Home Het kwaad Het kwaad: banaal of demonisch?
Het kwaad

Het kwaad: banaal of demonisch?

Door Tom Bouwmeester op 04 december 2012

Cover van 12-2012
12-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Was nazi-beul Eichmann slechts een gehoorzame ambtenaar die bevelen opvolgde? Of was hij het radicale kwaad? Vijftig jaar na zijn executie laait het debat weer op.

‘De banaliteit van het kwaad’ van de Duits-Joodse filosoof Hannah Arendt – een van de meest geciteerde filosofische inzichten uit de twintigste eeuw – ligt onder vuur. Arendt gebruikte de term om SS-functionaris Adolf Eichmann te typeren. Volgens Arendt, die het proces in de jaren zestig in Jeruzalem als journalist bijwoonde, belichaamde Eichmann niet zozeer het radicale kwaad, maar eerder de fantasieloze bureaucraat die gedachteloos en zonder moreel besef uitvoert wat hem wordt opgedragen. De gedachte van het bureaucratische kwaad bleek een snaar te raken: ook los van Eichmann is ze vaak aangehaald. In januari gaat een door Margarethe von Trotta geregisseerde film over Hannah Arendt en de Eichmann-jaren in première.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Historische biografieën, zoals recent van Bettina Stangneth, laten echter niets heel van de opvatting dat de daden van Eichmann voortkwamen uit ‘banaliteit’. Eichmann was wel degelijk een ideologische nazi, zelfs nog na de oorlog. Hij voerde in Jeruzalem een toneelstukje op van de gehoorzame ambtenaar, en Arendt trapte daarin. Klopt dat? En wat is de actualiteit van de banaliteit van het kwaad? Klaas Rozemond, hoofddocent strafrecht aan de Vrije Universiteit, uitte onlangs kritiek op Arendts theorie; Nanda Oudejans, als rechtsfilosoof verbonden aan dezelfde universiteit, blijft Arendts visie onderschrijven. Een dubbelinterview.

‘Er zijn fundamentele problemen met de theorie van Arendt’, vertelt Rozemond. ‘Zo schrijft ze dat Eichmann niet besefte wat hij deed omdat hij thoughtless of gedachteloos was. Historici hebben daar gegronde twijfels bij. Bovendien, als je Eichmann in Jeruzalem leest, zie je dat Arendt zelf dubbelzinnig is. Hoewel hij volgens haar niet in staat was om in morele termen over zijn misdaad na te denken, wat de banaliteitsthese ondersteunt, valt het haar tegelijkertijd op dat hij wel degelijk nadacht over de morele consequenties van zijn daden.

Ze beschrijft bijvoorbeeld het moment in het proces waarop hij de Duitse verlichtingsdenker Immanuel Kant citeert en vertelt dat hij altijd heeft geprobeerd te leven volgens diens categorische imperatief. De categorische imperatief geldt als een toetssteen van ethisch handelen. Die stelt onder meer dat je een ander – ieder ander – altijd ook als doel of waarde in zichzelf moet zien, en hem niet moet reduceren tot slechts een middel. Hoe valt dat te rijmen met de Holocaust, waarin Joden werden vernietigd vanwege een rassenideaal? Op het moment dat Eichmann bij de Jodenvervolging betrokken werd, zag hij in dat hij niet meer volgens het morele principe van Kant kon leven. Dit duidt dus wel degelijk op een moreel oordeelsvermogen.’

Volgens Oudejans hield Eichmann er een eigen interpretatie van de imperatief op na. ‘De categorische imperatief voor huishoudelijk gebruik, zoals Eichmann het zelf noemde, werd door hem zo begrepen dat de burger de wet moet gehoorzamen. Daaruit blijkt duidelijk dat Eichmann moreel handelen verwart met gehoorzaamheid. Natuurlijk was het Kant niet te doen om blinde gehoorzaamheid, maar om autonomie, om weten hoe te handelen en wat te doen in situaties waarvoor geen leidraad gegeven is. Dat is precies het probleem dat Arendt blootlegt. Als er een situatie ontstaat waarin het morele bewustzijn ineenzakt, zoals bij de Jodenvervolging, dan mogen we van een autonoom individu nog vragen om goed van fout te onderscheiden. Om de ander als een doel in zichzelf te blijven zien. Dat is iets anders dan gehoorzamen aan een bevel van de Führer. Het vraagt erom dat je kijkt naar de werkelijkheid en die beoordeelt zonder algemene maatstaven. Dat vereist een spontaniteit van het oordeelsvermogen. Daar ontbrak het Eichmann aan.’

