Home Hetzelfde maar dan anders

Hetzelfde maar dan anders

De Nederlandse filosoof Cornelis Verhoeven (1928-2001) was een polemist en diepzinnige beschouwer. Net als Plato liet hij zien dat de dingen meer zijn dan ze op het eerste oog lijken. Mensen moeten met hun hele ziel leren kijken.

Door Jan-Hendrik Bakker op 04 juni 2021

Cornelis Verhoeven illustratie Hajo de Reijger beeld Hajo de Reijger
Cover van 06-2021
06-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Het is vaak gezegd: de Nederlandse filosofie is vooral een filosofologie. Aan de universiteiten specialiseren filosofen zich in het werk van andere filosofen, maar hebben daar zelf weinig oorspronkelijks aan toe te voegen. Misschien is dat zo. Het gaat in elk geval niet op voor Cornelis Verhoeven. Op 11 juni is het twintig jaar geleden dat hij stierf. De filosofische essays van deze leraar klassieke talen en latere hoogleraar antieke wijsbegeerte maken hem tot een van de belangrijkste Nederlandse filosofen van de vorige eeuw, zo niet de grootste. Het werk van Verhoeven is origineel en eigenzinnig. Zijn pleidooi voor beschouwelijkheid en intellectueel pathos, voor nabijheid en passiviteit, is even actueel als klassiek. Tegelijk kon hij ook polemisch sterk uit de hoek komen. Hij noemde Harry Mulisch in zijn boekje over parafilosofen ooit ‘een ego-soufflé’.

Seminarie

Verhoeven kwam uit een Brabants boerengezin, waar de katholieke kerk zeker in de vooroorlogse tijd zo’n beetje in alle kieren van het bestaan was doorgedrongen. De begaafde Kees kwam tot vreugde van zijn vader, die hem graag priester zag worden, op het seminarie terecht, maar het werd niet echt een succes. Intellectueel wel, maar de priesters vroegen zich toch af of hij zich ‘geroepen’ voelde. Die twijfel klopte wel, maar de jonge Verhoeven verbaasde zich erover dat hem daarover niet eerder iets gevraagd was. Hij pakte zijn spullen en liep weg. Even korzelig reageerde hij op het christelijke dogma van de verlossing. Het kwam hem nogal wonderlijk voor dat iemand ‘achter mijn rug om’ 2000 jaar eerder de marteldood is gestorven voor zonden ‘die ik nog niet kon hebben begaan’.

Verhoeven heeft in de jaren zeventig en tachtig te maken gehad met enig dedain uit literaire kringen. Zo noemde Hugo Brandt Corstius hem ‘een gluiperige paap’. Sommige critici probeerden hem neer te zetten als een provinciaal schrijvertje, dat in 1979 toevallig de P.C. Hooftprijs won. De misplaatste kenschets zal te maken hebben gehad met de aandachtspunten in zijn denken. Verhoeven heeft zich altijd beziggehouden met wat door Kant de oordeelskracht wordt genoemd, de rede die probeert kunst en religie te doorgronden. En dat terrein was in de tijd van links activisme niet in de mode. Het is niettemin een klassiek metafysisch terrein, dat Verhoeven deelde met Heidegger, Spinoza, Leibniz, Plato, Wittgenstein en anderen. Voor hen is denken een rationele hartstocht die probeert het wonder van de werkelijkheid te doordenken, in plaats van haar te veranderen.

Denken is de rationele hartstocht die het wonder wil doordenken

Uniek

Wat uniek is kun je niet verklaren, legt Verhoeven met grote precisie uit in De duivelsvraag (1983), want een causale verklaring herleidt een gebeurtenis tot een mogelijkheid voortkomend uit voorafgaande oorzaken. Ze zegt niets over de feitelijkheid zelf, die er al is voordat we daarover vragen kunnen stellen. Ze zegt niets over de schoonheid van een bloem of de ontzetting die een wandaad teweegbrengt. Het ‘dat’ van de werkelijkheid is iets heel anders dan het ‘waarom’. Precies zo is het met de religie. Het gaat niet om het bewijs of God al dan niet bestaat. Verhoeven vindt dat een veel te ‘parmantige’ houding. Het gaat om de godservaring. Die heb je of niet. Ze overkomt je, net zo goed als het verlies van het geloof je overkomt. Het zijn geen zaken waartoe je besluit. Zelf heeft hij gezegd dat hij het geloof langzaam uit hem heeft zien verdwijnen.

Deze manier van denken heeft veel weg van de fenomenologie, de filosofische stroming die vooral beschrijft en niet verklaart. Maar er is beslist ook verwantschap met Augustinus of met Leibniz, die al had laten zien dat er een eind komt aan alle waarom-vragen – waarom is er veeleer iets dan niets? Hier houdt het causale denken op. De werkelijkheid is voor Verhoeven juist onuitputtelijk en altijd rijker dan we dachten. De werkelijkheid kan ons bij tijd en wijle letterlijk het zwijgen opleggen, uit onmacht en sprakeloosheid. ‘En er zijn redenen genoeg om sprakeloos te zijn.’

