Miriam Rasch gelooft niet in authenticiteit en blijft er tegelijk naar verlangen. Hoe kun je nog authentiek zijn?
‘Ik geloof niet in authenticiteit,’ beweer ik graag en met enige regelmaat. Dat is uiteraard bedoeld als provocatie, maar ik meen het ook. Ik heb geen belangstelling voor zogenaamde echtheid en hecht er geen intrinsieke waarde aan. Juist omdat het authentieke erop uit is geloofd te worden, vind ik het ongeloofwaardig. Bovendien heb ik in het algemeen weerstand tegen zaken die regressie veronderstellen, of het nu een terugkeer in de tijd is of de gang naar een diep verborgen, onaangetaste kern – en die twee gaan vaak samen. De nostalgische normativiteit stuit me tegen de borst, ik denk niet dat het vroeger beter was of dat het vinden van je ware zelf je gelukkig zal maken. Authenticiteit begon weliswaar als progressieve opdracht om los te breken uit beklemmende sociale structuren en je eigen pad op te gaan, maar is inmiddels eerder conservatief van aard. Het ruikt naar de jaren vijftig, of de huidige belichaming daarvan: tradwives en antivaxers die in de bossen van Zweden zelfvoorzienend leven. Bovendien kan authenticiteit niet zonder expressie, terwijl ik liever zou zien dat men zijn mond eens hield. Authenticiteit, ten slotte – ik som nu gewoon alle bezwaren op die vanuit mijn diepste binnenste naar boven borrelen – is te vaak een excuus voor onbehouwen gedrag. ‘Hij kan het niet helpen, zo is hij nu eenmaal.’ Als je dat hoort is het wegwezen geblazen.
De zoektocht naar jezelf is westers, verwend en egocentrisch
Ook los van mijn persoonlijke bezwaren heeft authenticiteit te kampen met reputatieproblemen (behalve natuurlijk bij van die authentieke mensen die haar ontzettend waarderen, maar je wéét gewoon dat dat knurften zijn). Het woord is besmet geraakt door het individualistische pronkgedrag van de havermelkelite, zoals je dat op Instagram kunt bewonderen. Gekaapt door sociale media en kapitalisme is authenticiteit verworden tot haar tegendeel: conformisme. Om jezelf te zijn volg je de hotste accounts, shop je de nieuwste looks, gepolijst met de meest egaliserende filters.
Michel Foucault had het in de jaren tachtig al over de Californian cult of the self, die je opdraagt om je ware ik te vinden, liefst met behulp van coaches en psychotherapie. Het was een voorafspiegeling van de California ideology die vanaf de jaren negentig het internet vormgaf. De twee hebben samen het monster geschapen dat influencer heet – een schepsel dat bestaat voorbij het onderscheid van echt en nep, authentiek en inauthentiek. Ooit was het ergste wat bestond de sell-out, een kunstenaar of muzikant die zijn ziel verkocht aan het grote geld. Nu is het juist bewonderenswaardig als het je lukt een deal te sluiten voor reclame op je Instagramprofiel. Dan heb je geen authenticiteit meer nodig.
Michel Foucault: leven is een opgave
Automatismen
Maar eerlijk is eerlijk, hoezeer ik de zoektocht naar authenticiteit ook een first world problem vind – westers, verwend en egocentrisch – ook ik ontkom niet aan de wens om authentiek te zijn, of op zijn minst zo over te komen. Authenticiteit is immers een oordeel gegeven door de buitenwereld, mijn geloofwaardigheid rust in het oog van de aanschouwer. Ook ik wil herkend worden als mezelf, eigen en uniek. Alle valide kritieken op het doorgeslagen individualisme ten spijt, weet ik weinig vervelenders dan dat anderen zeggen wat ik moet doen. Hoezeer ik noties als relationaliteit en zorg ook aan mijn pakket van filosofische overtuigingen heb toegevoegd, diep vanbinnen gruw ik van afhankelijkheid of het idee dat ik mezelf ondergeschikt zou moeten maken aan de gemeenschap.
En de tijden veranderen opnieuw. Met de opkomst van AI is mijn verlangen naar authenticiteit – mijn vurige wens om die aan anderen te kunnen toekennen, welteverstaan – flink gegroeid. De slijmerige emails, met emoji’s doorspekte LinkedIn-berichten en al te gladde schoolopdrachten doen me snakken naar een menselijke stem. Ik hoor mezelf bewonderend spreken over authentieke profielen en scripties. In het woordenboek staat als definitie niet voor niets ‘eigenhandig geschreven’, als van een akte of een testament. Kom daar nog maar om. Het blijkt langzamerhand moeilijker om zónder een vermoeden van authenticiteit (die de AI-gebruiker vast ergens anders denkt te halen) iemand serieus te nemen. Kwade trouw, in goed existentialistisch jargon, was altijd al verknoopt met automatismen, maar dat was buiten generatieve technologie gerekend.
Koen Schouwenburg beschrijft het probleem van de kwade trouw – zonder het overigens zo te noemen – in zijn essaybundel Weerstand tegen de wanhoop heel eenvoudig: als je niet jezelf bent, valt er met jezelf niet te leven. Hij heeft het over identiteit: wat je doet, moet overeenkomen met wie je bent. Het lastige is dat de volgorde niet klopt: je wordt pas degene die je bent als je begint te doen. ‘Identiteit is inderdaad een constructie, maar dat is wel wat anders dan een verzinsel. De ellende van identiteit is juist dat je niemand anders kunt zijn dan jezelf,’ schrijft hij. Daar komt bij dat identiteit veranderlijk is. Als je als veertiger nog steeds samenvalt met wie je dacht te zijn op de achttiende, ben je vooral verstard in automatismen. En dus inauthentiek.
