

Deze tegenwerpingen zijn in zoverre gerechtvaardigd dat Kant soms de indruk wekt dat de categorische imperatief een feilloze methode is, die zonder al te veel moeite en afwegingen voor elke denkbare situatie automatisch het juiste resultaat oplevert. Maar zo eenvoudig kan het niet zijn. Dat komt vooral doordat men elke situatie op verschillende manieren kan beschrijven en daarmee ook tot verschillende maximen komt, die getoetst moeten worden. Luidt mijn maxime dat ik altijd als ik geld nodig heb wat leen, zelfs als ik het niet kan terugbetalen? Of luidt het dit alleen in de hoogste nood te doen, en alleen wanneer op zijn minst niet valt uit te sluiten dat ik het geld kan terugbetalen, ook al is dat onwaarschijnlijk? Dat het laatste maxime zichzelf, tot algemene wet verheven, zou opheffen, is geen uitgemaakte zaak, want het zou immers slechts op een zeer klein aantal gevallen slaan en het instituut van de kredietverstrekking niet over de hele linie onmogelijk maken. Anderzijds zou men kunnen tegenwerpen dat de eigen nood en de vage hoop het geleende geld ooit terug te betalen helemaal niet relevant zijn voor de vraag of je geld mag lenen: wie geld leent moet het terugbetalen. Punt. Als ik er niet zeker van ben dat ik dat kan, mag ik inderdaad geen schulden maken. Nood en hoop, zo luidt de tegenwerping, zijn hier niet relevant. Of toch, als de nood maar hoog genoeg is?

Hoe men die vraag ook beantwoordt, in elk geval vergt het al moreel oordeelsvermogen – dus sensibiliteit ten aanzien van de kwestie welke omstandigheden in de desbetreffende situatie moreel relevant zijn en welke niet – om te kunnen beoordelen welk maxime getoetst moet worden. Dat is het terechte punt dat Hegel maakt in zijn beroemde bezwaar van formalisme tegen de categorische imperatief. Dit vormde, aldus Hegel, een van elke inhoud gespeend criterium, dat voor willekeurige doeleinden misbruikt zou kunnen worden. Maar de consequentie van die tegenwerping zou er niet in moeten bestaan dat men de categorische imperatief verwerpt, maar dat men duidelijk maakt dat de toepassing ervan niet in het luchtledige plaatsvindt. Die toepassing vindt altijd plaats in concrete situaties, waarin bepaalde kenmerken moreel bijzonder relevant zijn en andere niet, en vergt daarom oog voor de situatie en oordeelsvermogen. Overigens heeft Kant dit te weinig benadrukt en soms zelfs bestreden.

Voor de gevolgen van een waarachtige uitspraak ben je niet verantwoordelijk

Dat wordt bij uitstek duidelijk bij een beroemd geworden kritiek, waarop Kant een berucht antwoord geeft. In 1796 – Kant was al een oude man en zijn werk werd in heel Europa besproken – had de Zwitsers-Franse schrijver en politicus Benjamin Constant tegen Kant ingebracht dat zijn ethiek een absoluut verbod om te liegen zou impliceren, wat tot absurde consequenties leidt. Stel je voor, schrijft Constant in een Frans­talig artikel, dat een vriend zich in jouw huis schuilhoudt voor onrechtmatige vervolging. (Het schrikbewind van Robespierre in het revolutionaire Frankrijk was pas twee jaar tevoren ten einde gekomen.) Daarop zou Kant beweren dat je de vervolgers op de vraag of de vriend zich in je huis schuilhoudt de waarheid moest zeggen – zelfs als dat de wisse dood van de vriend tot gevolg zou hebben. Daar brengt Constant tegenin dat je de waarheid alleen verschuldigd bent tegenover degenen die daar recht op hebben, en dat hebben de vervolgers in dit geval niet. Je mag, je móet, hen daarom voorliegen.

Het artikel van Constant verschijnt een jaar later ook in het Duits en provoceert Kant onverwijld tot een antwoord onder de titel Über ein vermeintes Recht, aus Menschenliebe zu lügen, ‘Over een vermeend recht te liegen uit mensenliefde’. Kant begint curieus genoeg met de bekentenis dat hij inderdaad een keer heeft gezegd dat men in zo’n situatie niet mag liegen, ook al kan hij zich niet meer herinneren in wat voor verband dat was. In feite heeft Kant zich in geen van zijn geschriften over een dergelijk geval uitgelaten. Hij was in een val getrapt die Constant voor hem had opgezet.

