De paradox van individuele vrijheid is dat we het samen moeten doen, aldus de Amerikaanse historicus Timothy Snyder in zijn boek Over vrijheid (2024). Bij ‘individuele vrijheid’ denken we vaak aan het verlichtingsideaal van een autonoom en rationeel mens, iemand die zijn eigen weloverwogen keuzes maakt. Maar we vergeten dan dat ieder van ons niet begonnen is als vrij individu, maar als hulpbehoevend wezentje. Stapje voor stapje, verzorgd door anderen, worden we zelfstandiger. Hoe doen we dat eigenlijk, een autonoom individu worden? Wat is de rol van de groep daarin? En staat individu-zijn ons in de weg als we ons met anderen willen verbinden?
Imitatie
‘We moeten ons beeld van de mens als homo sapiens, wetende of wijze mens, bijstellen,’ vindt Nidesh Lawtoo, hoogleraar Europese literatuur en cultuur aan de Universiteit Leiden. ‘Dat beeld stamt uit de Verlichting, een tijd van groot geloof in de rationele capaciteiten van de mens. Maar we zijn geen geheel rationeel individu dat in z’n eentje op een kamertje aan het denken is. Vanaf onze geboorte zijn we gevangen in belichaamde relaties met andere mensen. We worden wie we zijn door anderen te imiteren. Mijn voorstel is dat we onszelf daarom homo mimeticus noemen, de imiterende mens.’
Als we gevormd worden door onze relaties, bestaat het individu dan wel? Hoe kun je jezelf zijn als je het product bent van anderen? ‘Je moet het individu niet als tegengesteld aan anderen denken,’ legt Lawtoo uit. ‘Omdat we allemaal gevormd worden door andere relaties, is iedereen toch uniek. En er is zoiets als selectieve of zelfs creatieve imitatie: je neemt niet alles van iemand over, en je kunt door na te doen soms iets nieuws creëren. Ik zie geen tegenstelling tussen imitatie en originaliteit: er is geen authentiek individu dat we in onszelf kunnen ontdekken, dus we moeten onszelf vormen. Dat maakt het zelf, jouw individualiteit, tot een project.’
Het is een belangrijke opdracht in het onderwijs: een plek bieden waar leerlingen hun zelf kunnen vormgeven. ‘Onderwijs gaat niet alleen om kennisoverdracht,’ weet Lawtoo uit ervaring, ‘maar ook om de leerling helpen met een identiteit vormen. Leraren belichamen een bepaalde “stijl van zijn” waar leerlingen iets van kunnen overnemen – of juist niet. We zijn in de eerste plaats lichamelijke wezens: er is geen scheiding tussen emotie en ratio, tussen pathos en logos. We zijn “patho-logische” wezens. Door emoties staan we open voor de wereld: dingen om ons heen resoneren in ons, waardoor we ze kunnen begrijpen. En onze rationele kant stelt ons in staat om ook weer kritisch afstand te nemen.’
Op het Cartesius Lyceum in Amsterdam hebben ze een pedagogische filosofie die past bij Lawtoos visie op de mens. Door nadruk te leggen op de gemeenschap wil de school leerlingen helpen hun identiteit te vinden, vertelt rector Wim van Boxtel. ‘Het oude model van autoriteit werkte niet meer. Leerlingen en ouders luisteren niet automatisch omdat je docent of rector bent. Daarom zetten we nu in op verbindend gezag. Dat betekent dat we leerlingen benaderen op basis van wederzijds respect. Ik laat jou in je waarde, jij laat mij in mijn waarde. Dat betekent veel handjes schudden en veel korte gesprekken, maar het werpt z’n vruchten af. Onze school heeft wel regels – op tijd komen, geen petjes – maar de relatie blijft de basis.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Giftige gemeenschap
Relaties maken de mens, aldus Lawtoo. ‘Het begint bij het gezin, dan komen er vriendjes en vriendinnetjes bij en natuurlijk de school. Maar denk ook aan religieuze gemeenschappen, sportverenigingen, politieke partijen en buurtgroepen. En je hebt ook nog wat antropoloog Benedict Anderson “verbeelde gemeenschappen” noemt: een natie is minder hecht verbonden dan bijvoorbeeld een gezin, maar kan wel als gemeenschap worden ervaren. Kijk maar hoe mensen samen juichen als hun land op de Olympische Spelen een medaille wint.’
Verschillende gemeenschappen hebben allemaal hun eigen manier van doen. ‘Het individu past zich aan, dat gaat eigenlijk ongemerkt,’ vervolgt Lawtoo. ‘Ik noem dat het “mimetische onderbewuste”. In het buitenland merk je dat je net een stapje uit de maat loopt. Mensen bewegen anders, de timing in gesprekken is net niet hetzelfde.’ Die verschillende manieren van doen kunnen ook botsen. ‘Bij onze leerlingen zie je dat soms gebeuren,’ vertelt Lidia Stankovic, teamleider onderbouw bij het Cartesius Lyceum. ‘Veel leerlingen hebben een biculturele achtergrond en moeten constant switchen tussen gedrag dat vanuit verschillende culturen van hen wordt verwacht. Daarnaast is er een groot verschil tussen de gemeenschappen binnen en buiten de school. Soms komt er straatcultuur bovendrijven en doorbreken leerlingen de gelijkwaardigheid op school. We zeggen dan: “Hier op school ben je Cartesiaan.”
