Home Waarom burgerlijke ongehoorzaamheid nodig is

Waarom burgerlijke ongehoorzaamheid nodig is

Door Leon Heuts en Thomas Rietstra op 16 september 2008

08-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Wat is burgerlijke ongehoorzaamheid volgens filosofen als Thoreau en Rawls? En waar ligt de grens?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Waar komt het woord burgerlijke ongehoorzaamheid vandaan?
De Amerikaanse schrijver Henri David Thoreau (1817-1862) was de eerste die het woord ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ gebruikte. Hij weigerde in 1846 belasting te betalen omdat hij tegenstander was van de Amerikaans-Mexicaanse oorlog én vanwege zijn kritiek op de slavernij. Hij zou hier het boek Burgerlijke ongehoorzaamheid over schrijven, een inspiratiebron voor onder meer Gandhi en Martin Luther King.

Wat is burgerlijke ongehoorzaamheid?
Burgerlijke ongehoorzaamheid is een niet-gewelddadige en gewetensvolle wetsovertreding. Het doel daarvan is om publiekelijk aan te tonen dat een bepaalde wet of regeringsbeleid onrechtvaardig is en deze te veranderen. Deze bekende opvatting van burgerlijke ongehoorzaamheid is afkomstig van de politiek filosoof John Rawls, die dit uiteenzet in A Theory of Justice (1971). Zijn opvatting komt in grote lijnen overeen met die van de Nederlandse socioloog en jurist Kees Schuyt.

Wat is burgerlijke ongehoorzaamheid niet?
Een criminele daad
Het gaat een misdadiger om eigen gewin, onrecht aan het licht brengen interesseert hem niet. Een crimineel overtreedt de wet daarom in het geheim; het laatste wat hij wil, is dat zijn daden in de openbaarheid komen. Bij burgerlijke gehoorzaamheid gaat het er juist om publiekelijk het onrecht aan te tonen.

Gewetensbezwaar
Een gewetensbezwaarde streeft er niet naar om de wet of het beleid te veranderen. Hij wil de wet niet gehoorzamen omdat die tegen zijn geweten indruist. Zijn weigering is dus een persoonlijke kwestie. Bij burgerlijke ongehoorzaamheid gaat het echter om een publieke zaak: activisten breken de wet, omdat ‘de samenleving’ die niet zou moeten accepteren. Denk aan de Amerikaanse zwarte activist Rosa Parks: zij wilde in 1955 niet opstaan om achter in de bus te gaan zitten, terwijl dat wel werd voorgeschreven door de segregatiewetten van Alabama. Het ging haar niet slechts om haarzelf; ze vond dat deze wetten in strijd waren met de grondwet.

Revolutionair verzet
Een revolutionaire beweging als de IRA (vroeger) of de ETA verwerpt de bestaande rechtsorde, en past gewapend geweld toe. Burgerlijk ongehoorzame activisten erkennen de bestaande (democratische) rechtsorde, maar vinden dat de wetgeving of het overheidsbeleid daarmee in strijd is. Het heet ook niet voor niets burgerlijke ongehoorzaamheid: de activist blijft trouw aan de rechtsorde. Martin Luther King verwoordt het zo: ‘The government of the United States is our government, and our government will listen to its people.’ (De regering van de Verenigde Staten is onze regering, en onze regering zal luisteren naar haar volk.) King erkent de staat, maar roept hem ter verantwoording.

Kan een kleine groep activisten zomaar claimen uit naam van de rechtvaardigheid te spreken?
Volgens Rawls is er binnen een democratie een consensus over rechtvaardigheid, namelijk dat iedere burger vrij is en gelijk is aan andere burgers. Een overheid of wet die breekt met deze uitgangspunten is niet rechtvaardig. Toch blijft de vraag hoe die vrijheid en gelijkheid er in de praktijk uit zien. Wie bepaalt dat? Mag een kleine groep ‘namens een samenleving’ spreken en het verschil tussen recht en onrecht bepalen? De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis stelt dat dit gevaarlijk is. Wie handelt vanuit het ideaal van rechtvaardigheid, kan vinden dat het doel de middelen heiligt. Het nastreven van zo’n ‘hoger doel’ leidt volgens Achterhuis vaak tot geweld: in het streven naar een betere samenleving mogen we hier en nu wel wat brokken maken. Toch valt daar wel wat op af te dingen: de claim van rechtvaardigheid laat niet per se elk middel toe, omdat bewegingen die burgerlijke ongehoorzaamheid toepassen zich gebonden voelen aan de rechtsorde.