Maar het wordt nog erger. Want Kant verdedigt vervolgens het aan hem toegeschreven standpunt onder andere met het argument dat je niet kunt weten of je de vriend niet nog meer schade berokkent wanneer je liegt dan wanneer je de waarheid spreekt. Kant veronderstelt dat je tussen leugen en oprechtheid moet kiezen, omdat zwijgen volgens hem zal worden opgevat als een bekentenis dat de vriend zich in je huis schuilhoudt. Voor de mogelijk rampzalige gevolgen van een leugen ben je zelf verantwoordelijk, voor de gevolgen van een waarachtige uitspraak daarentegen niet. Als de vriend sterft omdat jij de waarheid hebt gesproken, ben jij niet schuldig aan zijn dood, maar zijn vervolger. Het was dus juist dat je nooit en onder geen enkele omstandigheid mocht liegen, zelfs niet uit mensenliefde en om een onschuldige vriend te redden.

Nooit liegen

Dit is een extreem voorbeeld voor een centraal kenmerk van Kants ethiek, namelijk het feit dat de voorzienbare gevolgen van het eigen handelen geen rol spelen bij de vraag wat moreel juist is. Het komt alleen aan op het maxime waarnaar je handelt, dus op het oogmerk en de gezindheid. Andere wijsgerige ethische stromingen, zoals het utilitarisme, benadrukken daarentegen de consequenties van het eigen doen en laten voor zover ze de vermeerdering van geluk en het vermijden van leed betreffen.

Dat de morele beoordeling van mijn handelen niet direct afhangt van de voorzienbare gevolgen, maar van een maxime, lijkt vooral plausibel als we nadenken over ons doen en laten op mondiale schaal. Of ik met de fiets of met een SUV naar het werk ga, heeft op de klimaatverandering maar een minimale, te verwaarlozen invloed. Wanneer ik als individu eerlijk gemaakte kleding koop, verandert dat bijna niets aan de uitbuiting van arbeidskrachten in lagelonenlanden. Maar, en dat is Kants terechte punt, daar komt het voor de morele beoordeling helemaal niet op aan. Wat telt is het betreffende maxime: je zo milieuvriendelijk mogelijk voortbewegen en niet van uitbuiting profiteren. Volgens die maximen handelen is niet juist vanwege de (minimale) positieve effecten, maar omdat daarin de juiste morele houding tot uitdrukking komt. Natuurlijk moeten we er ons best voor doen dat ons handelen, eventueel samen met dat van een groot aantal andere mensen, goede gevolgen heeft. Het zijn echter niet die gevolgen die de morele waarde van onze handelingen uitmaken, maar, zoals Kant zegt, de ‘goede wil’ die erin tot uitdrukking komt.

Zelfs als je toegeeft dat het bij de morele beoordeling van ons handelen in eerste instantie op het oogmerk en niet op de gevolgen aankomt, kun je met Kants antwoord op Constant onmogelijk tevreden zijn. Een vriend aan de vijand uitleveren, alleen om zelf niet te hoeven liegen, is niet moreel juist, maar verfoeilijk en laf. Toch pleit dat niet per se tegen de categorische imperatief. Wel tegen de toepassing ervan door Kant op het geval van de ondergedoken vriend. Inderdaad volgt uit de categorische imperatief alleen een onbeperkt verbod om te liegen als je aanneemt dat de te toetsen maximen heel algemeen gehouden moeten worden, zodat het alternatief in ons geval luidt: ofwel het maxime ‘nooit liegen’ volgen – of inderdaad niet.

Of het moreel geoorloofd of zelfs geboden is te liegen, kan dus afhangen van de betreffende omstandigheden. En die moeten in het te toetsen maxime weerspiegeld worden, wil men tot een adequate uitkomst komen. Zo is het maxime dat je in het voorbeeld van Constant zou moeten toetsen duidelijk niet ‘Ik wil liegen wanneer mij dat maar uitkomt’ of ‘Ik wil liegen wanneer ik en mijn vriend daar baat bij hebben’ – maximen die de toets van de categorische imperatief natuurlijk niet zouden doorstaan. Het relevante maxime luidt ongeveer: ‘Ik wil niet liegen, behalve als de leugen het enige middel is om groot onrecht te voorkomen en de gerechtvaardigde belangen van andere mensen niet schaadt.’ Dit maxime houdt indirect ook rekening met de gevolgen van het eigen doen en laten, in dit geval vooral het verhinderen van onrecht. Moreel doorslaggevend zijn niet de feitelijke of geïntendeerde gevolgen zelf, maar de veralgemeniseerbaarheid van het maxime. Inderdaad pleit niets ertegen dat dit maxime een algemene wet zou kunnen zijn. Anders dan wat men Kant vaak heeft verweten, volgt uit de categorische imperatief dus geenszins dat de gevolgen van het eigen handelen in het geheel geen morele betekenis hebben, en anders dan Kant zelf aannam, volgt daaruit ook geen onbeperkt leugenverbod.