‘Solidariteit gaat om inzicht in de eigen eenzaamheid’
Gemeenschappen kunnen goed voor mensen zijn, maar ook een slechte invloed hebben. ‘Filosofen noemen dat een farmacon, iets dat tegelijk vergif en geneesmiddel kan zijn,’ zegt Lawtoo. ‘Een gemeenschap kan het individu de mogelijkheid geven om zich te ontplooien. Door deel uit te maken van de universitaire gemeenschap worden mijn vaardigheden als onderzoeker en onderwijzer versterkt. Maar als gemeenschappen te homogeen zijn, kan de druk om erbij te horen je individualiteit onderdrukken.’
De giftige kant van gemeenschappen blijkt bijvoorbeeld bij online gemeenschappen. ‘De algoritmes van sociale media bevorderen de vorming van bubbels die andersdenkenden uitsluiten, zodat de mensen in verschillende bubbels zich tegen elkaar keren,’ weet Lawtoo. ‘Zulke algoritmes maken slim gebruik van onze emoties, waarmee we openstaan voor de wereld. Dit gebeurt ook in de politiek, wanneer de ene groep wordt opgezet tegen de andere. De vorming van zulke bubbels laat zien hoe groot de kracht van imitatie is. Gelukkig kunnen we die “patho-logie” van ons ook gebruiken om kritisch afstand te nemen, door onze redelijke kant aan te spreken. De verlichtingsidealen van rationaliteit en autonomie moeten we dus niet uit het raam gooien. Hierin is onderwijs ook belangrijk, omdat we daar onze emoties leren reguleren.’
Hoerawoord
Als gemeenschappen zowel goed als slecht kunnen uitpakken, hoe kunnen we dan onderlinge relaties in goede banen leiden? Wat betekent het om solidair te zijn – iets waartoe politici vaak oproepen? ‘Solidariteit is een soort hoerawoord geworden,’ vindt René ten Bos, hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij schreef het boek Solidariteit. Een kleine filosofie. ‘Het is een politiek marketing woord, een moreel appel dat wordt gedaan zonder dat men begrijpt wat solidariteit eigenlijk is.’ Een kant-en-klare definitie van solidariteit heeft Ten Bos zelf niet. ‘Maar het begint met inzicht in onze wederzijdse afhankelijkheid. Solidariteit kan niet alleen iets zijn waartoe we oproepen, ze werkt alleen als we zien hoe we in werkelijkheid al verbonden zijn.’
De vraag is of we solidariteit tussen individuen kunnen vormgeven. Ten Bos maakt een onderscheid tussen warme en koude solidariteit. ‘Sommige denkers vinden dat solidariteit iets koels moet zijn, iets wat bureaucratisch geregeld moet worden. Dat idee komt voort uit Aristoteles’ inzicht dat in een democratie niet te veel mensen armoede mogen lijden, omdat dat niet goed is voor de samenleving. Ik ben solidair door bijvoorbeeld belasting te betalen, omdat ik besef dat het niet in mijn belang is dat de samenleving naar de gallemiezen gaat. Maar anderen zeggen dat solidariteit juist met empathie te maken heeft, dat het een deugd is om je in te zetten voor anderen.’
‘Er is dus geen eensgezindheid over solidariteit,’ merkt Ten Bos op. ‘Voor iemand als Albert Camus is solidariteit juist weer iets metafysisch. Solidariteit gaat hem niet om compassie of rechtvaardigheid, maar om inzicht in onze eigen eenzaamheid. De enige manier waarop ik solidair met jou kan zijn, is door te begrijpen dat jij net zo eenzaam bent als ik.’
De nadruk op individualiteit is volgens Ten Bos een Westers fenomeen, met vooral als functie dat de staat burgers op hun verantwoordelijkheid kan aanspreken. ‘We weten vanuit de antropologie dat inheemse populaties die in gemeenschappen leven helemaal niet zo’n sterk individualiteitsbesef hebben. Die hebben geen burgerservicenummer dat gekoppeld is aan een persoon die belasting moet betalen. Zoals Camus laat zien heeft individualiteit altijd te maken met eenzaamheid. “Individu” betekent letterlijk: ondeelbaar, dat niemand anders het van jou over kan nemen. Daarom gaat solidariteit ook niet om individuen, eerder over “dividuen”. Dat is de mogelijkheidsvoorwaarde voor solidariteit: dat we onszelf op kunnen delen. We moeten dat individu-zijn een beetje ontleren. Als je vast blijft houden aan je eenzaamheid, wordt het moeilijk om op te gaan in het grotere geheel.’
‘Mijn vrouw verbaast zich altijd over hoeveel mensen ik spreek,’ vertelt Ten Bos. ‘Als ik de hond uitlaat, maak ik altijd een praatje, om een beetje vriendelijk zijn. Het is iets onzinnigs, dat honden verbindend zouden zijn, maar ze hebben wel degelijk een solidariserend effect. Zo is solidariteit toch een soort vaardigheid.’ Solidariteit kun je onderwijzen, vindt ook rector Van Boxtel. ‘Door het voor te doen. Dat begint met interesse in elkaar tonen en je inzetten voor elkaar. Als school doen we inzamelingen voor de voedselbank en organiseren we een kledingmarkt voor leerlingen. Daarnaast ben ik openlijk homo, de leerlingen kennen mijn vriend. Al hebben ze daar op straat negatieve dingen over gehoord, ik heb er geen enkel gedoe mee gehad. Iedereen deelt dezelfde kernwaarden: we zijn allemaal op zoek naar liefde, naar veiligheid en naar een dak boven ons hoofd. Begin daar en contact maken lukt altijd. Dat is volgens mij het begin van samenleven.’
