Home Filosofie en literatuur De namen van Arendt, Marx en Benjamin maskeren de leegte van ‘Eindtijdfascisme’
Filosofie en literatuur

De namen van Arendt, Marx en Benjamin maskeren de leegte van ‘Eindtijdfascisme’

Door Hans Achterhuis op 30 oktober 2026

De namen van Arendt, Marx en Benjamin maskeren de leegte van ‘Eindtijdfascisme’

Filosofen worden vaak aangehaald om een verhaal te verfraaien, ziet Hans Achterhuis. Zo ook in het boek van Naomi Klein en Astra Taylor.

Dit artikel krijg je van ons cadeau

Wil je onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? Je bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en je hebt direct toegang.

Het was een vreemd fenomeen. In Straatsburg, waar ik in 1965 studeerde, liepen veel studenten opzichtig rond met een dik boek in hun handen: Les mots et les choses (De woorden en de dingen),van Michel Foucault. Ze etaleerden dit boek op de bankjes voor de universiteit in de zon, maar lazen het niet. Dat ze dit ook in hun kamers niet deden, was duidelijk: je moest in die tijd van een boek vaak nog de bladzijden opensnijden, maar hele stukken van het boek zaten bij deze studenten nog dicht. Toen ik Franse vrienden vroeg wat hier aan de hand was, legden ze mij uit dat de studenten zo lieten zien dat ze ‘structuralist’ waren. Ze zetten zich daarmee af tegen het existentialisme. Na de Tweede Wereldoorlog hadden in Parijs veel studenten op precies dezelfde manier met L’etre et le néant (Het zijn en het niet) van Jean-Paul Sartre rondgelopen om hun existentialistische geloofsbelijdenis te tonen.

Ik bedacht later, toen ik dit fenomeen vaker zag, een term voor dit vreemde beroep op de wijsbegeerte: een ‘schaamlap’ om de eigen naaktheid te verhullen. Ik maakte het bijvoorbeeld mee in het veelvuldig beroep in allerlei soorten teksten op Hannah Arendt. Te pas en te onpas werd haar naam genoemd om het eigen verhaal aan te kleden en te verfraaien. Bijna altijd ging dit gepaard met citaten die bij zorgvuldig onderzoek vaak niet bleken te kloppen. Dat hinderde de auteurs kennelijk niet: alleen al het noemen van haar naam liet zien dat men een eigentijdse, wijsgerig getoonzette visie aanhing.  

Hans Achterhuis (1942) is emeritus hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Twente en voormalig Denker des Vaderlands. Hij is gespecialiseerd in het denken van Hannah Arendt. Over haar schreef hij onder andere Ik wil begrijpen. De onbekende Hannah Arendt (2022).

Nieuwe fascisten

Tot mijn teleurstelling lijkt ook in Eindtijdfascisme, het nieuwe boek van Naomi Klein, dit keer in samenwerking met Astra Taylor, de filosofie deze rol toebedeeld te krijgen. Misschien waren mijn verwachtingen – deels gebaseerd op De shockdoctrine en No logo van Klein, die ik eerder enthousiast las – te hooggespannen. Uitvoerig wordt de groep van onderzoekers en factcheckers die het schrijven begeleid heeft, in het nawoord bedankt. En zelden zal een studie van  vijfhonderd pagina’s wereldwijd zo jubelend ontvangen zijn. Daar deden wij in Nederland ruim aan mee. De soepel lopende vertaling van Alexander van Kesteren kreeg in een grote recensie van NRC vier ballen, zeer goed dus. De Groene Amsterdammer gaf de auteurs extra ruimte voor een essay over hun boek.

Eindtijdfascisme kwam voort uit een gelijknamig journalistiek essay uit 2025 dat veel aandacht kreeg. Dat essay vroeg wel om een theoretische verdieping van de boude stellingname van de auteurs over de terugkomst van het fascisme. Die is er nu in korte tijd gekomen in het boek, door onder meer historische en filosofische onderbouwingen. Hun essay trok vooral belangstelling door de waarschuwing tegen het nieuwe fascisme. Klein en Taylor onderscheiden drie bewegingen die dromen over de eindtijd en de ondergang van onze wereld: gelovigen van allerlei slag verwachten van de ‘zuivering’ van het heilige land Israël de terugkomst van Jezus; techbro’s streven naar een autocratisch bewind om hun digitale dromen te verwezenlijken; en nationalistische elites willen de grenzen sluiten tegen onzuivere indringers vanbuiten. 

Wanhopig

Om de centrale stellingen van Klein en Taylor gaat het mij echter niet direct, maar wel over de manier waarop de filosofie wordt ingezet. De teksten waarin ze filosofie aanhalen als theoretische ondersteuning van hun positie, zitten vol onbegrijpelijke en ernstige onjuistheden en blijven op een zeer algemeen niveau steken. Het lijkt alsof de wijsbegeerte vooral wordt gebruikt om het theoretisch tekort van het begrip ‘eindtijdfascisme’ te maskeren. Drie filosofen, Hannah Arendt, Karl Marx en Walter Benjamin, worden hierbij ingezet. Omdat, mogelijk vanwege de haast waarmee het boek in elkaar is gezet, de vierhonderd pagina’s geen personenregister en bibliografie bevatten, kan ik niet garanderen dat ik alle citaten ontdekt heb. Maar ik begin met de biografische gegevens van Benjamin. De inhoud van zijn denken komt later aan de orde.