Onschadelijk

Rozemond vindt dat Arendt Eichmann onschadelijk maakt door de nadruk te leggen op zijn clichés en oppervlakkigheid. ‘Het is alsof Arendt het nazisme van Eichmann op een gegeven moment niet meer serieus kon nemen. Als ze beschrijft hoe hij naar de galg ging, vertelt ze dat hij sprak in clichés die bij een begrafenis horen, zonder dat hij besefte dat het om zijn eigen begrafenis ging. Daarmee maakt ze hem in zekere zin ongevaarlijk, want ze zag het radicale karakter van zijn politieke opvattingen niet meer. Dat is een ernstige fout, want de misdaden van Eichmann vloeiden rechtstreeks voort uit de extremistische ideeën van het nationaal-socialisme, waar hij vol overtuiging in geloofde. Arendt heeft van een extreme SS’er een gehoorzame ambtenaar gemaakt.’
 

‘Het is een interessante stelling of Arendt Eichmann al dan niet onschadelijk heeft gemaakt met haar benadering’, reageert Oudejans. ‘Of de these van de banaliteit van het kwaad de misdadiger die vanachter zijn bureau miljoenen mensen vermoordt onschadelijk maakt lijkt mij precies een discussie te zijn die Arendt voor ogen stond. Alleen is die discussie er nooit van gekomen vanwege de hoogoplopende emoties rond het proces en de hetze die naderhand tegen Arendt gevoerd werd.’

Ze is het echter niet eens met Rozemond. ‘Tijdens het proces in Jeruzalem constateerde Arendt, overigens net zoals Harry Mulisch, dat Eichmann helemaal niet een overtuigde nazi was. Het verontrustende aan Eichmann is volgens haar dat hij zonder motieven handelde. Door te benadrukken dat hij niet anders kon dan in clichés spreken wijst Arendt op zijn ontstellende gebrek aan denkkracht. Wie spreekt in clichés vervlakt de taal, en wie zich beweegt in een oppervlakkige taal weet ook niet meer te denken. Die twee dingen hangen samen. Met clichés scherm je jezelf af van de werkelijkheid, zonder aandacht te hebben voor wat er gebeurt. Neem bijvoorbeeld het moment in het proces waarop de aanwezigheid van Eichmann bij massa-executies wordt besproken. Dan zegt Eichmann dat hij de persoon er niet voor was, dat hij altijd degene was over wie men zei dat hij maar geen dokter zou moeten worden. Alsof het hier ging om hemzelf, alsof het zo erg voor hem was dat hij die executies moest aanschouwen. Een bizar gebrek aan werkelijkheidsbesef.’

Werkelijkheidszin

Maakte dit wellicht deel uit van een plan – had Eichmann überhaupt een strategie tijdens het proces? ‘Eichmann heeft in Jeruzalem een bureaucratische façade opgeworpen’, stelt Rozemond. ‘Hij heeft geprobeerd te verdwijnen in de nazihiërarchie. Dat was een doelbewuste strategie en dat is Arendt volledig ontgaan. Dat geldt ook voor haar volgelingen, die nog steeds geloven dat Eichmann slechts uit gehoorzaamheid heeft gehandeld. In werkelijkheid was Eichmann een fanatiek SS’er die tot het uiterste is gegaan om de Joden te vernietigen. Hij vond op een gegeven moment zelfs dat Himmler en ook Hitler zelf te gematigd waren. Lees de biografieën van David Cesarani en Bettina Stangneth.’

Oudejans spreekt dit tegen. ‘Niet Eichmann heeft bewust een bureaucratische façade opgeworpen, het nationaal-socialisme heeft bewust die façade gecreëerd. Het punt dat Arendt maakt is niet dat Eichmann slechts een radertje was in een gigantische bureaucratische machine. Het is eerder omgekeerd: Eichmann, de bureaumoordenaar, laat zien waarom bureaucratie, waarin ogenschijnlijk niemand meer verantwoordelijk is, zo gevaarlijk is. Bovendien was Eichmann er niet op uit zichzelf vrij te pleiten. Hij sprak niet alleen voortdurend in clichés, maar maakte zichzelf steeds ook belangrijker dan hij was.’

Zowel het clichématige als het opschepperige heeft volgens Oudejans verhinderd dat Eichmann kon doen wat Arendt verwachtte van iemand die in zijn positie een onderscheid kon maken tussen goed en fout. ‘Daarvoor hoef je niet eens actief verzet te plegen, maar is simpelweg “nee” zeggen voldoende. Dat is het ethische probleem waarmee Eichmann ons confronteert: als iedereen meegaat in een waan waarin het onmenselijke niet langer als onmenselijk wordt gezien, wat hebben we dan nodig om nee te zeggen?’