Is binnen een democratie burgerlijke ongehoorzaamheid wel nodig?
Nee, zeggen veel filosofen: in een goed functionerende democratie zijn er voldoende legale middelen waardoor een burger zijn stem kan laten horen en waarmee hij tegen bestaand beleid kan protesteren: verkiezingen, inspraak, referenda, stakingen, demonstraties, de Wet openbaarheid van bestuur, vrije media, et cetera. Is dat niet voldoende? Volgens de meeste denkers is burgerlijke ongehoorzaamheid een laatste middel in deze rij.
Er is een aantal argumenten waarom burgerlijke ongehoorzaamheid juist een belangrijk onderdeel van een gezonde democratie is.

Geen enkele democratie is perfect
Politiek is mensenwerk, en dat betekent dat machtsmisbruik en misleiding altijd op de loer liggen. Het schenden van burgerrechten door de overheid nu of in de toekomst kan niet worden uitgesloten. De inbraak in het Ministerie van Economische Zaken in 1985, waar Wijnand Duyvendak bij betrokken was, werd ook met dat argument verdedigd. De inbraak was niet nodig geweest, aldus de actievoerders destijds, als minister Van Aardenne openheid van zaken had gegeven over het zoeken naar locaties voor kerncentrales – een brede consensus in de Kamer hierover werd door de regering genegeerd. Overigens getuigt het inzicht dat ook in een democratie dingen mis kunnen gaan, juist van een democratische geest – alleen totalitaire regimes zijn overtuigd van hun eigen volmaaktheid.

De meerderheid is niet altijd rechtvaardig
Kort door de bocht geformuleerd: in een democratie beslist de meerderheid, maar die meerderheid is niet per se rechtvaardig. Daarom is een democratie meer dan de stem van de meerderheid, aldus Rawls. Het fundament van democratie is rechtvaardigheid: vrijheid en gelijkheid voor iedere burger, niet alleen voor de meeste burgers. Enkele jaren geleden riepen kerken en kerkelijke organisaties op tot burgerlijke ongehoorzaamheid om illegalen te beschermen en zo het uitzetbeleid van toenmalig minister Verdonk te frustreren. Dit was tegen de algemene opinie, maar de kerken meenden toch dat het beleid de mensenrechten schond en daarom niet rechtvaardig was.
De meerderheid betekent hier niet alleen de macht van de burgers of van de politiek, maar ook van de media. Juist binnen de mediademocratie is burgerlijke ongehoorzaamheid een belangrijke strategie volgens de filosoof en politiek activist Bertrand Russell. Illegale acties vallen immers op, en richten de aandacht op geclaimde misstanden, die anders – door traditie, sociale gewoonten, eenzijdige berichtgeving en ga zo maar verder – over het hoofd worden gezien. Aandacht is het begin van bewustwording en van verandering. Zie bijvoorbeeld de vrouwen- en homobeweging, die ook begonnen met illegale acties.

Vrijheid betekent ongehoorzaam kunnen zijn
In een volwassen democratie zijn burgers geen kritiekloze volgers van de macht. Ook als ze instemmen met een beleid of wetgeving, doen ze dat vrijwillig en met volle overtuiging, en niet omdat ze het ‘gewoon zijn om te doen’. Maar wat betekent vrijwillig instemmen, vraagt de filosofe Hannah Arendt, als het niet ook mogelijk is om je tegen die macht te keren?

