Home Historisch profiel: democratie

Historisch profiel: democratie

Door Ivana Ivkovic op 28 januari 2013

Cover van 02-2013
02-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Democratie is niets anders dan een vorm om ruimte te geven aan  het conflict, zo betogen politiek denkers al eeuwenlang. Juist die strijd maakt een samenleving vitaal.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Ik en angst zijn als tweeling geboren’, schrijft Thomas Hobbes. In het Engeland van de zestiende eeuw, verscheurd door burgeroorlog, breekt Hobbes met het idee dat de mens van nature een sociaal wezen is, zoals hij dat nog was volgens Aristoteles (384-322 v.Chr). Nee, de mens is van nature juist uiterst vijandig naar anderen. Zonder duidelijk gezag dreigt een oorlog van allen tegen allen, aldus Hobbes.

Om een einde te maken aan onderlinge conflicten sluiten mensen een sociaal contract, waarmee ze een centraal gezag instellen. Conflicten worden daarmee niet uitgebannen, maar eerder gereguleerd – het gezag moet de knoop doorhakken wanneer mensen het niet met elkaar eens kunnen worden. Het moderne aan het idee van Hobbes is dat hij niet verwacht dat mensen het vermogen hebben om zelf de onderlinge conflicten op te lossen. De samenleving beschouwt hij als wezenlijk conflictueus, en dat is meer dan een noodzakelijk kwaad: onderlinge botsingen kunnen zelfs als een belangrijke vitale kracht worden gezien.

En zo zien wij dat nu nog steeds. Een gezonde publieke sfeer bestaat uit vele stemmen die het van harte met elkaar oneens kunnen zijn. Maar waar ligt de grens – wanneer worden conflicten juist bedreigend voor de gemeenschap? En is die onenigheid slechts een tussenstap op weg naar de volgende consensus, of maakt die de kern uit van het politieke leven?
 
In de geschiedenis hebben politiek denkers uiteenlopende oplossingen voorgesteld om conflicten in goede banen te leiden. De gemene deler is in het algemeen dat politieke conflicten niet moeten worden gemoraliseerd. Want als de strijd tussen verschillende politieke standpunten wordt voorgesteld als de strijd tussen goed en kwaad, ontaardt het conflict al snel en is het moeilijk om nog een acceptabele uitweg te vinden.

De filosoof Claude Lefort meent zelfs dat democratie niets anders is dan de institutionalisering van het conflict. De in 2008 overleden Fransman geldt als een van de belangrijkste hedendaagse politiek denkers. Hij werd vooral bekend met zijn uitspraak dat in de democratie ‘de plaats van de macht leeg is’, wat zoveel betekent als dat in een democratie niemand zonder meer aanspraak kan maken op de vertegenwoordiging van het algemeen belang, laat staan dat iemand het kan belichamen, zoals de koning ooit deed.

Het moderne politiek leven kenmerkt zich juist door een veelheid van perspectieven op het algemeen belang. Onenigheid is dus geen bijkomstigheid, maar zit in het hart van de samenleving. In politiek zijn er geen definitieve antwoorden te vinden; ze is een spel van aanspraak en tegenspraak. In dat spel heeft niemand de waarheid in pacht, en dat is geen verlies, maar winst.
 

Machiavelli

Sommige politieke conflicten zijn zeer vruchtbaar, blijkt ook uit de geschiedenis. Zo schrijft Machiavelli – de realpolitiker onder politiek denkers – dat het oude Rome zijn grootsheid te danken heeft aan de conflicten tussen de senaat en het volk. Deze conflicten hebben de Republiek volgens Machiavelli niet verzwakt, zoals meestal wordt gedacht, maar haar juist vrij en machtig gemaakt. De onderlinge wrijving leidde tot goede wetten, omdat het volk en de elite – die zitting nam in de senaat – beide hun eigen perspectief hebben op hoe de staat ingericht en bestuurd moet worden. De elite wil slagvaardigheid, en dus tegenspraak reduceren; het volk wenst echter vooral niet overheerst te worden. Een solide balans ontstaat volgens Machiavelli juist wanneer deze perspectieven tegen elkaar botsen en schuren.

Maar Machiavelli waarschuwt ook dat zulke tegenstellingen tevens een ‘slechte’ variant kennen. Conflict kan vernietigend zijn voor een samenleving als twee groepen tegenover elkaar komen te staan en een vete met elkaar uitvechten. Machiavelli zag zijn geliefde Florence verzwakt door dit soort vetes. Deelbelangen voeren dan de boventoon; het algemeen belang is het eerste slachtoffer van zo’n conflict. Rousseau, die goed bekend was met Machiavelli’s werk, waarschuwt ook in zijn Maatschappelijk verdrag voor dergelijke belangengroeperingen, de zogenoemde ‘facties’.
 
Helemaal in dezelfde geest denkt ook James Madison, een van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Hij beschouwt de macht van belangengroeperingen die hun eigen politieke agenda proberen door te drukken als zeer bedreigend voor de democratie. Alle discussie rondom de macht van de Super PACs (lobbygroepen die zich bezighouden met verkiezingen en wetgeving) in de recente Amerikaanse verkiezingen laten zien dat de zorgen van Madison nog steeds heel actueel zijn. In wezen gaat het hier ook om een ‘privatisering’ van een oorspronkelijk politieke tegenstelling. Deze lobbygroepen ontlenen hun macht aan hun kapitaal – en wie de geldschieters zijn blijft vaak onduidelijk. Bovendien beschikken ze over astronomische sommen geld om het politiek proces te beïnvloeden; afgelopen verkiezingen ging het om tientallen miljoenen dollars.