Uiteindelijk, stelt Rozemond, is het probleem met Arendts benadering dat er niet meer wordt ingegaan op de ideologische motieven en racistische gedachten van Eichmann. ‘Dat zie je ook bij haar volgelingen. Ze benadrukken haar conclusies, maar er wordt nooit een analyse gemaakt van wat Eichmann precies dacht toen hij bijvoorbeeld, in 1944, doelbewust naar Hongarije ging om 800.000 Joden naar Auschwitz te laten deporteren. Het was voor de meeste nazi’s toen al duidelijk dat de oorlog verloren was. Wat hij op dat moment denkt en doet is echt monsterachtig, bijna duivels. Eichmann wilde ten koste van alles de Joden vernietigen, ook al wist hij op dat moment dat hij na de oorlog als oorlogsmisdadiger zou worden berecht. Je kunt natuurlijk niet zeggen dat hij door de duivel bezeten was, maar het komt dicht in de buurt. Het is heel belangrijk dat we het monsterlijke karakter van Eichmanns misdaden en motieven onder ogen blijven zien.’
 

Actualiteit

Als de discussie over Eichmann weer eens oplaait  wordt daarmee vanzelf de actualiteit van Arendts banaliteitsthese bevraagd. Maar wat is daar nu precies de actuele waarde van? Valt de theorie überhaupt los te koppelen van Eichmann?

‘Misschien is het inderdaad wel het vervelende van de theorie dat die aan Eichmann hangt’, zegt Oudejans. ‘Van elke vergelijking die je maakt, of elke nieuwe toepassing die je ervoor vindt, kun je dan zeggen dat het een vergelijking is met de Holocaust. Dat is dus lastig. De les die Arendt in Jeruzalem leerde is echter niet alleen relevant in de context van geweld, maar confronteert ons ook met de vraag naar het oordelen, het probleem van het menselijk vermogen om goed van kwaad te onderscheiden.’

Rozemond sluit zich hierbij deels aan. ‘Arendt verbaasde zich er al over – en dat is een verbazing die nog steeds geldt – hoe het mogelijk is dat mensen die over een gezond verstand beschikken desondanks aan gruweldaden kunnen deelnemen. Je moet op de een of andere manier de gedachten van de dader zien te reconstrueren. Hoe kan iemand die het kwaad ziet gebeuren dat laten gebeuren, ervan uitgaande dat hij in staat is om na te denken? Dit vraagstuk vind ik veel interessanter dan te beweren dat iemand niet nadacht of geen motief had. Het vreemde is dat de banaliteit van het kwaad zelf een cliché is geworden, dat door historisch onderzoek is achterhaald als het om Eichmann gaat. Dat je denken tot een cliché verwordt en je niet meer kritisch naar de historische feiten kunt kijken, is volgens Arendt juist het ergste wat mogelijk is. Je moet er dus ook zeer kritisch tegenover staan als iemand, dader of analyticus, zich op de banaliteit van het kwaad beroept.’

De oproep die van Arendts boek uitgaat is volgens beiden nagenoeg hetzelfde: blijf kritisch nadenken! ‘Ons oordeelsvermogen wordt urgenter naarmate we niet langer kunnen vertrouwen op morele categorieën als richtsnoer voor ons handelen’, verduidelijkt Oudejans. ‘Wanneer dit zich voordoet bevinden we ons volgens Arendt in een crisis, zoals we ons nu bijvoorbeeld in een migratiecrisis bevinden. Voor de doden die aan de buitengrenzen van Europa verdrinken op zee, blijkt niemand direct verantwoordelijk te zijn. Staten doden niet opzettelijk migranten om ze buiten de deur te houden; ook zou het van slechte smaak getuigen om te zeggen dat migranten er zelf voor kiezen de oversteek te wagen en zelf verantwoordelijk zijn als ze het niet overleven. Binnen de juridische en morele categorieën die we hebben kunnen we dus niemand verantwoordelijk houden. Maar als niemand verantwoordelijk is, hoe kunnen we dan nog zeggen dat het goed of slecht is wat er gebeurt? Domme pech waar niemand iets aan kan doen is als argument nogal halfslachtig. Dit zou volgens Arendt precies getuigen van de gedachteloosheid die de keerzijde is van het gebrek aan moed om te oordelen. Want ook al is niemand schuldig, dat ontslaat ons niet van de plicht onszelf af te vragen hoe wij verwikkeld zijn in datgene wat zich aan onze grenzen voltrekt en eenvoudigweg “Dit kan niet” te zeggen.’
 

Klaas Rozemond

Klaas Rozemond studeerde rechten en wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Tegenwoordig is hij werkzaam als universitair hoofddocent strafrecht aan de Vrije Universiteit en als plaatsvervangend rechter bij de Amsterdamse rechtbank. Hij publiceerde onder meer Filosofie voor de zwijnen.
 

Nanda Oudejans

Nanda Oudejans studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg. Ze promoveerde op vluchtelingenproblematiek en houdt zich tegenwoordig als rechtsfilosoof voornamelijk met dat onderwerp bezig. Ze is verbonden aan de Vrije Universiteit.