Ligt de grens bij geweld?
Ja, zegt John Rawls. Burgerlijke ongehoorzaamheid moet in overeenstemming zijn met de rechtsorde, die juist geweld moet overstijgen. Het gevaar van het gebruiken van geweld is dat je dan misschien de burgerlijke vrijheden van anderen aantast. Geweld kan ertoe leiden dat je de lichamelijke integriteit van medeburgers schendt

Maar wat is precies geweld?
Is het vernielen van eigendom (gebouwen, militaire objecten) ook geweld? Of een mailbombardement om een overheidssite te blokkeren? Of een flinke duw, bijvoorbeeld bij een bezetting van een overheidsgebouw? Of het publiceren van adressen? In de filosofische literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen persuasion (overreding) en coercion (dwang). Overreding is volgens Rawls legitiem, en omvat bijvoorbeeld het vreedzaam en tijdelijk bezetten van overheidsgebouwen. Maar dwang – bijvoorbeeld steeds opnieuw de ruiten van een ministerie ingooien – noemt hij gewelddadig en niet legitiem. Bij het uitoefenen van dwang laat je de ander (in dit geval de overheid) geen keuze; die wordt gedwongen tot een bepaalde handeling. Terwijl vrijheid juist met het oog op democratie en de rechtsorde moet worden gerespecteerd.

Werkt burgerlijke ongehoorzaamheid dan wel zonder dwang?
Niet elke filosoof denkt dat burgerlijke ongehoorzaamheid ook zonder dwang effect heeft. Piero Moraro en andere rechtsfilosofen vinden dat burgerlijke ongehoorzaamheid zonder enige dwang nauwelijks mogelijk is. Je wilt immers verandering en daar heeft de gevestigde orde vaak weinig zin in. Wat blijft er dan over, als overreding het enige middel is?

Moet een activist zich aangeven?
Ja, zeggen Rawls en Schuyt, aangifte is noodzakelijk. Want door je aan te geven toon je dat je trouw bent aan de rechtsorde op zich. Je hebt gewetensvol ‘als goede burger’ de wet overtreden en je accepteert dat daar een straf tegenover staat. Plato geeft al een beroemde verdediging van het accepteren van de straf. In Crito voert hij Socrates op, die ter dood is veroordeeld omdat hij de Atheense jeugd zou bederven. De straf die hem daarvoor is opgelegd, ondergaat hij zonder tegenstribbelen. Hij had kunnen vluchten, maar doet dat niet. Want niet gehoorzamen aan de staat leidt tot anarchie.
Toch vindt rechtsfilosoof Howard Zinn het accepteren van de straf in tegenspraak met burgerlijke ongehoorzaamheid. Waarom, vraagt hij zich af, tart Socrates het Atheense bestuur en ondergaat hij daarna deemoedig de straf van datzelfde bestuur? Waarom die zelfopoffering? Burgerlijke ongehoorzaamheid betekent nu eenmaal handelen tegen de wens van een staat in, dus waarom zou je je dan voor diezelfde staat moeten verantwoorden? Een antwoord luidt dat aangifte de staat – in dit geval het Openbaar Ministerie en de rechter – dwingt tot een uitspraak of een bepaalde wet wel rechtvaardig is. Bijvoorbeeld in het geval van Rosa Parks. Ze dwong de staat om een oordeel te vellen over de vraag of de segregatiewetgeving van Alabama in strijd was met de Grondwet. Het Hooggerechtshof stelde haar in het gelijk: de segregatiewetten waren niet constitutioneel.

Zijn er echt geen goede redenen voor de activist om zich niet aan te geven?
Die bestaan wel, vinden Hannah Arendt en Howard Zinn. Vaak is het helemaal niet nodig dat iemand zich aangeeft om op die manier de wet te veranderen. Activisten begaan namelijk veel overtredingen van wetten die ze helemaal niet willen veranderen, denk aan inbraak. Als je van zo iemand toch verwacht dat die zich aangeeft, getuigt dat volgens Zinn en Arendt alleen maar van een verlangen naar morele zuivering.
Volgens de twee denkers is dat verlangen zelfs gevaarlijk. Het gevaar ervan is dat de aangifte beschouwd gaat worden als een heroïsche daad, als zelfopoffering die noodzakelijk is verbonden met burgerlijke ongehoorzaamheid. Dan kan burgerlijke ongehoorzaamheid een ijdel soort fanatisme worden en zelfs een quasi-religieus martelaarschap: ‘Kijk eens hoe goed en gewetensvol ik ben. Ik ben zelfs bereid om een straf te aanvaarden.’ Dergelijke sentimenten overstemmen volgens Arendt waar het werkelijk om gaat: het aantonen en bevechten van een onrecht.

Met dank aan Ivana Ivkovic