Van hem wordt gesteld dat hij ‘zelfmoord pleegde, mede uit angst in handen van de Gestapo te vallen’ (p. 49). Dat is in heel algemene zin niet onjuist, maar deze beschrijving zegt niets concreets over ‘de schlemiel’, die hij volgens zijn vriendin Hannah Arendt was. Benjamin probeerde via de Spaanse grens het bewind van Pétain in Frankrijk te ontvluchten. Toen hij na een klim door de Pyreneeën de grenspost bereikte, bleek die gesloten. De vermoeide en wanhopige Benjamin maakte daarop een eind aan zijn leven. De volgende dag ging de grens gewoon weer open. Het is of Klein en Taylor ervoor terugschrikken om dergelijke concrete maar onthullende details te geven. Dan kennelijk liever een algemeen, weinigzeggend verhaal, dat in elk geval niet onjuist is.

Opium voor het volk

Om even met die vriendin door te gaan: wanneer Arendt besproken wordt, gaat er veel meer mis. De auteurs citeren een beroemde tekst van haar totaal verkeerd. ‘De ideale nazi’, zo zou Arendt gesteld hebben, was niet iemand met diepe overtuigingen, maar eerder een individu ‘voor wie het onderscheid tussen feit en fictie alsmede het onderscheid tussen waar en onwaar’ niet meer bestaat (p. 325). Maar Arendt zegt precies het omgekeerde. Bij haar gaat deze beschrijving over ‘de ideale onderdaan van totalitaire heerschappij’ die door overtuigde nazi’s – die wel degelijk zeker zijn van hun ideeën – van de standaarden van het denken wordt beroofd. Het gaat hier niet om een interpretatieverschil, maar om een onjuist citaat. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Klein en Taylor deze tekst niet zelf in de context gelezen hebben, anders hadden ze zich niet zo kunnen vergissen.

Vergissen gebeurt met nog grotere consequenties bij een bekende uitspraak van Karl Marx. Op pagina 103 verwijzen de auteurs quasi-achteloos naar een tekst van Marx uit 1844 over ‘godsdienst als opium voor het volk’. Religie zou volgens Klein en Taylor ingezet worden om de nieuwe fascistische bewegingen vooruit te helpen. Marx werkt zijn uitspraak uit in twee pagina’s die geen misverstand laten bestaan over zijn intenties. Niet een of andere heersende elite, maar ‘de staat en de maatschappij produceren de religie, haar enthousiasme, haar morele sanctie, haar universele basis voor troost en rechtvaardiging’. Daarmee zet Marx zich uitdrukkelijk af tegen de theorie van het ‘priesterbedrog’, die in de hoogtijdagen van de Verlichting opgeld maakte. Om religie te begrijpen is het niet voldoende om uit te gaan van een samenzwering van een kleine groep machthebbers en geestelijken die het volk indoctrineert. Maar daarvan is bij Klein en Taylor in hun beschrijvingen van de eindtijdfascisten juist wel sprake. In hun poging om hun ideeën te onderbouwen met een uitspraak van Marx, geven ze Marx totaal verkeerd weer. 

Goddelijk geweld

Wanneer de auteurs ten slotte Benjamin als de grote kampioen van hun kritische visie op het eindtijdfascisme presenteren (p. 63), gaat er op pijnlijke wijze meer mis. Ze kunnen er niet omheen Benjamin als een ‘messianistisch denker’ te presenteren, die eindtijdprofetieën verkondigt. Hij lijkt dus juist te horen tot de eindtijdfascisten die zij in hun boek bestrijden. Gelukkig blijken volgens hun lezing de apocalyptische profetieën van Benjamin alleen maar positief te zijn, uitingen van ‘stralende schoonheid’. Totaal verschillend dus van het negatief gekleurde messianisme van de eindtijdfascisten. ‘Zijn messianistische visie was van het hier en nu, met geen andere messias dan gewone mensen die hun collectieve krachten door tijd en ruimte heen verzamelen.’

Waar Klein en Taylor deze ‘huiselijke’ visie op het messianisme van Benjamin vandaan halen, zeggen ze niet. In ‘Zur Kritik der Gewalt’, Benjamins meest messianistische tekst, lezen we precies het omgekeerde. Het is onmogelijk om hier deze beroemde, onder anderen door Arendt en Derrida bekritiseerde tekst te bespreken, maar Benjamin maakt duidelijk dat de komst van de messiaanse tijd niet door menselijk ingrijpen kan worden voorzien of voorbereid. Dat gebeurt alleen door ‘goddelijk geweld’, waarbij vele slachtoffers van Gods toorn vallen, zoals in een Bijbeltekst uit Numeri waar Benjamin naar verwijst. Dit goddelijke geweld dat mensen zich niet kunnen voorstellen, heeft volgens Benjamin een ‘reinigende kracht’ die een nieuw begin mogelijk maakt.

Het is pijnlijk voor Klein en Taylor, maar dit past allemaal precies in het verfoeide eindtijdfascisme dat zij bestrijden. Volgens hun eigen definitie zou Benjamin een eindtijdfascist moeten heten. Dat dit onzinnig klinkt, zegt meer over hun centrale begrip dan over het denken van Benjamin, van wie ze geen enkel direct citaat geven. Een echte confrontatie met zijn filosofie zou hier, net als bij Arendt en Marx, een spannende uitdaging zijn geweest voor hun centrale stelling. Zij durven die kennelijk niet aan. Filosofische teksten bevatten voor hun hoofdstelling veel relevant en spannend materiaal, maar dan moet je ze wel lezen en niet als schaamlap hanteren.

Eindtijdfascisme
Naomi Klein en Astra Taylor
De Geus
400 blz.
€ 25,99

Loginmenu afsluiten