Valt er iets tegen de facties te doen? Aan de oorzaken niets, constateert Madison in de beroemde Federalist Papers – een verzameling schriften waarin hij samen met anderen fundamentele kwesties bespreekt die verbonden zijn aan de stichting van de Verenigde Staten. Volgens Madison is het raadzaam om de effecten van de facties minder schadelijk te maken, en wel door de conflicten te vermeerderen, door ze te fragmenteren. Dat gebeurt door de federatie zo in te richten dat er veel vertegenwoordigende lagen zijn, veel staten en veel vertegenwoordigers. Daardoor wordt de vorming van machtsblokken bemoeilijkt. En zo wordt, verassend genoeg, juist door de vermeerdering van de mogelijkheden van conflict de onenigheid in de maatschappij ten goede gekeerd.

 
Vriend en vijand

Een meer radicale visie op de rol en het belang van het conflict in het politieke leven komt van de Duitse rechtsgeleerde Carl Schmitt. Zoals de moraal alleen maar bestaat dankzij het onderscheid tussen goed en kwaad, zo kent het politieke domein het onderscheid tussen vriend en vijand, stelt Schmitt. Politiek draait volgens Schmitt om niets anders dan grenzen trekken tussen de twee, deze spanning vormgeven en kanaliseren – om stilering en representatie van vijandschap.

Klinkt dat verontrustend? Schmitt waarschuwt juist voor de neiging om deze unheimische politieke dimensie te ontkennen – en politieke conflicten in morele termen te begrijpen. Wie in politieke conflicten het morele gelijk aan zijn zijde wil hebben, maakt volgens hem van zijn vijand een onmens. Dat geldt nog steeds. In de hoogtijdagen van de oorlog tegen het terrorisme werden terroristen afgeschilderd als het absolute kwaad. En dan is ook werkelijk alles geoorloofd om ze te bestrijden. We moeten dan ook niet vreemd opkijken als het in die oorlog niet zo nauw wordt genomen met het internationaal recht, of wanneer martelmethoden als waterboarding, ondanks alle verdragen, toch als een aanvaardbare verhoormethode worden gezien.

De scheiding van politiek en moraal werd niet zo lang geleden ook bepleit door Hans Achterhuis, in zijn essay Politiek van goede bedoelingen, geschreven naar aanleiding van de NAVO-interventie in Kosovo in 1999. Zijn boodschap: goede bedoelingen kunnen in de politiek weleens meer slachtoffers maken dan voorkomen.
 

Agonisme

Carl Schmitt was lange tijd omstreden vanwege zijn sympathieën met het naziregime. Maar de afgelopen jaren zijn er juist linkse politiek denkers die Schmitt herontdekken. In zijn voetspoor pleiten zij voor de zogenoemde ‘agonistische’ politiek. Daarin is Schmitts idee van vijandschap – ‘antagonisme’ – vervangen door het mildere ‘agonisme’. Agon betekent in Oudgrieks ‘tegenstander’ bij competities. Het is geen vijand die je naar het leven staat, maar je hoeft er ook geen dikke vrienden mee te worden – een ‘sportieve’ opvatting van politieke geschillen, zeg maar.

Een prominente denker uit deze school is de Belgische filosofe Chantal Mouffe. In het spoor van Schmitt bekritiseert zij het idee – dominant in de liberale democratie – dat politieke vraagstukken met een redelijke consensus kunnen worden opgelost. Hierdoor worden politieke standpunten te vaak als een kwestie van gezond verstand opgevat – als je er even goed over nadenkt, volgt de juiste oplossing vanzelf – en daarmee wordt elke mogelijke kritiek erop bij voorbaat ondergraven.

Neem het boerkaverbod. Wie zegt dat het gewoon gezond verstand is om het dragen van een boerka te verbieden, zal iemand die tegen het boerkaverbod is nooit als een volwaardige tegenstander zien, maar slechts als onredelijk. Dan maakt het niet eens uit wat de mogelijke argumenten van de tegenstander zijn; die wordt gediskwalificeerd in plaats van serieus genomen. En het echte conflict gaan we zo uit de weg.
Mouffe wijst er ook op dat de conflicten die niet in de politieke arena worden uitgevochten niet simpelweg verdwijnen, maar onderhuids gaan broeien. Juist een maatschappij die denkt dat zij de ultieme redelijke oplossing voor het samenleven heeft gevonden – denk aan West-Europa in de jaren negentig, na de val van de Muur – blijkt gevoelig voor allerlei oprispingen van onvrede en populisme.

Het is een gevaarlijke misvatting, aldus Mouffe, om te denken dat er in de politiek volledig redelijke oplossingen bestaan waar iedereen zich achter kan scharen. Het streven daarnaar is, net als het moraliseren van politieke conflicten, misleidend en soms zelfs gevaarlijk. Misschien moeten we ons er wat serieuzer en vasthoudender op toeleggen om, om met de Britten te spreken, ‘agree to disagree’.