Gulden regel

Maar hoe, vraag je je af, kon Kant zich in de toepassing van zijn eigen categorische imperatief zo vergissen? Die vraag ligt voor de hand, maar berust op een misverstand. Zij veronderstelt dat Kant de categorische imperatief hoogstpersoonlijk heeft ontdekt en daarom wat de correcte toepassing ervan betreft ook over een bijzonder autoriteit zou beschikken. Maar dat is niet het geval en komt ook niet overeen met Kants zelfbegrip. De categorische imperatief is namelijk, aldus Kant, geenszins zijn ontdekking, laat staan zijn uitvinding, maar alleen een preciezere formulering van het grondbeginsel – Kant spreekt van de ‘zedenwet’ – waarmee ieder mens krachtens zijn rede hoe dan ook vertrouwd is. ‘Maar wie zou nu een nieuw grondbeginsel van alle zedelijkheid willen invoeren, en die als het ware voor het eerst uitvinden? Net alsof vóór hem de wereld geen weet had van wat plicht is, of er een volstrekt foute voorstelling van had.’ Veruit de meeste mensen, aldus Kant, weten heel goed wat in een bepaalde situatie moreel juist is en wat niet. Daarbij oriënteren ze zich op een grondbeginsel, namelijk de zedenwet, zonder dat expliciet te kunnen formuleren. Het is precies die formulering die de categorische imperatief levert.

Dat de categorische imperatief geen uitvinding is van Kant, kun je onder meer duidelijk maken aan de hand van de zogenaamde gulden regel, die in verschillende formuleringen en verschillende culturen sinds duizenden jaren wijdverbreid is. Deze regel houdt in dat je andere mensen precies zo zou moeten behandelen als je door hen behandeld wilt worden: ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Dat is een vergelijkbare gedachte als die van de categorische imperatief. Aangezien wij volgens de gulden regel alle mensen zo moeten behandelen als wij zelf door alle andere mensen behandeld willen worden, volgt uit die wederkerigheid tevens dat ik wil dat mijn eigen handelwijze een algemene wet wordt.

Wees consequent en spreek jezelf niet tegen, zegt Kant

Maar Kant wijst zelf op de verschillen. De gulden regel is slechts een uit de algemene zedenwet afgeleide regel, die noch de plichten tegenover zichzelf noch alle plichten tegenover anderen omvat. Alleen de categorische imperatief bindt de eigen wil aan een redelijke en daarmee onpartijdige standaard. De gulden regel daarentegen laat naar de letter genomen op zijn minst toe andere mensen slecht of onrechtvaardig te behandelen, zolang men omgekeerd bereid is zo’n behandeling van anderen te verdragen. Kant toont dat aan met het volgende voorbeeld: vermoedelijk zouden veel rechters, als zijzelf een misdaad hadden begaan, vrijspraak wensen, zelfs als die niet rechtmatig zou zijn. Volgens de gulden regel zouden zij dus omgekeerd alle misdadigers moeten vrijspreken, wat natuurlijk noch moreel noch juridisch toelaatbaar zou zijn. De categorische imperatief daarentegen abstraheert van de toevallige en deels irrationele wensen van het individu en vraagt of men ‘kan willen’ – en dat betekent: redelijkerwijs kan willen – dat het eigen maxime een algemene wet wordt. Ook een rechter die voor zichzelf een ongerechtvaardigde vrijspraak wenst, kan redelijkerwijs niet willen dat alle rechters het recht breken door schuldige misdadigers vrij te spreken. De categorische imperatief brengt dus hetzelfde idee van wederkerigheid en onpartijdigheid tot uitdrukking als de gulden regel, maar in een algemenere en preciezere vorm. Daarin, en niet in de ontdekking van een nieuw moreel grondbeginsel, bestaat Kants bijzondere prestatie.