De verwantschap met Heidegger is hier groot. Hoewel Verhoeven een bewonderaar was van diens werk, was hij toch bepaald geen copycat. Vergeleken met Heidegger kent Verhoeven de techniek bijvoorbeeld een veel positievere rol toe, zoals in Tegen het geweld (1967) te lezen valt. Verhoeven is daarnaast als denkend schrijver geheel zijn eigen weg gegaan. Hij schreef bijvoorbeeld ook over de taal van zijn eigen kinderen en de dood van zijn vader. De persoonlijke onderwerpen wist hij heel vanzelfsprekend te verbinden met zijn filosofische speurtocht.

Rituelen

In de essaybundel Rondom de leegte (1965), Verhoevens bekendste en internationaal meest gewaardeerde boek, gaat het erom de raadselachtigheid en het onbenoembare van God toch op een of andere manier te denken. Dezelfde thematiek zien we terugkeren in later werk als het om het wonder van de werkelijkheid gaat. Filosofie is uiteindelijk verwondering, meent Verhoeven, al hield hij niet echt van dat woord. Het klonk hem een beetje te kitscherig in de oren; het gaat immers niet alleen om nieuwsgierigheid, maar ook om verbijstering, om vreugde of angst. Uiteindelijk zal het denken de werkelijkheid nooit kunnen overmeesteren. Maar filosofen blijven eropaf komen als ‘vliegen rond de lamp’, zegt hij in een gesprek met Ger Groot.

Opzienbarend was de manier waarop Verhoeven Plato las. Kenners van Verhoeven vinden dat deze kijk op Plato, die op een heel nauwkeurige tekst­analyse berust, veel meer internationale aandacht verdient. Voor Verhoeven is Plato geen platonist – ‘net zoals Jezus geen jezuïet was.’ Dus dwars tegen eeuwen christelijke traditie in leest Verhoeven Plato als een filosoof die hartstochtelijk van de werkelijkheid hield. Plato is voor hem een geniale schrijver en denker, die wil laten zien dat de dingen meer zijn dan ze op het eerste oog lijken. Mensen moeten niet alleen met hun ogen kijken, maar met hun hele ziel.

Dat is waar het om draait in de beroemde gelijkenis over de grot, waar mensen gevangenzitten en denken dat de schaduwen die ze zien de volle werkelijkheid zijn. Ze moeten leren aan het licht buiten te wennen. ‘Het gaat om een wereld op het eerste oog, en een wereld op het tweede oog, dus zeker niet om twee werelden.’ Er is verlichting nodig om te kunnen zien met de ziel. Maar dat kan iedereen leren. En de verlichte ziel keert terug naar de grot om daarbij te helpen, legt Verhoeven uit in Mensen in een grot (1983). Want daar is de werkelijke wereld, maar dan anders dan ervoor.

De werkelijkheid is onuitputtelijk en altijd rijker dan we denken

Geweld

Twintig jaar na de dood van Cornelis Verhoeven is zijn stem nog steeds meer dan de moeite waard om naar te luisteren. Juist omdat hij niet een soort abstracte metafysische hersengymnastiek beoefende, maar vooral omdat hij die metafysica toepaste op onderwerpen uit zijn eigen leven en de maatschappelijke actualiteit. Tegen het geweld heeft als directe aanleiding de opkomst van een linkse strijd­cultuur met de stadsguerrilla als lichtend ideaal en een soort pacifisme dat zich bediende van gewelddadige demonstraties. Verhoeven mengt zijn essays daarover dan met de beschouwelijkheid en de passiviteit (‘passivisme’) die hij zo belangrijk vindt. De manier waarop hij geweld als een vorm van niet-denken ziet, maar ook als een weerstand die het denken juist nodig heeft, is indrukwekkend.

Hij heeft filosofie omschreven als het uitstellen van vragen, in plaats van het stellen van vragen. Je zou ook kunnen zeggen: filosofisch denken is tijd geven aan de werkelijkheid en omwegen nemen om haar nabij te komen. ‘Filosofie is hetzelfde anders zien.’ We zouden Verhoeven nog weleens hebben willen lezen over de actualiteit van de huidige jaren, de pandemie die ons moderne leven opeens in gevaar heeft gebracht en vooral de zich nu al voltrekkende klimaatcatastrofe, die dat nog veel ingrijpender zal doen. Wat zou Verhoevens beschouwelijkheid hier betekenen? De urgentie van het virus en de opwarming van de aarde vragen nu juist niet om het uitstellen van vragen, maar om ingrijpen – puur activisme dus.

Verhoeven zou de eerste zijn die het nut van een wetenschappelijke, causale aanpak erkent. Willen we de aarde leefbaar en bewoonbaar houden, dan is het nodig dat mensen de natuur voor een deel naar hun hand zetten. Toch is de bijdrage aan het voortbestaan van de wereld van het beschouwelijke, filosofische denken waar Verhoeven zo voor pleit net zo onont­beerlijk. Beschouwelijkheid is ‘niet een opstijging ten hemel, maar een terugkeer naar de aarde’. Het streven alleen naar beheersing en verandering is onvoldoende. Nodig is ook liefde voor de werkelijkheid waar wij deel van uitmaken. Evenals het besef dat die werkelijkheid ons altijd weer versteld kan doen staan. Uiteindelijk zullen we haar nooit dwingend onze wil kunnen opleggen. We zullen haar moeten vieren als een geschenk. Dat is het inzicht dat Verhoeven aan het eind van zijn leven heel persoonlijk formuleerde toen hij bij zijn afscheid schreef zich zowel schuldig als dankbaar te voelen dat hij in zijn bestaan altijd meer ontvangen had dan hij had kunnen geven.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.