In haar cultuurgeschiedenis van de romantiek Rebelse genieën schrijft Andrea Wulf hoe Fichte zijn studenten al in 1794 voorhoudt dat een mens ‘moet zijn wie hij is, omdat hij dat wíl zijn en gelijk heeft dat hij dat wil zijn’. Verlichter Kant was met zijn oproep tot autonomie – ‘Durf te denken!’ – een inspiratie voor de ‘ik-gerichte’ romantici. Wat is eigenlijk het verschil tussen authenticiteit en autonomie? Ik hield zelf altijd meer van de tweede. De fantastische ervaring van opgroeien: dat je steeds meer regie neemt over je eigen leven, al is het tegen de klippen op. Ik moet nog steeds van alles (niet in de laatste plaats van mezelf), maar hoef in elk geval niet meer aan anderen te gehoorzamen. Autonoom zijn, dat is vooruit leven: door je keuzes je zelf dichter bij jezelf brengen. Weg van de oorsprong in plaats van ernaartoe, zoals de authenticiteit dat wil. Toch?
Vooruit leven
Het gekke is dat dat precies is hoe de existentialisten authenticiteit beschrijven – vooruit leven – en zij hebben het begrip toch definitief op de kaart gezet. Moet ik dan misschien toch terug naar de oorsprong, naar De Beauvoir en Sartre? Waarom hadden zij het eigenlijk over authenticiteit en niet over autonomie?
Zowel autonomie als authenticiteit hebben te maken met het zelf (autos), maar waar de eerste zich richt op het ontdekken van rationeel onderbouwde wetten, laat de tweede ook emotie toe. Authenticiteit gaat om doen en kiezen in de situatie waarin je je bevindt en in overeenstemming met je overtuigingen. Die kunnen onredelijk zijn, zij het geen verzinsel, zoals Schouwenburg zegt. Aan de basis ligt de ‘facticiteit’, al die dingen die nu eenmaal gegeven zijn. Je kunt niet veranderen dat je als vrouw geboren werd, een blind oog hebt, in oorlog leeft. Maar je bént die dingen niet; je ontstijgt ze. Tenminste, als je authentieke keuzes maakt. Authenticiteit betekent dus dat je juist niet met iets samenvalt en ervoor kiest om dat telkens opnieuw niet te doen! Het is die opvatting van de mens als multitude die me in het existentialisme altijd heeft aangetrokken.
Authenticiteit is garant staan voor je wordende zelf, hoe onzeker dat ook is
Nu waren in de twintigste eeuw de rollen die we kregen toebedeeld een stuk meer rechttoe rechtaan dan nu. Handig, want daardoor was het makkelijker om je af te zetten. Waar moet je uit losbreken als je alles kunt worden wat je wil? Als authenticiteit zelf de norm is geworden, hoe kies je je dan nog vrij? En waarom zou je nog vooruit willen leven nu de toekomst nogal dystopisch uitpakt? Het is misschien niet vreemd dat we onszelf zoeken in broodbakken, houthakken en de bijbehorende traditionele rolpatronen. Maar als dat authenticiteit voor de eenentwintigste eeuw is, zijn we terug bij af. Daar wil ik niet in geloven!
De vraag is eenvoudig: als ik authenticiteit zoek bij een ander, wat zoek ik dan? Eerst en vooral: een eigen stem. (‘Eigenhandig geschreven’ mag ook gesproken zijn.) Meer nog: ik hoop dat iemand garant staat, en wel voor zichzelf. Het tegendeel van kwade trouw is trouw aan jezelf, maar dus zonder met een vast beeld of idee van jezelf samen te vallen, laat staan met de trending topics van het moment. Je staat garant voor je wordende zelf, hoe onzeker dat ook is. Kiezen tegen bestaande automatismen in – of ze nu vanbinnen of vanbuiten komen – is in deze zin urgenter dan ooit. Kan dat nog? Of heeft technologie de authenticiteit voorgoed naar het knutselhoekje verbannen?
Stel dat we authenticiteit zelf zien als een technologie. Dat impliceert dat er iets wordt gemaakt wat nog niet bestaat. Een technologie moet je bovendien leren beheersen. De Beauvoir zag niet voor niets grote kansen voor authenticiteit bij het ouder worden, wanneer er zowel meer facticiteit is als meer ervaring om er wat van te maken. Maar ik heb niet alleen maar over ‘techniek van het zelf’. Technologie is de situatie waar we in zitten. Ze biedt naast zelfonteigening en zelfverloochening ook mogelijkheden voor zelfbeschikking en zelfverwerkelijking. Ze sleurt ons mee op een stroom van automatisering en profilering, maar daaronder loopt een stroom van mogelijke authentieke keuzes.
Het is misschien wel authenticiteit op het hoogste niveau dat daar gespeeld wordt, in heel onze dagelijkse omgang met al die technologieën. Juist online hoeven we niet met onszelf samen te vallen, maar zijn we potentieel een multitude. Juist in de hysterische media kan een belichaamde stem herkenbaar en eigen zijn. Juist in het postdigitale landschap, waar we voortdurend van online naar offline bewegen en weer terug, kunnen we voor onszelf in staan. En nog steeds geldt dat hoe vaak we ook onze menselijkheid moeten authenticeren, de techniek zelf geen zeggenschap heeft over het toekennen van authenticiteit. Daarvoor heb je nog steeds het oog van de ander nodig. Ik geloof dat zelfs ik daarin geloof.