Daarmee hebben we echter nog geen antwoord op de vraag waarom Kant met de toepassing van de categorische imperatief op het voorbeeld van de vervolgde vriend zo volledig de plank misslaat. Daarvoor bestaan een reeks mogelijke verklaringen. Sommige zijn biografisch-psychologisch van aard en blijven daarom speculatief. Maar er zijn ook filosofische redenen voor Kants standpunt, ook al kunnen die ons uiteindelijk misschien niet overtuigen. Zo loopt men met een goedbedoelde leugen inderdaad het risico meer schade te berokkenen dan hulp te bieden, want goedbedoeld is zoals bekend vaak het tegendeel van goed. En het klopt ook dat je leugens altijd zou moeten vermijden als dat moreel verdedigbaar is. Zelfs in het geval van de vervolgde vriend pleit het immers in eerste instantie toch tégen de poging om hem te beschermen dat daarvoor een leugen is vereist. Het doorslaggevende punt is dat er nog belangrijkere redenen vóór die leugen pleiten, namelijk dat die de enige mogelijkheid is om een onschuldig mensenleven te redden. Met dat laatste punt lijkt Kant in zijn verlangen naar eenvoudige en duidelijke morele regels niet voldoende rekening te hebben gehouden.

Wanhoop

Ook als het Kant dus gelukt zou zijn om het grondbeginsel van het morele oordelen op een nieuwe en duidelijke wijze te verwoorden, is hij zelf bij de toepassing van dit beginsel even feilbaar als andere mensen. Het absolute verbod om te liegen is niet het enige geval waarin Kant uit de categorische imperatief consequenties afleidt die uit huidig oogpunt twijfelachtig of zelfs onacceptabel lijken. Zo argumenteert Kant met een beroep op deze imperatief onder andere dat zelfdoding uit levensmoeheid evenzeer is verboden als homoseksuele praktijken en ‘wellustige zelfontering’ (masturbatie).

Ook Kant was dus geen moreel orakel dat op elke morele vraag het juiste antwoord geeft, maar een feilbaar mens – zij het ook bijzonder schrander, scherpzinnig en weloverwogen. Maar natuurlijk maakte hij soms fouten. Een voorbeeld daarvan is het treurige verhaal van Maria von Herbert, die Kant in haar brief aanroept ‘zoals een gelovige zijn God’, dus hem ten onrechte als een moreel orakel beschouwt en gelooft dat Kant, die de categorische imperatief heeft ‘opgesteld’, ook de ultieme autoriteit is voor de toepassing ervan. Kant antwoordde, zij het na lang aarzelen, met een abstract-belerende brief waarin hij haar prijst om het besluit haar leugen ongeacht de gevolgen te hebben opgebiecht. Dat was moreel geboden geweest en er was daarom geen reden die stap te betreuren. Haar aanbidder zou haar daarom alleen maar meer liefhebben; en zo niet, dat toonde dat alleen maar aan dat zijn genegenheid van meet af aan ‘meer lichamelijk dan moreel’ van aard was geweest. Als ze die les ter harte zou nemen, zou ze de ‘verloren levensvreugde ongetwijfeld vanzelf hervinden’. Maar dat was niet geval. In de volgende brief uit 1793 beschrijft Von Herbert haar aanhoudende wanhoop en schrijft: ‘Ik smeek u (…) om de welwillendheid mij iets in handen te geven waarmee ik deze ondraaglijke leegte kan verjagen uit mijn ziel.’ Kant geeft de brieven van de ‘kleine dweepster’ als waarschuwing voor zulke ‘dwalingen’ door aan de dochter van zijn vriend Motherby. Maria von Herbert zelf antwoordt hij, voor zover we weten, niet meer, ook niet na een volgende brief in hetzelfde jaar. Tien jaar later berooft Von Herbert zich van het leven.

Kant was in 1791 een oude man die veel ongevraagde post kreeg en moest woekeren met zijn krachten. Hij was moreel niet verplicht met een briefschrijfster die hij persoonlijk niet kende uitgebreid te corresponderen. Waarschijnlijk had zijn raad Maria von Herbert net zomin geholpen als de categorische imperatief (‘helpt me niets’). Maar dat Kant haar existentiële wanhoop niet echt serieus nam (‘kleine dweepster’), zich een oordeel aanmatigde over haar vroegere aanbidder (‘meer lichamelijk dan moreel’) en haar zeer persoonlijke brieven doorgaf aan een derde, toont wel aan dat de categorische imperatief ook hem niet altijd heeft geholpen de juiste beslissingen te nemen.

Dit is een bewerkte voorpublicatie uit Kant. De revolutie van het denken van Marcus Willaschek, dat op 18 april 2024 verschijnt bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Op 1 mei is Willaschek te gast in debatcentrum De Balie (Amsterdam) tijdens de viering van 300 jaar Kant. Aanvang 20:00 uur. Tickets via debalie.nl.

Kant. De revolutie van het denken
Marcus Willaschek
vert. Mark Wildschut
Athenaeum-Polak & Van Gennep
432 blz.
€ 32,50